Page images
PDF
EPUB

Daar zag hij, op een afstand van twintig vaâm, de Goerda.vogel (met de vleugels) klappen.

Dat is de vogel,” dacht L. M. Hij trok zijn zwaard, beademde het, en vatte post op 't plein.

De Goerda-vogel placht menschen aan te vallen.

Hij schoot op [L. M.] af, deze hakte hem, bij werd door een der vleugels bedolven; L. M. raakte er onder en lag op sterven

De curcuma van onzen vorst is verlept, laten we heden op weg gaan naar het oosten,” zeide de opzichter der peperplanters, die door L. M. was aangesteld.

Zij gingen. Toen ze hem vonden, zagen ze de beenen van L. M., de beenen alleen, [bij] was onder den vleugel der Goerda-vogel bedolven.

Zij sleepten hem naar de smidse, en bliezen hem in den neus. Toen werd hij weer levend; de vogel was dood. )

L. M. sprak met den opzichter. Zij gingen naar de schans der vier vrouwen. Zij overlegden met elkaar. „Was deze alleen het, die steeds de menschen op-at?” vroeg L. M. „Ja, oom", zeide de vrouw „wij behoeven nu niet meer bang te zijn in het dorp te loopen.” Zij gingen rondloopen, bezochten al de huizen en verzamelden al de kostbaarheden.

't Werd donker. L. M. zeide: „Er is niemand meer in het dorp, als ge wilt, word dan mijne vrouw." - ,[1k] wil'', zeide de vrouw.

Toen trouwden ze haar: een werd de vrouw van den opzichter, één van L. M., één van P., één van B. $. Nu stelde L. M. B. S. als zijn anak-běroe v) aan; P. werd anak-běroe van den opzichter. Toen gingen deze en zijn anak-běroe weg. Zij gingen op weg. Toen ze de kolonie bereikt hadden, zeide bij tot zijn lieden: „Ziet ge wel, dat de curcuma, die verwelkte, waarheid sprak; bijna was onze vorst dood. Wij troffen hem aan, (nog) niet dood; wij hebben hem in den neus geblazen met den blaasbalg der smidse, dat het mocht blijken van niet.”

„Als bij niet dood is, dan is 't goed, al waren dan ook de bladeren der curcuma verlept. Wij (lett. ik) dachten dat hij dood was, omdat ge, zagen we, zoo laat kwaamt", zeiden de lieden.

„Wij kwamen zoo laat, omdat we allerlei besproken hebben.” – „Waarover hebt ge gesproken?" zeiden ze – „Over trouwen,” zei hij. – „Wie is onze (beleefd voor: uwe) vrouw?” – „Wel deze, we hebben twee meegebracht, ginds zijn twee gebleven, voor L. M. en B. S. Wij hebben (nu) een dorp". w) „Mooi zoo!"

u) Eéns hoorde ik dat uit den in stukken gehakten goerda-vogel de tegenwoordige roofrogels zouden ontstaan zijn.

c) Zie hierover de in aanteekening c opgegeven plaatsen.

w) Door 't aanwezig zijn der vrouwen hield de restiging op eene koeta dagang te zijn. 't Werd nu een dorp als elk andar waar men inderdaad thuis hoorde, niet meer als vreemdeling tijdelijk verkeerde.

KARO-BATAKSCHE VERTELLINGEN.

II.

SI ADJI DOENDA KATEKOETAN

of 't verhaal van den Batakschen Tooverstaf.

INLEIDING.

Waar van alles, wat in 't Bataksche leven eene min of meer belangrijke plaats inneemt (en dit geldt zoowel voorwerpen als zeden, gebruiken) een verhaal bestaat, dat oorsprong en (of) doel wil verklaren, is het waarlijk geen wonder dat men ook een verhaal aantreft omtrent den Batakschen tooverstaf. Deze toch speelt eene belangrijke rol bij een bepaald soort van „godsdienstige" 1) plechtigheden.

Die plechtigheden zijn tot drie typen terug te brengen, gelijk er dan ook drie verhalen bestaan, waarop die gebruiken, naar Bataksche opvatting, zijn gegrond.

Dat ik in de eerste plaats 't verhaal van den tooverstaf behandel, is niet omdat het voor de Bataks bet voornaamste is. Maar 't is actueel.

Het tweede verbaal heet Sarindoe toeboeh, het derde, Radja Kéléngahčn. Zoo spoedig doenlijk hoop ik deze te doen volgen. De algemeene opmerkingen in deze inleiding gelden dus voor alle drie, en ik kan later met eene verwijzing naar 't hier gegevene volstaan.

De drie typen zijn:

het krachteloos maken van den boozen invloed van een toovermiddel, inzonderheid van het pěnoeroeni. Dit heet ngoelak, en bier komt de tooverstaf bij te pas. Een met grooten luister en veel (zeven) goeroe's gevierd ngoelak heet nabari.

b. Het terugroepen der lëndi (ziel). De eenvoudigste vorm is het ngkiljik. Hiertoe behooren ook het 'ngkijap en értéboes koe děleng.

't Bestrijden van ziekten en ongunstige invloeden, hetzij door 't overbrengen van de ziekte op iemand of iets anders, hetzij door 't bevrijden, losmaken

a.

c.

1) 't Woord „godsdienstig” zegt eigenlijk te veel en te weinig. In zeer veel opzichten laten die plechtigheden eene vergelijking toe met de ,,sacramenten" van de eene of andere afdeeling der christelijke kerk, natuurlijk mutatis mutandis. Die op sommige punten treffende overeenkomst zal beneden duidelijk blijken. Men zou dus eigenlijk van ,,sacramenteele" plechtigheden kunnen spreken. Wat bij ons uitzondering is, is bij den Batuk regel.

uit de macht van ongeluk aanbrengende invloeden. Vandaar twee ondertypen, het persilihi en 't ngarkari, die weer met meer of minder luister en omslag kunnen gevierd worden, en dan soms afzonderlijke namen hebben.

Nu spreekt het wel vanzelf, dat het verhaal in zijn geheel, als eene verklaring willende geven, jonger moet zijn, dan 't gebruik. Doch aan den anderen kant is het evenzeer duidelijk, dat die gebruiken gegrond zijn in bepaalde opvattingen, daaruit zijn opgegroeid, hoezeer het mogelijk is, dat die opvattingen thans niet meer of niet ongewijzigd bestaan.

't Is dus mogelijk, zoo niet waarschijnlijk, dat er van die opvattingen iets doorstraalt in 't verhaal, dit dus bestanddeelen kan bevatten, die ouder zijn dan 't gebruik. Verschillende gevallen zijn dus denkbaar: 1. 't Verhaal is geheel een uitvindsel van later tijd. 2. 't Bevat, hoewel onbewust voor den Batak, nog elementen, die ons licht geven omtrent de idée der plechtigheid. 3. De zin der plechtigheid wordt nog door den Batak met bewustheid gevoeld en 't verhaal is dus in hoofdzaak eene juiste verklaring.

Daar 't mij hier in de eerste plaats te doen is om 't verbaal zelf, kan ik niet al deze dingen in bijzonderheden behandelen. Dit zou op zijne plaats zijn in eene verhandeling over de plechtigheden zelve, een haast onuitputtelijk rijk en zeer leerzaam onderwerp, maar ook een gebied vol moeilijkheden en tal van niet of nog niet voldoende opgeloste kwesties, dat als zoodanig een onderwerp van speciale studie is, en eischen stelt waaraan ik bij lange na niet kan voldoen.

Alleen waar het tot recht verstand van den tekst onmisbaar is, zal ik een enkele toelichting van dien aard moeten geven. Laat ik overigens nog een paar algemeene opmerkingen mogen maken.

1o. Zal eene plechtigheid effectief zijn, dan moet noodwendig het verhaal daarbij verteld worden. Men noemt dit matpat (van patpat), een woord, dat eigenlijk beteekent: in 't lange en breede iets nagaan, uitpluizen, ontwikkelen, fig. bijv. gebruikt in de uitdrukking, bagi si ni-patpati, van een kind, dat voor zijn leeftijd buitengewoon in de lengte gegroeid is, dus a. b. w. uitgerekt is. Patpat is 't best te vertalen met: omstandig en met redenen omkleed verhaal, formulier.

20. Naast het verhaal komt voor de tabas, het prevelformulier, de aanroeping der goden en geesten, het gebed.

30. Verder vindt plaats het črmangmang, d. i. het uitspreken van een of meer mangmang = korte formule, soms een zegenspreuk over den zieke, of over de bij elke plechtigheid onmisbare.

40. poeloengěn, letterlijk, dat wat bijeengebracht moet worden, dus de benoodigdheden, ingrediënten (1).

(1) Hier blijkt de overeenkomst met onze sacramenteele handelingen. Neemt bijv. het bedienen van den Doop, met het lezen van 't formulier (patpat), het uitspreken der gebeden (tabas), 't bezigen der Doopformule (mangmang) en het Doopwater (poeloengen).

Wat nu speciaal 't verhaal van den tooverstaf betreft, in zooverre dit eene verklaring tracht te geven van 't bezigen van dien staf, en waarom deze uit het hout van den tenggolan (1) moet vervaardigd worden, is het natuurlijk van betrekkelijk jongen datum. De eigenlijke kern echter is ongetwijfeld een mythe.

In het artikel van den Heer MEERWALDT: de Bataksche tooverstaf (Bijdr. T. L. en V. kunde v. N. I. 6de volgr. X) heeft deze met groote scherpzinnig. heid de opvatting verdedigd, dat de staf in verband gedacht moet worden met regen en bliksem. Die scherpzinnigheid kwam vooral uit in de ontleding der namen van de twee hoofdpersonen, en 't in verband brengen der beteekenis met de reeds als bij intuïtie gedane ontdekking, dat de eigenaardige vorm van den staf aan een neerslaanden bliksemstraal deed denken, inzonderheid zooals die zich meermalen aan den schrijver had vertoond, in het dal van Silindoeng.

Prof. KERN heeft in 't Intern. Archiv. für Ethnografie Band XV, Heft IV reeds eene welverdiende hulde gebracht aan 't scherpzinnig betoog van den Heer M. en gaf naar aanleiding daarvan eenige mededeelingen over den Vajra van Indra. Prof. K. eindigt het artikel aldus: ,,Het behoeft niet gezegd te worden, dat de door M. gegeven verklaring hierdoor (nl. door het volgens Prof. K. onafhankelijk van elkaar gekomen zijn tot dezelfde beschouwing van den bliksemstraal als symbool van een vijanden verdelgend tooverwapen, door Bataks en Indiërs] zoo'n hooge mate van waarschijnlijkheid erlangt, dat ze aan zekerheid grenst.”

De Heer M. mag zich met dien lof gelukkig rekenen, te meer, omdat zijne verklaring niet maar alleen in zeer hooge mate waarschijnlijk, doch ontegensprekelijk juist is. Het Karo'sche verhaal nl. heeft veel beter het ten deele mythisch karakter bewaard, dan de door den Heer M. gegeven Tob. lezing (2) en er komt ééne zinspede in voor, die het tot volkomen zekerheid verheft, dat de tooverstaf in verband staat met het onweder.

Bij de geboorte van den held van 't verhaal, tegelijk met zijne zuster, de zeven honden en de slang, heeft nl. het volgende verschijnsel plaats, dat ik hier eerst met de Bataksche woorden beschrijf: E, měroeroes langit, měsoewak papan, mětjěpik palas, mětěmboek laněh, dat letterlijk vertaald, luidt: TOEN KWAM DE HEMEL NAAR BENEDEN (nl. als eene aardstorting), WERDEN DE PLANKEN (de vloer) AFGERUKT; DE STEENEN NEUTEN KREGEN BARSTEN, EN ER ONTSTOND EEN GAT IN DEN

(1) Tenggolan is dezelfde boom als de pijoe-pijoe tanggoehan of tanggoelan bij den heer MEERWALDT. Waarschijnlijk is het de cassia fistula (zie Filet op „tangoeli").

(2) 't Verhaal van den heer WESTENBERG, voorkomende in zijn: „Aanteekeningen omtrent de godsd. voorstell. der Kaio-Bataks," wijkt in vele hoofdpunten zeer af van de door mij verzamelde lezingen. Hoe belangrijk en in vele opzichten verdienstelijk de bovengen. studie van den heer W. ook is, ze werd na een nog niet zeer lang verblijf van den Heer W. onder de Bataks, uitgegeven, en vertoont daarvan al de sporen. 't Verhaal geeft stellig de Karo’sche traditie onjuist weer.

GROND. Als dat niet eene nauwkeurige beschrijving is van de uitwerking en de verschijnselen van den inslaanden bliksem, wat is het dan ?

En zoo opgevat, dit wil ik terstond hierbij voegen, is, dunkt mij, aan de verschillende personen in de mythe eene bepaalde plaats aan te wijzen. Doenda Katekoetan is m.i. de verpersoonlijking van het onweder in zijn geheel, hoewel 't meest op den voorgrond treedt het geduchte, vreeswekkende, en dus vooral donder en bliksem, zijne zuster is de regen, de honden de wolken, en de slang of de bliksemstraal in 't bijzonder, of, wat ik voor waarschijnlijker bond, de ten gevolge van het onweder gezwollen rivier (1).

De Karo’sche namen zijn over 't geheel zoo verminkt, dat men zonder kennis van de Toba'sche niet zoo licht tot hunne ware beteekenis zou hebben kunnen doordringen. Door de Tobaneezen is dus de mythe wel tot de Karo's gekomen, en mede daarom twijsel ik er aan of ze in oorsprong wel zuiver Bataksch is. Wel vertoont ze zich geheel in een Bataksch gewaad. 't Woord doenda (T. donda) alleen zou kunnen doen denken dat men hier het Skr. daņda, den staf der Brahmanen (zie Wdb. v. d. T. bijvoegsel, op dunda) voor zich heeft. In overeenstemming hiermee is, dat vreemde woorden, die in het Tob. eene o hebben, in 't Kar. als dit ze heeft overgenomen eene oe vertoonen (2), [bijv. agoni agoeni het Z. 0. (van agni), banoewa holing = banoewa koeling, terwijl toch 't Kar. zelf ook kěling heeft], zeker wel omdat het Tob. teeken voor o, 't zelfde is als 't K. voor oe, en dus de overname schriftelijk, d. i. door de tooverboeken heeft plaats gehad, zoodat die woorden eerst do r goeroe's zijn gebruikt en eerst langzamerhand 't eene meer, 't andere minder, algemeen eigendom zijn geworden.

Niettegenstaande het zeer Bataksche karakter der inkleeding, en der namen, ben ik daarom toch nog niet zoo zeker er van of er geen historisch verband bestaat tusschen den Vajra van Indra en den Batakschen tooverstaf. Ik wil niet ontkennen, dat mijn twijfel aan vermetelheid grenst, waar eene in deze dingen onaangevochten autoriteit als Prof. KERN zoo stellig spreekt.

Toen ik mijn in de Med. vb. Ned. Zend. Gen. Deel 47, 2de st. verschenen vervolg-artikel over Bat. litteratuur schreef, kende ik de bijdrage van Prof. KERN nog niet; ik wees daar terloops op eenige overeenkomst tusschen het Bat. verhaal en de mythe van Indra. Later voerde eene nauwkeurige beschouwing van een toen nog in mijn bezit zijnden Tob. tooverstaf (afkomstig van Samo Sir) mijne gedachten nog verder in die richting, en toen ik dien staf aan het Bat. Gen, v. K. en W. atstond, wees ik op een eigenaardig „versieringsmotief", dat de eerste twee hoofdfiguren van de volgende scheidt. En nu is eene als terloops gedane mededeeling in het artikel van Prof. KERN wel geschikt, om mijn twijfel nog te doen toenemen.

(1) Vergel. J. H. NEUMANN: De përminakan, Med. Ned. Zend. Gen. Dl. 43, 3e stuk.

(2) Men denke niet, dat de omgekeerde stelling ook waar is, dus dat elk Tob. woord met o, dat beantwoordt aan een Kar, met oe, noodwendig een vreemd woord is.

« PreviousContinue »