Page images
PDF
EPUB

salindoengěn koe roemah bagi galoeb sitabar ibas běrněh-běrněh, oeratna pe man těpoeng tawar, laklakna pe man pengarkari, boeloengna lape-lape těndi, boewahna mětjapět sitik moelana, měkėtkēt tingtang těngahna, rěh těboena pengěnggowina, i-kelewěti anakna indoengna, bagi si la nai kětandan indoengna ras anakna; ěm tandingěnna salindoengěn koe roemah man oewēnkén nina nini begoe děleng.

E, poekoelén goeroe siwah toemba běras, oetangna éněm ringget, dagangěn sada, amak sa, nang: tang ewis sibas dagingna man sinajona man goeroena. E sai m'oetangna, gantji idona; sai mara, koe roemah těndi".

VII. Běliděn sitik pagi boerawan e 'mboe-'mböen sangkép měrpoeloeng, pěrsilih-silibi pe tjoer-tjoer, pola biněrkat, galoeh biněrkat, běski tinampoel silando ngawan, sijang sijang siroengkas, toengkas banga kělesa. E, érpantar, pantar ka, rangdjap-andjap, ěrběrtoek ěmpat, erlambe sarsar, ertjimpa rambe, ěrgoela-lēn, ertoewalah moembang ka, črmanoek 'mboelan. E, ěrgana gědang, ērgana galoeb, ērtěnggijang begoe, ērgana 'ndoelpak, ērgana 'ndapdap, napsapken anak si ilat, ertoekoek-toekoek, értambe-tambe, tangkal-tangkal, ērmanoek pijak. pijak, értjibal roedang měhalép, i.pasang bědil sepoeloesa kali. E, silěkānna sitoemba sira ka man goeroena, poekoelēnna běrasna rěpoeloesa, otangna sěpoe. loedoewa, dagangěn sada, amak ka sada, měreken sınajo idas itēroeh, sai oetangna, gantji idona, sai mara, koe roemah těndi."

VIII. „Běliděn sitik ka boerawanna, e tandangi koe oercek měgandjang, i-paloe gěndang, i-ěmboes saroene, i-boewat goerje pitoe, i běrekěn amak pitoe lambar, běnang pitoe sangkilén; e črgana 'ntěrěm, ērténgijang begoe, galoeh erb ewah, črndoelpak nina ērgana ’ndapdap, ertjimpa ganān. E, bahan ka ngě persilibi tjoer-tjoer, pola biněrkat, galoeh biněrkat, běski tinampoel silando ngawan, sijang si rvengkas, toengkas banga kělesa ; ērtjibal roedang měhalép, érkédjérên pitoe soendoet, oetangna lima poeloe koerang doewa, sira empat toemba persilěkānna, nangtang ka sinajo idas itěroeh, dagangěn pitoe lambar. Em oetang man goeroe, maka saioetang gantji ido, sai mara koe roemah těndi, mcelih pini begoe dělěng."

„E, enggo doeng těnabkoe bibi” nina si Běroe Dajang Minta Radja.

„E, daram-darami taboe goembang, asakkěn akoe koebas, maka lampas akoe djoempa ras anakndoe, anak si Radja Perkoeltjapi”.

E, asakken m’ija koebās. E, ombakkén mě koe těngah lawět. E, mombang.mombang mě taboe goembang, momhang koe kěpoeltakėn.

E, sangkoet m'ija i kerangěn Radja Měrare. Ngělar bělat si Radja Boelan, dongkěl-dongkěl taboe goembang. I koewiskěn si Radja Boelan taboe goembang. I-koewiskěnna rěh dongkělna. E, i-taka si Radja Boelan si taboe goembang. E, ’ndarat si Běroe Dajang, E, tjirěm si Radja Boelan. E, si arak-arakěn ija koe roemah i-oelihina amak daboehenna.

VERTALING,

SARINDOE TOEBOEH (DE TWEELINGEN).

Er werden, zoo verbaalt men, onzen grootvader kinderen geboren, twee meisjes, een jongen. Toen hij vier nachten oud was, stierf zijne moeder, acht nachten stierf zijn vader 1). Anak Měloemang schreide gedurig; toen werden de bewoners van het huis boos.

„Ga je broertje op de toere sussen,” zeiden ze, „we kunnen haast niet slapen”. Toen gingen ze op de toere haar broertje sussen.

„Schrei toch niet, broertje; als jij schreit, breng ik je tot bedaren, als ik schrei, wie zal mij troosten?" zeiden ze.

Eindelijk zweeg Anak Měloemang, hij was moe, moe van 't schreien. 't Was toen diep in den nacht.

„0, tante! doe (me) open, mijn broertje is stil". De huisbewoners hielden zich of zij sliepen.

't Werd, verhaalt men, de tijd van 't hanengekraai. Die in huis gingen naar de loere, A. M. en S. T. gingen in huis. In huis gekomen begon A. M. weer te schreien.

„Ah, je broertje schreit telkens, breng hem onder 't huis”. De koeien der lieden wilden haast niet naar den stal (de ruimte onder 't huis). Toen brachten ze hem naar den buffelstal, ook de buffels wilden hem niet vertrappen; ze brachten hem naar de dorpspoort 2), de menschen wilden haast niet naar 't veld, de koeien niet naar buiten, de buffels ook niet.

Toen werd de vorstin van het dorp boos. „Werp (lett. doe afdrijven) je broertje in de rivier, meisje!" Toen gingen ze naar de rivier toe. Bij den uit

1) Ofschoon hier niet vermeld, is dit feit volgens Bataksche opvatting, een gevolg van het tijdstip waarop de jongen geboren werd. De vergelijking met tal van Bataksche verbalen, leert ons, dat de geboorte plaats had op Toela, črpagi-pagi, katikana ngang.ngang, op den vroegen morgen van den 15den der maand.

2) De dorpspoort, pintoe lawang d. i. de hoofdtoegang tot het eigenlijke dorp, het huizen-complex, het kësain, (vgl. 't Jav. niů I. K. N. ingang tot een spelonk, 2 N. K. painen, deur). Zie verder Aant. 3.

gang 3) van 't dorp gekomen, ontmoetten ze een ongelukkigen speler 4), die als hoofddoek een kneveltouw droeg, met het eene einde afhangende.

Bid tot de schim van uwe moeder, roep de schim uws vaders aan. Als ik straks met spelen win, zal ik meelkoeken koopen 5), en pisang en palmwijn"'.

De dobbelaar won, twee tabil ($ 20.-), hij kocht meelkoeken, en gaf deze aan A. M., deze mummelde er aan Hij kocht een beker palmwijn, en gaf dien aan A. M, hij slurpte er even van. Hij kocht pisang, en gaf deze aan A, M., hij likte er even aan.

Daar kwam de vorstin voorbij op weg naar het dorp: „Dwaal niet op het wijde veld rond, meisje, werp je broertje in 't water”. Bij de rivier aangekomen, bad zij weer tot de schim van hare moeder, bad ze weer tot de schim van haren vader :

„Ontvangt dit uw kind”, zeide ze, ,en kom mij ook spoedig halen, moeder, er is geen plaats (voor mij) in 't rijk der levenden”.

Toen liet ze haar broertje los in 't water. Wel, anderen drijven met den stroom mee, bij dreef tegen den stroom op. Hij spoelde aan land bij de badplaats der mannen 6). Toen kroop hij naar het dorp, en kroop onder 't huis.

3) Uitgang (of toegang) tot het dorp pintoe-pintoe, niet van het eigenl. gezegde dorp, maar van het dorpsgebied, bijv. een der toegangen tot de poelo, het bosch (eig. eiland) dat de verschillende dorpen der hoogvlakte omgeeft. 't Wordt ook geheel in denzelfden zin gebruikt als het Gajo‘sch pintoo rimbö, ,woudpoort” (Gajoland. pag. 2.)

4) Perdjoedi dodas, een speler die altijd déveine heeft. De uitdrukking is waarschijnlijk van Mandelingsche afkomst. Dodas beteekent daar raak, dikuijls. Hoezeer de man overtuigd is, dat bij weer verliezen zal, blijkt hieruit, dat hij zelf het touw (pasa of tali pasa) waarmee men een insolventen speler bindt, bij zich heeft; bij de Karo. Bataks heeft alleen de ,spelhouder" (empoe-djoedi) eenige van zulke touwen bij zich. In Toba schijnt het overigens adat te zijn, dat ieder speler een touw bij zich draagt (zie vd. T. op Z).

5) Ganda, in den zin van versnaperingen koopen, is alleen bij het kansspel in gebruik. Daar is het de „technische” term. Anders beteekent het woordt dubbelroud, en als ww. verdubbelen. De verklaring van 't gebruik van dit woord in den zin van , consumptie” is deze: Indien de schuldenaar zijne vertering niet betaalt, kan de venter der eetwaren zijn schuld , bevestigen" (ngěsahkën). Hij slacht daartoe een kip die door alle spelers genuttigd wordt. De schuid is dan verdubbeld. Hier mogen enkele voorbeelden volgen van 't gebruik van ganda als speelterm: lepas kentja ganda, slechts zooveel winnen, dat men daarvan zijne vertering betalen kan;ěrganda, geld leenen tegen eene kleine rente, als dikwijls, na afloop van 't kansspel de verliezers doen, om dadelijk te kunnen betalen. 't Geld dat men zóó leent, heet særpi gandan. Peganda-gandaken, iemand, indien hij wint, het dubbele geven, van wat hij naar de gewone regels van 't spel zou krijgen.

6) De badplaats der mannen is steeds afgezonderd van die der vrouwen. De afscheiding laat echter dikwijls te wenschen over, en meestal zijn beide badplaatsen vlak bij elkaar. De mannen als ,heeren" der schepping genieten het voorrecht van hun badplaats bovenstrooms te hebben.

[ocr errors]
[ocr errors]

Als de menschen de varkens voerden, likte hij mee er een beetje van. Zoo werd hij langzamerhand groot; toen hij kon loopen, ging hij naar den karbouwenstal.

„Pas (even) op deze onze karbouwen, broertje”, zei 't jongetje dat de buffels hoedde, „dan ga ik thuis even eten." De buffeljongen ging thuis eten, hij greep een hap (rijst) en veegde dezen in zijn schoot 7). Hij ging naar de buffelkraal, en gaf A. M. te eten Toen at A. M.

Toen hij hard kon loopen, draafde hij naar 't vrije veld. „Pas (even op deze onze karbouwen, broertje”, zeide de buffelboeder, „dan ga ik oebi halen om te roosteren".

Daar kwam Anakoda Pěrlajar voorbij. Wat kosten die buffels van je?' zeide A, P. „Ik, wat ze kosten weet ik niet,” zeide A M., „ik krijg alleen maar wat voor 't hoeden." ,,Hoeveel krijg je voor 't hoeden ?" zeide bij. ,,Een stuk oebi 's morgens, 'n stuk oebi 's avonds”, zei bij. Als 't zoo gelegen is, laten we dan samen naar de benedenlanden gaan", zeide A. „dat is om je lange kleed te verwisselen, zeide bij, dåt voor een anderen hoofddoek, dàt voor een ander baadje, zeide bij, „dàt voor een ander overkleed," zeide bij. Toen ging A. M. naar de benedenlanden; A. gaf hem twee honderd [dollar) als kapitaal Na vier maanden had hij al acht honderd, „Kom, laten wij eens naar de Hoogvlakte gaan," zeide A. ,om karbouwen te halen, die we naar den overwal zullen brengen." Ga gij eerst maar [alleen) naar de hoogvlakte, broeder,” zeide A. M. „Ik heb twee spiegeltjes 8) gekocht, ik beb twee baadjes genaaid ; geef die aan onze zusters op de hoogvlakte, onze zusters Sarindoe Toeboeh." Ik weet niet van S. T." zeide A. „Zeg dat maar als ge op de hoogvlakte zijt”, zei hij.

Toen ging A. P. naar de hoogvlakte. Toen hij daar aankwam, was 't juist de tijd van 't voor de tweede maal wieden 9). S. T. waren aan 't wieden, toen A. P. er voorbij kwam. Waar gaat gij heen, oom?" zeiden S. T.

Waar zijn S. T., tante ?" zeide A. P.

7) Kildoengen, schoot, nl. een door het lange kleed gevormde zak, (-keldoeng aldus iets in zijn kleed dragen, op de wijze als dikwijls eene Hollandsche werkmeid iets in haar schort draagt.

8) De oorsponkelijke beteekenis van taboeng is een koker, een busje, waarin men iets bewaart. Deze beteekenis is overgegaan op de veel geïmporteerde blikken doosjes, waarin men tabak doet, en daar het deksel daarvan meestal een spiegeltje draagt is taboeng eindelijk spiegel gaan beteekenen.

9) De rijstbouw op de hoog vlakte heeft onder geheel andere omstandigheden plaats, dan in de warmere en ook sterk geaccidenteerde doesoen-landen. Vandaar dat ook de werkzaamheden zeer verschillen en er nauwelijks een enkele term gelijk is voor de respectieve stadiën van den veldarbeid op de hoogvlakte en in de doesoen. Omtrent den drogen rijstbouw in de doesoen geeft een artikel van den Heer J. H. Neumann in Med. Ned. Zend. Gen. Deel 47. (1902 4e st. pag. 373 e. v.) tamelijk volledige inlichtingen, terwijl wat het hier behandelde verhaal betreft, het medegedeelde van het voor beplanting gereed maken van de velden door de schoonmoeder van Beroe Dajang, ook voor de

[ocr errors]

„Wat moet gij met S. T. ?" zeiden S. T. „Dit hier zendt haar broer”, zeide A, P. „twee baadjes, en twee spiegeltjes.” Waar is A. M tegenwoordig ?" zeiden S. T., „breng ons er toch heen,” zeiden ze. „Als gij ons wilt hebben (dan willen we uw vrouwen zijn) en zoo niet (ook goed) 10), zeiden S. T., „één van ons zal je hond te eten geven, één van ons zal palmwijn halen voor je drank.” Een volgende keer komen wij beide op de hoogvlakte”, zeide A. P.

„Wel, als het zoo gelegen is, broeder! broeder zeg ik maar tot je, gij tweeën zijt onze broeders, wij tweeën zijn uwe zusters, hier zijn (dan) twee matten, hier zijn twee kampils, hier zijn twee kains, voor jou en A. M. ieder een."

A. P. kwam weer in de benedenlanden aan. „Dit zenden onze zusters”, zeide bij tot A. M, „twee matten, twee kampils, twee kains". Toen weende A. M. ,Laten we samen naar de hoogvlakte gaan”, zei A. M. Toen ze op de hoogvlakte aangekomen waren, gaf A. P. aan A. M. eene vrouw, en hijzelf huwde 8. T. De oudste ging in 't Oosten wonen, de jongste in 't Westen en A. M. in 't midden.

Na verloop van twee jaren werden onzen grootouders (voorouders) kinderen geboren, in 't Oosten een jongen, in 't Westen een jongen, in 't midden een meisje.

doesoen geldt. 't Is hier de plaats niet om eene uitvoerige vergelijking te geven, noch om de raison aan te wijzen van de verschillen. Slechts mogen, omdat hiervan in ons verhaal sprake is, de termen voor ,wieden” bewijzen hoe 't woord in overeenstemming is met den aard van 't werk. Voor de eerste maal wieden heet in de doesoen: ngiskis = afschrappen, met een soort schrapmes (kiskis). Men maakt hier bij maar zeer weinig aarde los, wat ook geraden is met het oog op de hellingen, die toch al zoo licht afspoelen. Voor de tweede maal wieden heet ngöramboesi, omdat het tusschen de reeds hoogo rijst opgeschoten onkruid en gras zóó lang is, dat men telkens een bosje met de hand kan omvatten, evenals grazend vee het lange gras met de tong (ngoramboes). Op de hoogvlakte daarentegen heet de eerste maal wieden 'nggarisi = strepen (kleine voren) maken.

. Meestal doen dit twee meisjes met een kleinen ploeg, welks kouter van palmhout (pang. goeh) het nog niet diepgewortelde onkruid los woelt. De tweede maal wieden geschiedt met de hak (tjoewan) en wel in dwarse richting op de vroeger gemaakte garis. Deze op hout-kloven (naka) gelijkende bezigheid noemt men daarom met de woordherhaling: naka-naka. Op één belangrijk verschil zij 't mij vergund nog de aandacht te vestigen. In de benedenlanden oogst men met een rijstmesje (pengetam) de aren een voor een, die men tot bossen (poengo) bijeenbindt; op de hoogvlakte gebruikt men den sikkel (sabi-sabi), snijdt de halmen tamelijk dicht bij den grond af, en bindt ze tot schoven (raden).

10) Di atendoe djadi, enggom gija lang. Een stereotype spreekwijze, in haar geheel een elliptische zin. 't Is alsof na de eerste helft, waarin 't meisje zich als aanbiedt, de vrouwelijke schuchterheid aan 't woord komt en zich beijvert den indruk der eerste woorden uit te wisschen. Overigens geeft het daarop volgende aanbod van voor zijn hond te willen zorgen, toch bedektelijk te kennen dat ze zijne vrouw wil zijn. Een van de vele nederige benamingen voor: „iemands vrouw" is: „s měre bijangna”.

« PreviousContinue »