Page images
PDF
EPUB

geraakt, platgedrukt door dien steen. De steen was mooi om tot zitplaats te dienen voor al de lieden.

Toen werden zijn vader en zijn oom (die) in huis [waren) bevreesd, ziende dat L. M. den steen naar het dorp gebracht had.

„Hoe zullen we 't overleggen, hem binnen te roepen, o zwager ?" zei de vader

„Wees maar niet bang; als we bang zijn, zal hij ons stellig dooden, dien grooten steen heeft hij gebracht!" zei zijn zwager. Toen was zijn vader niet meer bang. „Moet ik sterven, 't zij zoo" (lett. dood, dood !) dacht hij.

Toen ging hij naar beneden, om L. M, te roepen. L. M. zeide: „Pas op de geit, zei oom, in het dal; ik wil een [kapijas) versiering hebben, zei oom, maar hij ging] dien grooten steen op den heuvel uitgraven; mij dooden, dat was jelui plan, oom, vader, tante, moeder. Als [gij] mij wilt dooden, dan niet aldus; laten we er allen eens over praten, vader, moeder, oom en zusters. i) Verschaf me, o moeder, zeven j) rcode bloemen k) (Hibiscus Rosa Sinensis); tante's schuld zij zeven kluitjes meel, oom's schuld een hoofddoek, mijn zuster een kampil, mijn vader een mes, mijn oom (van moeders zijde) een gordel.

Toen gaven ze hem dit alles.

„Nu dan niet aldus, 2) mijn vader, moeder, oom, tante, gij al mijne zusters, die niet om me geeft en u tegenover mij schaamt, dat ik dus ga; vergeet me niet; al zouden we wel bij elkaar willen blijven; als we het allernoodigste eten m) ons niet kunnen verschaffen? [wat zit er dan anders op ?). En dus, gij

1) Die zusters komen hier zeer vreemd, het begin van 't verhaal in aanmerking genomen. Eene oplossing is dat men anak niet neemt in den algemeenen zin van kind, maar naar de Tobasche beteekenis van zoon, tegenover boroe (dochter).

Hiermee klopt, dat als de vader L. M. dood waant, hij zegt, dat hij bij zijn broeders (8&pina) is.

j) Zeven is bij de Bataks een bijzonder heilig getal, veel meer nog dan de andere onoven getallen. De Bat. litteratuur wemelt van voorbeelden. 't Zal zijn grond wel hebben in de vier maal zeven dagen tusschen de verschillende schijngestalten der maao.

k) De boenga-boenga is ook een der bijna bij alle kerdja's of lakon (plechtigheden) onmisbare ingrediënten, en ze zal dit wel aan hare kleur (rood) te danken hebben. Rood toch is over 't geheel de kleur der offers aan de hantoes (natuurgeesten) en dit zeker wel weer omdat het de kleur van 't bloed is. Er zijn aanwijzingen, dat bloedige offers vroeger veel meer voorkwamen dan nu.

1) „Nu dan, niet aldus”, eene uitdrukking waarmee vaak een spreken begint, zonder dat het bepaald op iets voorafgaands terugslaat, niet veel meer dan een stopwoord dus. Deze heele alinea heeft voorts iets gedrongens, en de woordschikking is min of meer verward. De verteller is blijkbaar door de wel wat lange rede van L. M. den draad kwijt geraakt. De vertaling is dientengevolge ook vrij.

m) „het allernoodigste eten”. Woordelijk beteekent nakan si ben, het eten voor den avond", De Batak let slechts twee maal per dag, en 't avondeten is zijn hoofdmaal,

[ocr errors]

allen, ik vertrek, moge ik niet met ziekte te kampen hebben," aldus sprak L M.

Hij gaf eerst met de hand een klap op den grooten steen, n) en ging toen.
Hij ging nu het oerwoud in alle richtingen doorkruisen.
Daar ontmoette hij Pěpgěltěp si mate begoe.

Wie is dat ', zei P. – „Ik”, zei L. M. – „Dan tref ik vandaag koninklijk wildbraad”, zei P. – „Wel, it was mijn gebed (stille wensch) dat bier iemand zou ronddolen,' zei L. M.

P. schoot nu met het blaasroer op L. M. „Dat is mis; waarom zou je op me schieten (lett. waarom zou ik het te beschietene zijn), ook al werd ik geraakt, 't zou er toch niet indringen", zei L. M. „Dool dus niet in dit woud rond."

Waarvoor zou ik bang zijn ?” zei P. – „Ben je heusch niet b.ng?" zei L M. – , Heusch (niet]” zei P.

Toen zette L. M. hem achterna, gaf hem een schop, en daar vloog P. het luchtruim in! Daarop viel hij naar beneden; beneden gekomen was hij balfilood.

Nu nam L. M. een weinig van de roode bloemen, een greintje meel, en deed dit P. in den mond; en terstond was hij levend.

P. zeide: „Ik onderwerp mij aan u, dood gij mij niet, laat me maar je kampildrager worden.”

Dat was 't wat ik zooeven zeide, maar je werd terstond woest tegen me; ik sprak (toch) billijk tot je (d. i. behoorlijk en met goede bedoelingen),” zei L. M.

Toen gingen ze samen. P. droeg L. M.'s kampil. Hun beider wegen waren [ou] een; met hun beiden doorkruisten zij het oerwoud

Vervolgens ontmoetten ze Pengěrintak Hoeloeh Soengsang.

,'t Is niet verboden, (dat er] menschen [komen] in 't oerwoud,” zei L. M. „Hoe zegt ge zoo van niet?" zei B. S. „Niemand heeft (me] zulks gezegd zoo lang ik dit oerwoud doorkruis", zei L. M.

Ik ben ook groot, groot (d i. beteeken ook wat, heb ook nog wat te zeggen) in dit bosch!" zei B. S. „Niemand, als ik hem tegenkwam, heeft (ooit] aldus gesproken."

„Dan gaan we heden elkaar tegelijk te lijf; als jij niet dood gaat, ga ik dood; je zult vandaag plezier hebben!" zei L. M.

Toen trok B 8. aan een dikke bamboe, hij trok die uit den grond, met wortel en al. Toen stiet hij er mee naar L. M, (maar] deze slipte, bukkende er

omdat hij dit geniet na afloop van den arbeid. Als iemand dus 's avonds niet te eten heeft, kan men gerust zeggen dat hij aan 't noodigste gebrek heeft. 't Is dan ook eene stereotype uitdrukking geworden voor groote armoede.

n) Wat deze handeling beteekent, ben ik niet te weten kunnen komen. Misschien zit er ook niets bijzonders achter, maar waarschijnlijk acht ik dit niet. Ik ben geneigd het te houden voor een teeken dat hij het dorp met den ban slaat, ofschoon dit hier niet gelijk in 't verhaal van Sese nTaola, uitdrukkelijk verhaald wordt.

22

onder door. Daarop gaf L. M. hem een schop, en dadelijk zat B. S. sin de bamboe) bekneld. Toen huilde B. S.

„Dat zei ik zoo pas, toen we begonnen te praten, (maar) jij werd terstond woest,' zei L. M.

„Indien 't alzoo is, onderwerp ik mij; bevrijd toch mijn voeten,” zei B. S. P. zou B. S. gaan bevrijden. „Geef dan toch dat mes aan,” zei B. S. Toen gaf L. M. het. Hij hakte in de bamboe en zijne voeten werden bevrijd. L. M. liet nu B. S. rooken. Ze rookten met hun drieën. Toen ze gerookt hadden, beraad. slaagden ze.

„Waar komt ge vandaan?" zei B. S. – „lk, ik reis rond, mijne moeder en mijne zusters mogen me niet, ze hebben genoeg van me, daarom ben ik op reis gegaan."

– „Hoe heet ge dan, o vrind ?" zei B. S. — 'k Heet L. M. – „En je vrind daar, zijt ge broers ?" Neen.”

„Wel, hoe heet die dan ?". ,P. B." Laten wij drieën niet meer vechten,” zei B. S., „gij zult ons beider vader zijn.” Toen vochten ze niet meer.

Ze gingen nu weer op reis; zij trokken over zeven bergketenen. Toen hielden ze even stil, om te rooken. Er was nog één bergketen. Toen ze boven gekomen waren, zagen ze naar beneden. Daar zagen ze een dorp, daarheen daalden ze af. Ze gingen naar de lieden daar, peperplanters o). Toen gingen ze naar de tuinhut, daar trossen ze den baas. Ze gaven hem te rooken. Hij gaf hun ook te rooken.

Ik moet even naar buiten,” zei de baas. Hij ging naar buiten, en zocht al zijn lieden op, vijftig man, en gelastte hen zich te verzamelen. Toen gingen ze samen overleggen. „Er zijn drie lui in mijn hut, in onze nederzetting, anderen durren mijn hut niet binnen gaan, ze zijn bang,” zei de aanvoerder.

Dat we ze dooden, en opeten" zeiden de lieden. „Goed", zei de aanvoer. der. Toen gingen ze allen hunne messen slijpen.

Zij gingen naar de hut. Toen ze daar allen waren, zei de baas: „komt naar buiten, gij alle drie, dat we rooken." - ,,Goed", zei L. M.

L M. zag dat hunne messen blank waren. Hij nam toen een handvol meel en eene roode bloem, hij spoog er op, en bestipte daarmee zich zelf en zijne makkers p).

0) Vroeger was peper een voornaam uitvoerartikel, en vonden heel wat lieden, die op de hoogvlakte geen bestaan hadden of om eene of andere reden de wijk moesten nemen, als kalak perdagang in 't verbouwen daarvan hun brood.

De koeta dagang, die men nu nog in de Deli-doesoen aantreft, zijn allen koloniën van gambir-bereiders,

Wil men nu peper planten, dan gaat men naar de Alaslanden, waar eene kolonie moot zijn, die in de verhalen Dagang Ranto heet, en tot het gebied van kědjoeroen van Batoe 'mboelan behoort. Dit ranto moet wel het Atjehsche rantò zijn (zie Dr. Sn. H. De Atjehers, Deel 1: 297.

p) Dit moetari" is nog een algemeen gebruik bij de lieden die ten oorlog

die aan

Ze kwamen naar buiten en gaven den baas te rooken, terstond ging deze met zijn lieden [op hen] bakken, van 's morgens zeven uur r) tot 's middags, ze wouen maar niet dood, omdat ze onkwetsbaar s) waren. De aanvoerder werd moe en vluchtte. L. M. doodde hem.

„0, vrienden, 't is nu genoeg [lett. 't hart heeft er genoeg van) met op ons in te hakken, van den ochtend tot den avond. U zullen we niet dooden; dat ge ons drieën wildet dooden [kwam), omdat uw baas het gezegd had U zullen we niet dooden, wees maar niet bang", zei L. M.

„Wij bieden onze onderwerping aan; dat we niet gedood worden," zeiden de lieden. „Neen”, zei L. M.

Toen gaven ze hunne kampils aan L. M. en zijne makkers. Ze namen

en rookten. Sommigen van de lieden baalden suikerriet, schilden het, en gaven het [hun). L. M. en zijne makkers aten het. Toen ze suikerriet gekouwd hadden, zei L. M: „komt, laten we naar binnen gaan."

De planters kookten, kippen werden geslacht. Toen alles gaar was, riepen ze L. M. en zijn vrienden. Ze aten allen gezamenlijk, met hun 52, en gingen toen slapen.

Toen 't dag geworden was, beraadslaagden ze weer. ,Laten we naar den tuin gaan, opdat we kunnen praten.” L. M. kwam nu naar buiten: „Gaat allen maar naar den tuin, de goederen kunnen niet gestolen worden,” zei L. M. Toen gingen ze allen naar den aanplant, om de peper te stutten; L. M, bleef in de hut achter.

Na eene maand begon 't hem te vervelen; [doch) als hij wegging, vreesde hij dat het huisraad gestolen zou worden.

„Niet aldus (d. i. 't gaat zoo niet langer), er moet iemand aangesteld

trekken. Zoo'n stip op 't voorhoofd heet sarang timah = kogel-afweerder.

Zulk eene ., bestipping” heeft ook bij sommige plechtigheden plaats als bijv. bij huisinwijding. Dan geschiedt deze evenwel met tepoeng tawar, is dus niet rood, maar geel en zoo'n stip heet dan pagar, en vrijwaart tegen invloed van booze geesten.

r) Do Batak noemt zijn tijdstippen naar den stand der zon of naar eene op een bepaalden tijd te verrichten werkzaamheid matawari sigalah = zon van één staak hoogte = omstr. 7 uur; pengoeloewi anak2 = het hooger komen dan 't hoofd van een kind ?, ongeveer van 8 tot 9 uur; pengoeloewi 'mbelin = van 9-10; nandangi tiger = den rechten stand naderend = 11 uur; tjiger of papték tjiger = precies rechtop staan = 12 uur; gelang = hellend=1 uur 's nam; linge = ? = van 2 tot 3; karang-kambing = tijd van 't stallen der geiten = van 3 tot 4; ben, ben oewari of matawari = donker, van 4-6.

8) tělap beteekent scherp en gold dus eigenlijk oorspronkelijk van 't wapen alleen. Maar in 't gebruik is men het ook gaandeweg gaan toepassen op den te verwonden persoon en is het dus onkwetsbaar gaan beteekenen = kebal. Ik hoorde eens van mijn regenjas zeggen dat die was een : badjoe la tělap [oedan) = ondoordringbaar voor (regen).

[ocr errors]

worden om in de hut te blijven.” – „Dat is ook goed”, zeiden allen. Toen stelde hij een als hoofd aan.

„Ik kan 't niet uithonden, hier al maar te zitten Wij gaan weg, [maar] komen weder,” zei L. M. Hij plantte curcuma bij de but, en één bos (stoel) katjang (zekere boonensou rt, met korte, platte peulen).

„'k Heb hier bij de hut planten geplant. Als deze later verwelken, denk dan: „onze vriend is ziek," en kom gij dan met uw tweeën of drieën naar mij kijken."

Daarna gingen ze met hun drieën 1) op reis, naar het oosten. Na een halven dag kwamen ze aan een dorp. Het plein was geheel verlaten. Van uit eene aarden versterking gluurde eene vrouw naar buiten: „Loopt niet in het dorp rond! Waar komt ge vandaan?"

„ Mijn deel (lot) is, dat ik nergens meer thuis hoor, tante," zei L. M. , Als ge geen thuis meer hebt, en ge wilt [u] hier (vestigen), dan kan dat. Loop niet in het dorp rond, dan wordt de Goerda.vogel boos,” zei de vrouw.

Ik ben niet bang, tante; mijn gebed is dat ik moge sterven, maar mijn fatum zegt, 't zal niet gebeuren,” zei L. M.

„Al zal 't niet gebeuren, zegt uw fatum, zegt gij, velen zijn in dit dorp omgekomen, allen opgegeten door den Goerda-vogel. Ziet ge niet dat het dorp geheel verlaten is ?" zei de vrouw.

„Ook dan ben ik niet bang,' zei L. M.

„Als gij bij machte zijt den Goerda-vogel te dooden, dan zult ge vorst in dit dorp worden; de vogel heeft al onze broeders opgegeten,” zeide de vrouw.

„Ik kan hem dooden,” zei L. M.

„Komt, komt binnen, open deze deur, treuzel niet, dan komt hij; als hij ons ziet, zijn we verloren (dood),” zei de vrouw.

„Goed, we komen binnen,” zei L. M. Hij opende de deur, ze gingen met hun drieën naar binnen, en sloot [de deur] weer.

Zij praatten met elkaar, met hun zevenen

„Hoe groot is die Goerda-vogel, o tante ?" zei L. M. ,Wel, [heel] groot! oom, zijn vleugels zijn 11/2 vadem breed, zoo is zijn grootte,” zei de vrouw.

„Is deze 't alleen, die de menschen in dit dorp opgegeten heeft ?" — „Ja, oom.”

Toen het donker werd, sleep L. M. zijn zwaard ,Boeloeng galoeh" (Pisangblad). Daarna bestreek hij het met meel. B. S. en P. liet hij in de aarden versterking achter, met de vrouwen. L. M. trad naar buiten, om den Goerda-vogel op het plein op te wachten.

t) Deze lezing is blijkbaar niet de oorspronkelijke, als men de andere verhalen hierbij vergelijkt, ook de boren meegedeelde Karo'sche variant. Als gevolg hiervan moet de verteller nu ook wel later vier vrouwen laten overblijven in het uitgemoorde dorp, in plaats van ééne. En het tehulpspellen der lieden uit de kolonie zou ook niet noodig zijn geweest, als L. M. inderdaad zijn twee makkers bij zich gehad had. Zoo wijst ook deze innerlijke tegenstrijdigheid reeds op verminking van 't oorspronkelijke verhaal.

« PreviousContinue »