Page images
PDF
EPUB
[ocr errors]

Vier nachten waren verloopen, nog kwamen de zoon en de dochter van den vorst van si noe Poerba niet thuis. Toen ging de vorstin van Toeding si noe Poerba aan 't zoeken; de gěnilang werd geslagen, geweren afgeschoten, de heele omtrek van het dorp aldus doorzocht, men vond hen maar niet a). Toen ging men met de gěndang naar 't bosch Limboer Raja, en werden de geweren afgeschoten. Waar gaat gij heen met die gěndang en die geweren, moeder?' zei de dochter van den vorst van Toeding si noe Poerba.

„Gij waart het die wij zochten en mijn schoonzoon," zeide ze. – „Ik ben hier met uw schoonzoon, moeder", zeide ze; „naar beneden gaan kunnen we niet meer, naar boven gaan kunnen we niet meer; we zijn veranderd in knoesten van dezen tenggolan-boom,” zeide ze „Ga dus maar weer naar 't dorp met die gěndang-slagers, en die geweerdragers.” 't Heeft geen zin meer, dat ik naar huis zou gaan, moedertje", zeide ze; „als gij en mijn schoonzoon diet thuis komt. Wie heb ik thuis om voor te zorgen ?" - Ja! wij kunnen niet meer; als gij denkt: ,,mijn kind en mijn schoonzoon moeten absoluut naar huis," " haal dan nog eens den goeroe, die het kinder verwek-middel gemaakt heeft"

Men ging nu den goeroe van Poelo Tjimtjiměn halen. Zij kwamen, de zeven te zamen reizende goeroe s, met den loengkat mangalekal, de pěrminakan ambat toewah na bolon, de poestaka djali.

Wat is er van uw dienst, vorstin ?" zeide de goeroe. Niets bijzonders, goeroe! De jongen en het meisje, van wie gij den dag gelezen hebt, ziet ge, wat den jongen betreft, die is vroeg aan 't zwerven geraakt; we weten niet of hij dood is of leeft (lett. 't bericht van zijn sterven is er niet, en van zijn leven ook niet). Dat zij zoo! Als mijn dochter maar in leven blijft, dacht ik. Als er een dochter is, is er ook een zoon. Ik heb haar uitgehuwlijkt, goeroe

Zoo kwam ook een zoon; maar nu is zij heengegaan met mijn schoonzoon en ze zijn boomknoesten geworden, zegt ze, in 't bosch Limboer Raja" - Dat was 't zeggen (de voorspelling) van den dag, dien ik las", zeide de goeroe; „'t is je zoon, dien je schoonzoon noemt. Vroeger heb ik al gezegd: huwelijk je dochter spoedig uit, geef je zoon spoedig eene vrouw; gij hebt mijn woord niet opgevolgd, vorstin, Maar, als gij vindt, dat het van belang is, kunnen ze wel naar huis gebracht worden,” zeide hij. Met je zoon kan je spreken, ieder aan een kant van den wand 38). Wat zijn kostwinning betreft, als hij later één dag eene vracht

[ocr errors]

a) De Bataksche constructie lalap la enz. beantwoordt aan de Fransche: conti. nuer de ne pas.

38) Ieder aan een kant van den wand. De tooverstaf nl. mag niet in huis komen, anders dan bij de plechtigheid van 't ngoelak. Hij wordt buitenshuis bewaard, en wel onder den overhangenden dakrand. Tegenwoordig echter bergt men hem toch wel in huis op, uit vrees voor diefstal. Over 't geheel begint er een sceptische geest onder de Bataks te heerschen. Zou vroeger de vrees van door onheil getroffen te worden de lieden terugbouden zoo'n staf te ontvreemden, nu zijn er genoeg die het er op durven wagen.

draagt,” zeide hij, „zult gij dollars in ontvangst te nemen hebben”, zeide bij, „dan zal er zout zijn, en sirih en gambir en tabak En je dochter, wat zij s ochtends begint te vlechten. kunt gij 's avonds beslapen; als zij een soempit (rijstmand) vlecht, als ze daaraan 's ochtends begint, kunt ge die 's avonds vullen; als zij later rijst stampt, als ze één nacht stampt, is er drie toemba gepelde rijst; als ze één nacht spint, is er dertig streng garen. Als gij vindt, dat dit van nut is, vorstin, kunnen we naar 't bosch gaan om ze te halen," zeide bij.

„Ik, 'k vind dat dat geen nut meer heeft, goeroe. Ik zou willen, dat het meisje mijn gezellin bij 't stampen in de lèsoeng was, mijn gezellin bij 't dragen van 't watervat naar de rivier, mijo belpster bij 't gaan naar 't veld. En de jongen, als het donker is, dat ik hem roep van den rand van de toere; komt bij thuis," zeide ze, „dat ik een blanke mat uitspreid, hem de rijst opschep, hem 't vingerkommetje aanreik; als bij klaar is met eten, dat ik hem een sirihpruimpje om te kauwen gereed maak.”

„Ja, als dat uw verlangen is, vorstin, daartoe ben ik niet bij machte; ik ga terug naar mijn vader en mijne moeder, naar Poelo Tjimtjiměn,” zeide

de goeroe.

»'t Is

Keer toch niet terug, goeroe, als gemeent, dat het zóó alleen nog maar kan, haal ze dan zoo naar huis, mijn schoonzoon en mijne dochter.” niet je schoonzoon, 't is je zoon, vorstin, zei ik immers,”

„Mijn zoon dan (lett. als dat, dat); breng ze naar huis, goeroe." Neem dan een groote kanipil, een vrouwen hoofddoek”, zeide de goeroe; „neem een vol streng garen,” zei hij, „offerspijs waar niets aan ontbreekt. Neem een mat en laten we dan naar 't bosch gaan

In 't bosch gekomen, kwamen ze aan den těnggolanboom; deze werd , bediend" (d. i. te eten gegeven) 39) zegt men; zijn er af vliegende houtsplinter werd „gelezen’; deze was gunstig; hij werd op de vereischte lengte gehakt, de offerspijs werd bij het ondereind van den stam achtergelaten, de boom werd in doek gewikkeld naar 't dorp gebracht. In het dorp gekomen werd hij tot beelden bekapt. Wel, hij was klaar, zegt men. , Als er kippen zijn, vorstin, dat er een kip geslacht worde, vorstin,” zei de goeroe, „een roode; men neme baar lever, men neme haar longen, men neme haar hart, men neme gember, men neme grof zout, men peme spaansche peper.

39) De boom wordt met zooveel eerbied behandeld, omdat bij de verblijfplaats van Beroe Tijang Mapik is.

Het brengen van een offer aan een boom, vóór men hem kapt, komt nog voor bij 't vellen van den 'ndërasi, een boom die veel en koel water bovat, ea de eerste boom is, die geveld wordt, als men een huis gaat bouwen. Deze boom zou de eerstgeschapene van alle boomen zijn.

Dat heet ,dalang-dalangěn" 40). Dat werd hem te eten gegeven; men nam palmwijn toelak poerba djati, die maakt dat wij gezegend en rijk worden. Deze werd hem te drinken gegeven uit de „staart” 41) van het palmwijnvat. „Nu, vorstin, deze je zoon heet: Toewan Adji Doenda Katekoetan, deze je dochter: Běroe Poewang Tampe Radia Běnewasăn 42), talrijk zullen uw „oudere broeders”, talrijk uw „jongere broeders”, talrijk uw „apak-baroe", talrijk uw „sēnina”, talrijk uwe onderdanen zijn. Welke ook in 't vervolg uw verontrustende droom zij," zeide bij, welke ook in 't vervolg de kwade praktijken der menschen mogen zijn, deze uw zoon is bij machte die booze praktijken af te weren; en mocht er iemand hevig geschrokken (en dientengevolge) onwel zijn, dan is deze uwe dochter te gebruiken als middel om de ,ziel" terug te halen 43).

40) De dalang-dalangen wordt rauw gegeven.

't Werkwoord dalang wordt in eene verwensching of bedreiging wel gebruikt: koe-dalang ko = 'k zal je tot moes hakken!

41) De kitang is het fraaie palm wijn vat, waaruit men in huis den palmwijn drinkt. (De bamboe waarin de wijn uit den palm wordt opgevangen heet tongkap, die, waarin men 't vocht overgiet, om 't naar huis te brengen kandi-kandi.) De kitang heeft een fraai zwart deksel, waaraan eene tuit en een oor. Dit oor heet in 't Bataksch de staart. Er is eene kleine opening in, waardoor bij 't uitschenken uit de tuit, de lucht kan toetreden, zoodat de straal regelmatig doorloopt. Men zet de tuit niet aan den mond, maar houdt haar boven den geopenden mond. 't Is een waar kunststuk zoo te kunnen drinken, zonder er in te verschieten!

42) De naam van het meisje is al heel erg verbaspeld. Bij Westenberg is ze heel wat nauwkeuriger. Haar ware naam, dien de Heer Meerwaldt opgeoft, is : si Tapi radja na oeasan, d.i. die water schept voor de dorstige vorsten.

43) Men ziet, dat het gebruik, dat do Karo.Bataks van dezen staf maken, nog al wat verschilt van dat bij de Tobaneezen. Bij deze laatsten is er verband tusschen het gebruik en de mythe. Er leeft nog een flauw besef van zijne ware beteekenis. Bij de Karo's is dit verloren gegaan en 't mag wel een wonder heeten, dat de vorm van 't verhaal daaronder niet meer geleden heeft, en nog zoo duidelijk de mythische trekken bewaard heeft.

[ocr errors]

KARO-BATAKSCHE VERTELLINGEN.

II.

SARINDOE TOEBOEH.

INLEIDING.

Het onder dezen titel hier behandelde verhaal, wordt ook wel genoemd naar een der andere personen, die er eene rol in spelen. Zoo komt het ook voor als: „verhaal van Radja Boelan en Radja Perkoeltjapi", of „verhaal van den witten vogel", of „verhaal van Beroe Dajang", (bij von Brenner, en overgenomen door Pleyte in zijn ,Bataksche vertellingen' ten onrechte Boroe Dagang).

Deze laatste beriteling verdient wel de voorkeur, omdat toch B. D. wel de hoofdfiguur is in het verhaal, hoezeer ook R. B. en R. P. belangrijke nevenpersonen zijn. Ik bebield den titel, waaronder het mij verteld werd door een zeer intelligenten Batak, Pa-Nompar, van Boekil, van de měrga Simbiring, aan wien ik ook de duidelijke en uitvoerige lezing van Doenda Katekoelčn, en van 't nog te behandelen verhaal van Radja Kéléngahěn te danken heb.

De benaming is ont'eend aan 't eerste deel van 't verhaal, wat de Bataks meermalen doen, ook al verdwijnt, gelijk hier 't geval is, later die persoon.

Sarindoe toeboeh beteekent: een met z'n tweeën geborene, tweelingen van 't stamwoord indoe, dat nog gevonden wordt in ngindoewi = voor de tweede maal de rijst stampen.

Uit den eersten zin van 't verhaal zou men kunnen opmaken, dat er eigenlijk drie kinderen tegelijk geboren worden De heer Neumann, van wien in de Mededeel. v/w. bet Ned Zend. Gen. eene studie staat te verschijnen over de těndi in verband met sidajang, deelde mij mede van een Ratak gehoord te hebben dat er inderdaad sprake is van een drieling. Titel en inkleeding van 't Lier medegedeelde verhaal passen evenwel bij die voorstelling niet, gelijk o. m. hieruit blijkt, dat de meisjes haar jonge broertje in slaap sussen, op den rug dragen, enz.

Trouwens het blijft vooralsnog eene open vraag of het eerste gedeelte, dat eigenlijk eene inleiding is een soort van genealogie van de hi ofdpersonen, een wezenlijk bestanddeel van 't oorspronkelijke verhaal uitmaakt, wat ik voor mij overigens wel geneigd ben bevestigend te beantwoorden. Zeker is echter, dat het latere gedeelte duidelijker onmiskenbaar mythische trekken vertoont, die misschien niet in alle bijzonderheden met voldoende zekerheid te verklaren zijn, doch die blijkbaar met de maan verband houden.

Daar de heer Neumarn zijne studie bovengenoemd wil doen volgen door een aanhangsel dat speciaal de Dajang mythe behandelt, wil ik hier niet in al te uitvoerige bijzonderheden treden. Met het oog echter op den allicht eenigszins anderen kring van lezers, en ook omdat ik op enkele punten tot eene zelfstandige opvatting gekomen ben, wil ik er toch iets van zeggen, doch eerst na mededeeling van den hi ofdinhoud van 't verhaal.

Voorop sta nadrukkelijk de mededeeling, dat ik de opvatting van het wezen van si Dajang aan den heer Neumann te danken heb.

Deze eenmaal gegeven zijnde, was de weg tot het recht verstaan der andere trekken niet zoo moeilijk meer, dankzij ook de tamelijk duidelijke gegevens van het verhaal zelf.

Hier volke de korte inhoud.

Onze „grootvader" kreeg twee dochters en één zoon. Kort na de geboorte van den laatste stierven achtereenvolgens zijne moeder en zijn vader. Natuurlijk dat het „verweesde kind” (Anak Měloemang) 1) dikwijls huilde en daardoor den anderen bewoners van 't huis binderlijk werd, die dan ook verre van liefderijk gezind jegens den stumper waren, zoodat ze zelfs zijnen zusters bevalen hem in de rivier te werpen. Dit gebeurde, doch hij dreef tegen den stroom in en spoelde bij de badplaats aan wal. Hij kroop van hier naar 't dorp en groeide met de varkens op onder 't huis. Grooter geworden kreeg een buffelhoeder medelijden met hem, en gaf hem van zijn eigen armoedig deel. Eens, terwijl A. M. op de karbouwen paste kwam „de bereisde kapitein” (Anakoda Pérlajar) daar voorbij. Door dezen liet hij zich overhalen mee naar de benedenlanden te gaan. Hier verdiende hij aldra met handelen een aardig geldsommetje en gaf pu met A. P. geschenken mede voor zijne beide zusters „de tweelingen" (Sarindoe Toeboeh). Zij beantwoordden deze attentie met tegengeschenken en nu kreeg A. M. verlangen naar zijn geboorteland. Met A. P. ging hij er dus heen. Hij werd door A. P. aan een vrouw geholpen, terwijl deze zelf A. M.'s beide zusters huwde, waarvan hij de oudste in 't Oosten, de jongste in 't Westen deed wonen, terwijl A. M. zich in 't midden vestigde. Na verloop van tijd kregen de zusters in 't 0. en 't W. ieder een zoon. Later werden deze naar hun oom in 't midden gezonden om van bem hun naam te ontvangen, geheel conform de Bataksche adat. Die uit het 0. kreeg den naam van Koning Maan (Railja Boelan Malela 2) en ontving als geschenk een mes, de tweede dien van Koning Mandolinespeler (Radja Perkoeltjapi) met als geschenk een mandoline (kceltjapi of koetjapi).

1) Ik zal in deze inhoudsopgave de rertaling der damen geven, voor zoover mogelijk, om later met de Bataksche namen (en de beginletters) te kunnen vulstaan, ten einde eene to omslachtige vertaling te vermijden.

2) Of Malela de juiste naam is durf ik niet zeggen. 't Kan een epitheton ornans zijn, zooals in bësi malela, een bijzondere fraaie ijzersoort, eig, staal. Misschien ziet het op 't mes dat bij als geschenk ontving.

« PreviousContinue »