Page images
PDF
EPUB
[ocr errors]

Prof. KERN schrijft ... Wel heet de hemelsche Vajra Irisandhi, d. i. drie geledingen of voegen hebbende," doch wat hieronder verstaan moet worden is niet duidelijk."

Nu vertoont evenwel het door mij afgestane exemplaar iets, dat al heel veel op drie geledingen (voegen) gelijkt. Het zoo even genoemde „versieringsmotief”, een soort uitgeschulpte rand, bevindt zich onder een soort band of ring, niet ongelijk aan den knoop in een bamboe, en behalve deze komen er zoo nog twee ringen voor, nl. een boven en een beneden het voor 't vasthouden met de hand glad gelaten gedeelte van den staf.

't Is mogelijk dat het aanwezig zijn van deze drie ringen, die zeer veel aan voegen doen denken, een bloot toeval is, maar voorshands is hiermede voldoende gemotiveerd, waarom ik de stellige uitspraak van Prof. KERN omtrent de historische onafhankelijkheid nog niet aanvaard, integendeel ik een inniger verband vermoed, dan ik vroeger zelfs durfde denken.

Bijzonderheden komen van zelf in de aanteekeningen ter sprake. Wat taalkundige opmerkingen betreft, zal ik mij nog meer moeten beperken, dan in 't verhaal van si Laga Mān. De zoo getrouw mogelijke vertaling geve het noodige licht. Waar de vertaling vrij is, zal dit worden aangegeven. Hoeveel moeilijkheden het opteekenen der verhalen uit den mond van den verteller ook geeft, er is één groot voordeel aan verbonden, men kan onmiddellijk interpuncteeren, en weet dus later hoe men te lezen heeft.

De loop van 't verhaal is in 't kort als volgt.

De goeroe Pakpak Pertandang komt (1) in Toeding si noe Poerba. De vorst is zeer rijk, maar zijne vrouw mist zeer de moedervreugde. Van de aanwezigheid van den beroemden goeroe onderricht, gaat de vorstin hem opzoeken en krijgt na gunstige uitlegging van verschillende omina de toezegging dat ze moederweelde zal smaken.

Na verloop van een jaar brengt zij onder vreemde verschijnselen een zoon, eene dochter, zeven honden en eene slang ter wereld. Zij laat den goeroe roepen, die na 't raadplegen van zijn kalender haar den raad geeft, den jongen zoo spoedig mogelijk te doen trouwen en ook voor 't meisje een man te zoeken.

Maar de jongen en zijne zuster zijn onafscheidelijk en niettegenstaande vele waarschuwingen misdragen ze zich. De gevolgen blijven niet uit: langdurige droogte, misgewas enz, zeven jaar zeven maanden lang. Op de jacht zijnde ontmoet de jongeling een běrnawět (groote viperra-soort), die hij achtervolgt. Deze vlucht op een těnggolan-boom. De jongeling, het meisje, de honden en de slang haar achterna! Deze boom wordt bewoond door een vrouwelijk wezen, běroe Tijang

(1) Ik bezig hier 't enkelvoud. Maar eigenlijk is er sprake van 7 goeroe's, die altijd samen reisden. In 't verhaal wordt dit wel eens vergeten. Evenwel één is toch de hoofdpersoon, de anderen, hoewel goeroo's, zijn toch eigenlijk zijn leerlingen (zie Med. 47. 2. 149)

Manik, die, verstoord over de schennis van haar woonplaats, dreigt ze allen op te eten. De jongeling heeft bier volkomen vrede mee; hij heeft toch niets dan onheil over zijne ouders gebracht, en hij vertelt dit aan běroe T. M. Deze weet hem nu te bewegen bij haar te blijven, en zijne zuster, de honden en de slang weg te zenden. Zij spiegelt hem voor, altijd overvloed van spijs en drank te hebben. Maar na een dag of vier kwam er gebrek, en de jongeling zegt heen te willen gaan, om ook niet haar in zijn ongeluk mee te sleuren. Zij zegt hem, zich te wenden tot zekeren vorst en toovenaar Datoek Roembija Gande. Van dien vorst terugkeerende, ontmoet hij zijne zuster, die op weg is naar Datoek Roembija Gande, om medicijn voor haar zieke moeder te vragen. Zij herkennen elkander niet. Hij geeft haar de verlangde medicijn en weldra is haar moeder genezen. De dochter vertelt hare ontmoeting, en de moeder acht het billijk dien onbekende te laten halen en hem hare dochter uit dankbaarheid, zonder koopsom te eischen, tot vrouw te geven. Zoo geschiedde.

Intusschen wacht běroe T. M. vergeefs op den terugkeer van haar minnaar, en nu wendt zij zich om hulp tot Datoek Roembija Gande. Deze groote toovepaar slaagt er in, haar minnaar terug te doen keeren, met diens zuster, dė honden en de slang, die allen vergroeien met den těnggolan. Toen ze na vier dagen nog niet teruggekomen waren, liet de vorstin ze opsporen, en vond ze eindelijk, één geworden met den boom. De goeroe Pakpak pěrtandang werd nu weer ontboden, om de betoovering op te heffen. Maar daartoe is hij niet in staat. Hij verklaart ze wel naar huis terug te kunnen brengen, doch niet in hun gewonen menschelijken verschijningsvorm. Eerst is de moeder hiermee niet tevreden, doch ze moet van den nood een deugd maken. De boom wordt nu gekapt, naar huis gebracht en daar bewerkt tot een staf met menschelijke figuren, terwijl de goeroe omtrent het gebruik enz. eenige aanwijzingen geeft.

Op punten van overeenkomst en verschil met de verhalen van den Heer MEERWALDT en den Heer WESTENBERG behoef ik niet te wijzen; die komen van zelf uit bij vergelijking met de hierachter volgende volledige vertaling.

II. DOENDA KATEKOETAN.

E, lit me 'ndoebe toeri-toerlo goeroe, goeroe Pakpak Pertandang, pitoe ija sidaliněn, értjikěn-tjikěnkěn toengkat na mangalekat, črsoenting-soentingkén pěrminakan ambat toewah na bolon, erkadang-kadangkěn poestaka na djati. Tandang m’ija 'ndoebe koe taněh Toeding si noe Poerba i taněh Poelo Tjim. tjiměn pari. E, koendoel m'ija 'ndoebe itěroeh sapo sěndi gading, ērtjakap-tjakap m’ija 'ndoebe: „A, di koe-běligaï oewari-těloe-poeloeh, koe titik desa-oewaloeh, koe.oge mamis si-lima, katika si-těloe, di radja-n-ta taněh sahaloeren enda, Toeding si noe Poerba enda 'mboewe ng' min djenda lěmboo man arak-arakěn, 'mboewe koeda man pandjangěn, 'mboewe ng' kěrbo man ténggalānkén, 'mbouwe ng' Verh. Bat, Gen, LVI, 1ste st.

3.

ēmas i-boenikěn, 'mboewe nakan pe man pangān; si mān me k’-idah koerang, si měligaïěmas mě koe-idah koerang, si ngarak-ngarak lěmboe, si něnggalakěn kěrbo k'-idah lāng, si mandjangi koeda, koeda idjenda lāng.

E měgi-měgi pērmakan kambing. Lompat pěrmakan kambing koe roemah, i-atakénna man kemběrahěn ,0 kemběrahěn! adah k'idah goeroe itēroeh sapo sěndi gading".

E, sérsëri kěmběrahěn kampil, kampil toemba, i-dahi kěmběrahěn koetě. roeh, i-kapoerina bělo pitoe-ng kểbabah. Di ēnggo mān bělo goeroenami, mān kita koe roemah, enggo nakan koe-soempitkěn, ĕnggo pola koe kitangkén".

E, man mě goeroe koe roemah.

Ënggo běsuer mān běsoer miněm i-kapoeri kěmběrahěn ka, bělo pitoe-ngkěbabah. „Akoe enda kěmběrahen,” nina mamana, „bělo si kapoeri kam enda, līt koe-akap oekoerndoe” – „Līt ngě toehoe goeroenami, rěh m'atekoe goeroenami, lebe gija min akoe ersingkih maka ěrdakan, lěbe gija mīn akoe 'ndjaroemi maka roewis; e maka si-bahan ambat toewah natekoe, goeroenami Kai deba poeloengěn goeroenami ?" -- „I-boewat tongkap tēroelang, kčmběraběn, i-boewat balbal téroelang, i-boewat laloe těroelang". ,,E, enggomo poeloeng goeroe. nami”.

„E, i-sémakén ěmpat běrngi". Eng zo ertoebis boelveh tongkap tēroelang, enggo ěrdahan laloe těroelang, ěrboeloeng balbal téroelang

„E, bantji mě koe-akap ibahan ambat toewah goeroenami”, nina kěmběrahěn. — ,A, si-bahan, ka pengoedji-ngoedjía sěkali pari, kěmběraběn” nina. „Si-tjoeba si-oelak lobang koeroeng si toekatoeka, di si roetoe ngě děnggo isina ibās, la nai pada bahan pengoedjin tole; adi si līk ngě kari isina ibas, i-bahan ka ngě oedjin tole”.

E tjoebam' i-oelak loebang koeroeng si toeka toeka aloe toengkat na mangalekat, si roetoe ngě toehoe isina ibās. E pěpoeloeng mě poeloeng poeloengen boeloeng-boeloeng tawar siratoes doewa poeloeh, e i-giling djadi tawar, tawar ambat toewah na bolon. E, engg) doeng tawar i-giling, „moelih m'akoe," nina goeroe „Seh pagi sitahoen kědaboehěn pagi toewah kěmběrahěn koe-tadingken, e maka běkas kata kinigoerõen goeroe Pakpak Pertandang pitoe si dalaněn, ērtjikéntjikénkén toengkat na mangalekat, érsoentingsoentingkèn pěrminaken ambat toewah na bolon, ěrkadang-kadangkén poestaka na djati, bagelah pagi natendoe kěmběralıěn. Di sěh me pagi doewa tahoen, tande pagi těle tahoen, a mīn kědaboehěn toewah pe pagi kěmběrahěn, se nai mě běkas goeroe Pakpak pertandang natendoe pagi kěmběrahěn !"

E, tandem'sitaboen, kědaboehěn toewah kěmběrahěn E, lit me sora ér. djaga idatas boengboengěn tengah běrngi simbagas.

E, i-běgikén mě sora ěrdjaga-djaga i-datas boeng-boengěn mě sora érdjagadjaga. E, i bėgikěn mě arah toere kéndjahe, arah toere kěndjoeloe sora érdjagadjaga; i.běgikën mě sora arah toere kěndjoeloe, arah toere kěndjahe sora

[ocr errors]

ěrdjaga. E, i běgiken ka moelih koe roemah, idās boengboengén sora érdjagadjaga: „Pantěk pantangěnkoe sěndi gading pitoe-n-tingkat bilang bilangěn, i-paloe gěndang pitoe bangoeněn, i.pantěm lěmboe pitoe, i-boewat nakan doewa-poeloeempat garoewěn, i boewat pola doewa.poeloe-ěmpat kandi kandi, i-pěpoeloeng radja si'rdémoe oerat-noe-djaba, si pěsanggěh roehi-noe page”.

E, enggom poeloeng kěrina, doesoen pe kěrina.

„E, tērang oewari pěpagi”, nina kata toewa. toewa (lit toewa-toewa sada, la nai kěsah koe toere pe), „akoe, pěpagi koe nangkih pantangěn”, nina.

„E, di pěpagi měhoeli akap kam nangkih pantangěn, pěpagilah” nina. ,,E, katawari koe-pangkih?" nina anak radja. – „Nangkih bapá, di nangkih kami, pantěk tjigěr kal matawari”, nina. E, tjigěr matawari, enggo līt oewis pitoe lambar kirah, lit amak pitoe lambar datas, lit rimo pitoe si-n tangke nina. E, sora érdjaga-djaga līt mě gělgěl ibas pantangěn, djèlma la idah. E, tande empat běrngi nina. E, toeboeh mě danak-danak nge. Toeboeh me danak-danak, sada dilaki, sada diběrve, bijang pitoe, nipe sada, E, měroeroes langit, měsoewak mě papan, mětjěpik palas, mětěmboek taněh. E, lègina goeroe Pakpak pěrtandang koe taněh Poelo Tjimtjiměn. E, sěh mě goeroe. ,Kai késikėl, kěmběrahěn ?" bagem nina goeroe. -- „Kai pe seja goeroenami. Ngoge oewari danak-danak toeboeh”. -„Ënggo akoe, këmběraben, koe-běligaï oewari- těloe-poeloeh, koe-titik desa-oewa. loeh, kve.oge mamis si-lima, katika si-těloe, si-angkoep-angkoep. Anak si dilaki pagi lampas i.pěmpo, anak si diběroe lampas i-sěrěhkěn, em kata oewari koeoge kěmběraběn; akoe, moelih ng'akoe” nina, „ngoelihi amangkoe inangkoe, koe taněh Poelo Tjimtjiměn”.

E moelih mě goeroe

Tade sěpoeloe-doewa tahoen, bagi si ni-ětěbna si djile si diběroe si dilaki. E, la wěs mě si diběroe noetoe page koe lěsoeng e ngikoet-ngikoet ngě si dilaki; lawěs mě si diběroe 'ndjoedjoeng koeran koe lajo, ngikoet-ngikoet ngě si dilaki koe laoe. Amīn 'mboewe diběroe i taněh Foerba, sada toerangna 'ndai i-akapna diběroe; si diběroe pe bage: 'mboewe dilaki i taněh Poerba, sada toerangna i akapna maka dilaki.

E, lawěs mě ěrboeroe toerangna si dilaki, ngikoet-ngikoct si diběroe. ,,Oela ikoetkén kam toerangndoe ěrboeroe ame", nina kěmběrahěn, „soembang me pagi, légo děnggo oewari' nina këmběrahen, ,mate dénggo sinoewan, moewas měléhe děnggo lémboe, moewas mělěhe děnggo kērbo, moewas mělébe děpggo djèlma kěrina, 'mběltang denggo taněb, mělakar mě dénggo kérangěn i tančh Poerba enda amé!"

E soesoer dilaki arah toere kěndjahe, soesoer diběroe arah toere kěndjoeloe. E, lego koenoe oewari pitoe tahoen, pitoe toela. E, moewas mělěhe lemboe moewas mělěhe kěrbo, mocwas mělěhe mě djelma.

E, salih djelma djadi moewas, salih mé lěmboe djadi belkih, salib mě kerbo djadi gadjah, salih mě koeda djadi badak, salih mě babi djadi oewili,

salih mě manoek djadi 'mboelajan, salih mě page djadi sesa, salih mě djaoeng djadi běski, salih mě bělo pe djadi gambang,

E, lawis m’ija ěrboeroe, bérnawět simboelan i-pěrboeken na bijang si pitoe. E, ngikoet mě nipe si mangamboes. E djoempa m’ija ras kajoe těnggolan i kěrangěn Limboer Raja; nangkih běrnawět, e nangkih mě bijang, nangkih vipe, nangkih m'ija dilaki diběroe. Eénggo: „Ah mama" pina djelma so begoe, si ngijanngijani kajoe těnggolan, „akoe 'nděkah mě djenda koe-pimaï idas kajoe těnggolan enda", nina, ,měntji pe la lit enggo 'nggarang arah těroehkoe, koeliki pe la kabang arah bobokoe, enda rěh djoekoet 'mbělin man pangān”.

„Akoe pe, i-pān akoe sěndah natekoe bibi !’nina. Toeri-toerīn maka akoe i-pān natekoe, la nai koe-akap lit ingan i kègěloehěn, lěbe ’ndoebe akoe ngidah oewari těrang, těrang ngě ndoebe pěngidah bapangkoe, těrang ngě ndoebe pengidah nande, těrang pěngidah anak-běroena, těrang pengidah sěninana” nina „Enggo akoe ngidah oewari terang, oewari maka terang, de pěngidah nandikoe gělap, pengidah bapangkoe gělap, pěngidah anak-běroe pe gělap, pengidah sēpina pe gělap. Toeritoerīnna maka bage ningkoe”, niva ,lěbe akoe 'ndoebe ngidah oewari těrang līt ngě lěmboe i-arak arakna, līt ngě kdeda i-pandjangina, līt ngě kěrbo i-těnggalakěnna, līt ngě ēmas i boenikěnda, 'mboewah ngě page i-tjaměti nande, ěrboewah dgě djaoeng i-soewanna, měrih nge manoek i-asoehi nande, 'mboewe ngě babi i běrena. Di enggo akoe ngidah oewari těrang papan pe ’ndoebem měsoewak, palas pe mětjepik, taněh pe mětémboek, langit pe měroeroes; lěmboe pe salih djadi bělkih, kerko si man tặnggalānkén ’ndoebe salih njadi gadjah, koeda si ni-pandjangina ’ndoebe salih djadi badak, kambing i-permakanna salih djadi baloewa; aněm babi si ni-běre nande pe salih djadi oewili; manoek si ni-běre pe salih djadi 'mboelajan, page si ni-soewanna salih djadi sesa, djaoeng si ni-soewanna salih djadi běski, giněmgěmna pe salih djadi mawas. Em’dalinna, kite-kitena maka i pān kal ngě akoe sěndah natekoe."

„Enggo di bage kín képeken mamá! ras mě gělah kita ngijan-ngijani kajoe těnggolan enda; soeroeh gělah nipe enda moelih, diběroe ena pe soeroeh ras bijang ena kita mě lah doewa-doewa ngijani kajoe těnggolan enda; man bandoe akoe la 'rtoekoer natekoe. La me djenda matah oakan man pangān, la me koerang pola man iněměn, la koerang goele man pangān, la me koerang oewis man babān."

Moelih koe roemah diběroe ras bijang, ras nipe.

E, tande ěmpat běrngi, matah mě nakan man pangān, koerang mě pola man iněměn, matah mě goele man pangān, koerang mě oewis man babān.

„E, akoe, lawės m’akoe lěbe,” nina anak radja sahaloerěn Toeding si noe Poerba. Di akoe, čnggo kīn pengindokoe kīn, kata ērtak dagingkoe kīn 'ndoebe, kata toeboebkoe nge 'ndoebe; kam pe děnggo koe-tawin, la nai mān, la nai miněm, la pai roewis."

Ah, e, ola kam lawěs” nina djėlma so begoe. „Di nakan koerang

« PreviousContinue »