Page images
PDF
EPUB

2

0.

.

[ocr errors]

De Bataks verklaren dien naam met koelikin, den kiekendief, een vrij grooten roofvogel, die in vele verhalen voorkomt, en dan meestal als onheilvoorspellende vogel. Er was dus in de Bat. verhalen plaats voor eene goerda figuur.

Nu is dit verhaal door den geheelen Ind. Archipel verbreid. Ik behoef m. slechts te herinneren aan het door Dr. N. Adriani uitgegeven verhaal van Sese nTaola (Verhandel. Bat Gen. DI. LI, 2de stuk, en Inleiding en vertaling, Dl. LV 1ste st.), waar tal van varianten worden opgegeven, uit het 0. deel van den Archipel. Dat het evenwel ook dáár, althans in zijn tegenwoordigen vorm, geïmporteerd is, blijkt m i. onweerlegbaar uit een schrijven, dat ik van Dr. A. ontving.

Zooals bekend, stak Sese nTaola de zee over op een waringinstam. Zeker een zonderling vaartuig! Doch de heele oplossing zit in den naam van dien boom in 't Barée, nl. nunu.

Daar ik hiertoe vrijheid heb, deel ik hier het op die zaak betrekking hebbende uit dien brief mede. Dr. A. schrijft:

„Zoo is mij ingevallen dat de waringin „(Bar. nunu) die in het Galelareesche verhaal de visch Nunu is, misschien niets „anders is dan de „walvisch' van Jonas. „Visch” is in 't Arab. ,nun' (ug) en „Jonas (Junis widg:) heeft dan ook den bijnaam wgilloj (dzu ’nnun) „de man „van den visch". Het letterteeken w Hebreeuwsch, is oorspronkelijk zoo genoemd, ,,omdat het de afbeelding van een visch was

„In de Mal. profetenverhalen wordt van „ikan nun" gesproken, en is het dus de visch Nun geworden, m. a w. Nun is eigenaam geworden. ,,Dit is zeker de Galelareesche ,visch Nunu". Nu kan dus het verhaal, uit ,het oosten ingevoerd door de Barée sprekers, die in „nunu' waringin hooren tot „een in zee drijvenden waringin zijn vervormd."

Mij zij vergund hier in 't kort mede te deelen een verhaal, dat mij in mijn jeugd dikwijls als sprookje werd verteld, en dat bij alle verschil in inkleeding, en zelfs van bijzonderheden, toch in den grond eene zeer treffende overeenkomst vertoont met de hier behandelde vertelling. Ik weet niet of het in eene of andere uitgave van Eur. folklore voorkomt. In ieder geval kan het hier meegedeelde dau dienen om dergelijke verbalen op 't spoor te komen, en is de kans niet uitgesloten, dat daardoor meer licht opgaat ook over de in den Ind. Archipel voorkomende.

Een uit den dienst ontslagen soldaat, niet wetende waar een bestaan te vinden, trekt een groot bosch in, „op wild avontuur” uit. Niet lang is hij in

het Jav. van Roorda wijzen op 't skr. garoeda, het voertuig van Wisnoe, en vertalen garoeda (gerda) en garoedå met griffioen. Verder vindt men in v. d. T. nog galoedoe, nm. van een fabelachtigen vogel met zeven koppen, en in 't bijvoegsel garoedo2 (Men. Mal. Jg), griffioen), nm. v. e. fabelachtigen vogel.

3

't bosch of hij hoort een verschrikkelijk gekraak. Bij onderzoek blijkt dat veroorzaakt te worden door iemand, die met reuzenkracht boomen ontwortelt, en die alsof ze veertjes waren, wegdraagt.

Na over en weer praten sluit de Boomenontwortelaar zich bij den soldaat aan.

Na eene dagreis komen ze aan een open plek, waar een huis staat op welks nok een man zit in erg onbehoorlijke houding, nl. met afgestroopte broek. Op hunne vraag wat hij daar uitvoert, wijst hij hun op 't omliggende land, dat onder water staat. Hij zal nu, daar het windstil is, op eene niet nader aan te duiden wijze het land van 't overtollige water bevrijden.

Ook de Windmaker sluit zich, daar hij evenals de Boomenontwortelaar vrijgezel is, bij den soldaat aan.

Weer een dag later ontmoeten zij een jager, die op de loer ligt. Maar 't wild zien zij niet. Geen wonder, want hij mikt op eene vlieg, die een half uur ver weg is, om haar 't linkeroog uit te schieten! De Scherpschutter voegt zich ook bij hen.

Een ander maal ontmoeten zij iemand, die zijn muts op zonderlinge wijze op 't hoofd draagt. 't Blijkt dat hij in die muts het middel bezit om 't warm of koud te maken. Trekt hij haar over zijn ooren, dan wordt het onuitstaanbaar koud; zet hij ze heel luchtigjes op, dan wordt het onverdragelijk warm. Ook de Mutsedrager voegt zich bij 't gezelschap.

Eindelijk ontmoeten zij een man, die, hoewel op één been loopende, toch behoorlijk snel voortkomt. 't Blijkt dat hij 't andere op zijn rug draagt. Gespt hij dit aan, dan loopt hij met de snelheid van den storm. De Hardlooper sluit zich ook aan.

Men bereikt eindelijk den rand van 't bosch en komt aan eene groote stad. Voor de poort verdringt zich veel volk, want er is eene bekendmaking des konings aangeplakt, waarin zijne dochter tot vrouw beloofd wordt aan hem, die harder kan loopen dan zij.

Natuurlijk meldt onze hardlooper zich voor den wedstrijd aan. Den volgenden dag wordt deze gehouden op eene groote vlakte. Aan 't andere einde is eene bron. De deelnemers moeten daar eene kruik gaan vullen en wie het eerst met de gevulde kruik terug is, zal de prinses huwen. In een oogwenk is de hardlooper bij de bron en laat de prinses ver achter. Hij neemt dus zijn gemak, vindt er't geraamte van een paardekop, overblijfsel uit een daar geleverden veldslag, gebruikt dien als kussen, en is weldra in diepen slaap. De prinses rept zich wat zij kan, vult hare kruik en is reeds op den terugweg. Nu wordt de zaak toch bedenkelijk! Doch daar treedt de scherpschutter op. Een goed gericht schot treft den paardekop. De slaper schrikt wakker, bezint zich even, ijlt dan voort en is nog 't eerst aan den eindpaal.

De prinses wil echter van dezen gemaal niets weten. De koning weet echter raad. Hij deelt den soldaat den tegenzin der prinses mede, en men neemt nu genoegen met eene betaling in geld, zooveel als één man kan dragen. Vooraf wil de koning hem echter onthalen, doch heeft heel andere bedoelingen. Hij brengt hen in een vertrek, waar een rijk maal is toebereid en sluit dan de deur. De

4

kamer is boven een oven gebouwd, dien de vorst nu duchtig laat stoken. De man met de muts is nu de redder uit den nood! De koning is dan ook totaal uit 't veld geslagen, als hij hen na eenigen tijd springlevend aantreft.

Om maar gauw van hen af te zijn, zal hij hun 't beloofde geld geven. Maar de boomenontwortelaar is met geen paar zakken tevreden. Weldra torst bij al wat de schatkamer bevat op zijn rug.

De vorst is wanhopig. Hij zendt echter de vertrekkenden een heel leger achterna, om de schatten te heroveren. Maar nu vertoont de windmaker zijne kunsten, en doet alles terugstuiven, kogels en kanonnen incluis. De vorst, uit het venster toeziende, wordt door een terugkeerenden kogel gedood. Ongemoeid trekken nu de lieden verder, 't overige van hun leven rustig genietende yan de verworven schatten.

't Karo'sch verhaal dat ik hierachter in Bat. tekst zal laten volgen, vond ik in de nalatenschap van wijlen J. K. WIJNGAARDEN. Slechts een paar geringe verbeteringen van den tekst, alleen van taalkundigen aard, heb ik mij veroorloofd. Met slechts geringe afwijkingen heb ik het zoo eenige malen hooren vertellen. Eens echter hoorde ik een variant, aanmerkelijk afwijkende van de hier gevolgde lezing. Te zijner plaatse zal ik dat gedeelte meedeelen, en dan zal blijken de groote overeenkomst met het correspondeerend gedeelte van Sese nTaola.

Wat den naam van den held van 't verhaal betreft, de beteekenis is duidelijk genoeg. 't Woord laga komt niet veel voor, maar men heeft përkis loemaga = katjiréngga, een venijnig. bijtende miersoort, en een enkele maal hoort men mělaga = měrawa = woest, wild. Laga Mān is dus „de geweldige eter”.

De loop van 't verhaal is in 't kort aldus:

Bij zijn geboorte gaf zijn vader hem den naam van den geweldigen eter 2), opdat hij in 't leven zou blijven, daar toch zijne voorgangers telkens stierven.

Nu, hij deed zijn naam eer aan. Hij was mooi op weg zijne ouders door zijn geweldigen eetlust te gronde te richten. Zij besloten dus eindelijk, zich van hem te ontdoen. Eerst liet men een grooten banjaan op hem vallen 3), maar hij bracht dezen thuis ; later beproefde men het met een groot rotsblok, dat van boven van een berg op hem neerplofte, doch eveneens zonder gevolg. Door een en ander had hij evenwel de plannen zijner familieleden doorzien. Hij deelt hun dit onbewimpeld mee, eischt van ieder eene vergoeding en gaat dan het oerwoud in.

2) Een ander voorbeeld van geweldigen eetlust vind men in 't verhaal van Doenda Katekoetan bij Westenberg, Aanteekeningen omtrent de godsdienstige begrippen der Karo-Bataks.

3) Soortgelijk geval in 't verhaal van Radja kelewět. Meded. Ned. Zend, Gen. Deel 47, 2de stuk.

5

aan.

De eerste, dien hij daar ontmoet, is een knap Blaasroerschutter. Diens naam voluit in dit verhaal is die eenigszins verkort) is Pěngěltěp ipoeh si mate begoe, dus een schutter, die ipoeh (het bekende pijlgif v/d. Antiaris toxycaria) gebruikt, zóó krachtig, dat zelfs schimmen er door ged: od worden. 3")

Als ze hunne krachten meten, blijft L. M. overwinnaar en P. wordt zijn volgzaam dienaar.

De tweede persoon, dien ze ontmoeten, is Pěngěrintak Boeloeh Soengsang, 4) d. i. „Bamboe-tegen-den-draad-trekker,” alzoo ook iemand van groote lichaams kracht.

Hij ook wordt overwonnen en sluit zich bij L. M.

Eindelijk komen ze aan een koeta dagang, 't best te vertalen met mannenkolonie.

Het hoofd dier kolonie gedraagt zich valsch tegenover hen en gaat hun met zijne lieden te lijf. Ze zijn echter onkwetsbaar. Den aanvoerder dooden zij, maar zijnen volgelingen schenken zij genade.

Na eenigen tijd oponthoud aldaar, begint het L. M. te vervelen. Hij trekt dus weer verder met zijn twee makkers, nadat hij eerst enkele gewassen heeft laten planten. Als deze gaan verwelken, zal dit eene aanwijzing zijn dat hij in nood is, en men hem te hulp moet komen.

Hij komt eindelijk aan een dorp, dat geheel verlaten is, doordat een groote roofvogel voor en na de bewoners heeft weggehaald. Een paar vrouwen zijn overgebleven, die zich in eene versterking verborgen hebben.

L. M. overwint den vogel, zij het dat hij zelf er ook bijna 't leven bij inschiet. De verwelkende planten hebben evenwel zijn makkers tijdig gewaarschuwd.

Het slot is eene vierdubbele bruiloft.

Niets dus van de latere ontvoeringen van zijne vrouw, van de wederontmoeting zijner ouders, noch ook een spoor van een zusje, gelijk in het Barée verhaal. Overigens is de overeenkomst in 't oogvallend.

De belangrijk afwijkende lezing luidt in 't kort als volgt:

Toen L. M. in 't bosch kwam, ontmoette hij eerst si Roentoen kětang ’mbelno = de Dikke-rotantrekker. Zij worstelen. L. M. blijft overwinnaar. Dao komt si Silam Tjoeliki 5), die eveneens overwonnen wordt.

3a), Wat dit beteekent werd me onlangs duidelijk toen een goeroe als commentaar gaf: ma nai bantji péroemah begoena = zijn begoe kan niet meer (door een medium) opgeroepen worden.

4) Deze en dergel. figuren komen in vele verhalen als bewoners van het oerwoud soor. P. B. S. ook in één verhaal (si Mandoepa) als bewoner der hemelsche gewesten.

5) Eene goede vertaling weet ik er niet van te geven. Silam (nilam) is lekken van vuurtongen. Misschien dat silam dus substantief geweest is, met de beteekenis van vuurtong. Tjoeliki is de harde pen van de idjoek. Veel is er dus niet van te maken. Of moet

6

De derde dien zij ontmoeten, is si Kangkang loehoeng, een reus dus, die met zijn beenen een afgrond kan overbruggen, door nl. aan elken kant één voet te plaatsen. Hij deelt 't lot van zijn voorganger.

Evenzoo No. 4, Singkěrět batoe pěnggiling = de molensteen-stuk-bijter en No. 5, si Piso tělap = scherp mes.

Eindelijk, aan den oever der zee treffen zij si Pěmoran toewalang aan, d. i die een honigboom (men heeft er van 70 M, hoog in Deli !) als hengelstok gebruikt. Hij kan dit zelfs met zijn linkerhand. Zijn aas is een hert.

Niettegenstaande zijn reuzenkracht delft ook bij het onderspit.

De zeven makkers willen nu de zee oversteken, doch een boot is er niet. L. M. weet echter raad.

Hij neemt eene brandende fakkel, gaat aan den oever staan en roept : „momo ló, momó, als niet alle krokodillen met den kop boven water komen, steek ik de zee in brand !" 6)

Deze bedreiging helpt en de krokodillen komen in zoo grooten getale, dat over hunne koppen heen L. M. en de zijnen droogvoets aan den overkant komen.

't Is middelerwijl donker en koud geworden, en zij verlangen naar een verwarmend vuur. Aan 't strand is niets, maar in de verte zien zij een licht.

Daar zal eene tuinhut zijn. L. M. vaardigt een der zijnen af om daar vuur te gaan halen. Doch deze komt niet terug. Achtereenvolgens evenzoo de anderen, tot eindelijk L. M. zelf gaat. De hut blijkt bewoond door si 'mBělin takal Dikkop, die een hoofd heeft als een kěběn (ronde rijstbewaarplaats). Deze heeft de makkers van L. M. gedood, maar boet nu zijne snoodheid met zijn leven.

Zijn afgehouwen hoofd schopt L. M. weg en 't valt ergens in eene stad

L. M. wekt vervolgens zijne makkers uit den dood op en gaat met hen op weg. Ze komen aan de stad, waar de kop is neergevallen, die door zijn stank de lucht verpest. Hij die 't kan verwijderen zal als belooning de dochter van den vorst tot vrouw krijgen. L. M. schopt den kop weg, die weer in eene andere stad neervalt. Zijne rechten staat hij nu aan een zijner makkers af. Tot zes maal toe herhaalt het zich en daarmede zijn zijn vrienden aan eene vrouw geholpen. Hij zelf is nog ongehuwd, trekt nu alleen verder en komt aan een dorp, dat geheel ontvolkt is door 't gezin van een goerda.vogel. Slechts ééne vrouw is overgebleven. L. M. doodt achtereenvolgens de vogels, die van een grooten galinggang raja op hem neerstrijken, en huwt daarna de vrouw.

neer.

het hier als vergelijking verstaan worden? Zoo komt voor: lajah 2 tjoeliki, zeer lang en slank, zoo slank als een idjoekpen, ééne van de Bataksche schoonheidseischen. Silam tjoeliki zou dan een zeer lange, smalle vaurtong zijn, en de gedachte aan den bliksemstraal ligt dan voor de hand.

6) Hetzelfde middel gebruikt si Pais in eene der dwerghertverhalen, om eene rivier over te steken.

« PreviousContinue »