Page images
PDF
EPUB

en een

Toen de vorstenzoon in 't Oosten groot was, zeide hij: „Hoe heet ik (welke is mijn naam), moeder"?

Wėl, je oom moet je een naam geven 11), jongenlief,” zei zijn moeder. „Kom, 'k zal eerst een overkleed voor je oom weven”, zeide ze, „'k zal een hoofddoek weven voor je tante,” zeide ze, „'k zal een kampil vlechten voor je oom,

voor je tante”. Toen de kampils gevlochten en de kains geweven waren, ging hij naar zijn oom in 't Midden „Ziebier, oom, een [kleed] voor uw overkleed", zeide hij, „[en] geef een als hoofddoek voor tante," zeide hij, ,en dit is een kampil voor u, geef een als kampil voor tante”, zeide hij.

„Ik ken u zelfs nog niet" zeide A. M. „[Mét) mijn moeder, waren er, zoo verluidt het, twee meisjes, en één nl. gij, was een jongen” zeide hij; „tante (de jongere zuster van moeder) is naar 't Westen gegaan, moeder is in 't Oosten, mijn vader is Anakoda Perlajar, mijne moeder Sarindoe Toeboeh”. – „Wėl, wėl! Mij komt het rechtens toe, je een naam te geven", zeide A. M. „Maar laat ik eerst een fraai mes voor je smeden”, zeide hij, „je naam zal zijn Radja Boelan", zeide hij. „Radja Boelan Malela"; zeide hij.

Wel, toen kwam de vorst van 't Westen, zegt men. „Dit hier is een overkleed voor U, oom!” zeide hij, „geef aan tante den hoofddoek”, zeide hij, „en hier hebt ge een kampil oom, geef een als kampil aan tante", zeide hij.

„Wel, ik ken U zelfs niet eens", zeide A. M. – „Twee meisjes waren er, zoo verluidt het, [met] moeder, en één jongen, nl. gij”, zeide hij. „Tante (moeder's oudere zuster) is naar 't Oosten gegaan, moeder is in 't Westen, mijn vader is A. P. en mijne moeder S. T.

Toen weende A. M. – „Mij komt het inderdaad toe, je een naam te geven, vadertje," zeide hij, „'k zal eerst een mandoline voor je maken” zeide hij

, „die zal heeten, de mandoline si-Oeloeng.oeloeng 12) (= die bijeen brengt, verzamelt),

11) Zie over naamgeving bij de Karo-Bataks een opstel van wijlen J. K. Wijngaarden, Med. Ned. Zend. Gen. (DI. 38, 4e st. pag. 311). Als daar sprake is van den kalimboeboe, die den eersten jongen een naam geeft, is dit niet anders dan de mama. Mama = moeders broeder, is ook de naam waarmee een man zijn schoonvader noemt. Kalimboeboe (letterl. beteekenis kruin v/h. hoofd) is hij, die recht heeft op de koopsom van 't meisje, in de eerste plaats dus ook haar vader, dus haar mans mama, verder even wel ook haar broeders. De naam kalimboeboe voor schoonvader is kepschetsend. Hij is inderdaad de persoon, dien men 't meest te ontzien en te eeren heeft, meer dan zijn eigen vader. De schoonouders der vrouw heeten bengkila en bibi eig. ook oom en tante, deze laatste nl. vaders zuster. Van haar schoonvader sprekende zegt eene vrouw soms adjinta, wat blijkbaar beteekent: onze vorst.

12) Oeloeng-oeloeng. Dit woord bewijst, dat poeloeng cen secundaire stam is, in den grond een causatif ww., gevormd door 't caas. praefix pé- van oeloeng. Poeloeng is op zijn beurt weer 't gw. van het nu als causatief gebezigde pepoeloeng. 't Bataksch bevat

„dan stroomen de volwassenen samen, dan stroomen de jongelingen samen, en de ouden van dagen, en de jonge dochters en de kinderen 13)", zeide hij, „en gij zult Radja Pěrkoeltjapi heeten''.

Toen keerde de vorst van 't Oosten naar 't Oosten, die van 't Westen naar 't Westen terug.

(Ook) 't vorstenkind van 't midden was groot geworden. Hoe heet ik moeder?" zeide het vorstenkind van 't midden. – Leg U ijverig op 't vlechten toe, moedertje, vlecht gij (dan) een kampil voor je tante", zeide ze, „leer ijverig weven, moedertje”, zeide ze," weef gij dan een kain voor Uw oom”,

zeide ze. Wel, toen de kampils gevlochten, en de kains geweven waren, ging ze haar tante in 't Oosten een bezoek brengen. Hier is een hoofddoek voor U, tante”, zeide ze, „en geef dit als overkleed aan oom”, zeide ze, , dit is een kampil voor U”, zeide ze, „geef een als kampil aan oom", zeide ze. – „Ik ken U zelfs niet eens, moedertje!" zeide ze. – Wel, gij waart, zegt men, met uw tweeën meisjes, (en) één jongen, nl. mijn vader, gij in 't Oosten, mijn jongere tante in 't Westen, mijn vader in 't midden", zeide ze. Toen schreide S T. „Ik heb inderdaad 't recht U een naam te geven, woedertje", zeide ze; „eerst zal je oom een haarkam voor je maken”, ze de ze, jij zult Béroe Dajang heeten, Běroe Dajang Minta Kadja", zeide ze. En ze verbond haar met haar zoon R. B in den echt, zegt men 14).

Vier nachten waren er verloopen, zegt men, toen kwam R. P. van 't Westen, de vorst van 't Westen. Hij tokkelde de mandoline, zegt men, de mandoline si-oeloeng.oeloeng Daar stroomden de groote menschen samen, en de jongelingen en de ouden van dagen en de jonge meisjes en de kinderen, en D. Minta Radja werd hartstochtelijk ontroerd (letterl. haar bloed zeide sáp, só, d. i. ging door haar aderen bonzen), en ze verliet haar echtelijk verblijf 15), zegt men, en volgde (R P.) naar 't Westen. In 't Westen aangekomen, werd ze met R. P. in den echt verbonden.

nog enkele dergel. secundaire stammen. bijv. padjek naast adjek. M. i. werpt dit een nieuw licht op de vorming van een woord als mate (Mal. matı). Men (o. a.

v. d. Tuuk) neemt gewoonlijk aan, dat mate rechtstreeks van pate is afgeleid door 't infix-oem. Doch afdoende bewijzen ontbreken. Na 't boren medegedeelde lijkt het mij redelijker pate te beschouwen als sec. stam, als een causatief van een nu niet meer bestaand ate (niet te verwarren met het Kar. ate, Mal. hati. Dair. kate!) ran welken stam dan op regelmatige wijze mate-oemate is gevormd.

13) Wat hier van de uitwerking van de mandoline gezegd wordt, is dunkt mij

zeer afdoende bevestiging van de door mij in de Inleiding gegeven opvatting van Radja Perkoeltjapi als de zon.

14) Een huwelijk, Daar Bataksche opvatting geheel „comme il faut".

15) Amak daboehen, door ,echtelijk verblijf” vertaald, beteekent letterlijk: „de neer te laten mat,” en doelt dus op de plaats, die men tegen onbescheiden blikken kan afsluiten.

eene

Na acht dagen ging R. B. een goeroc si baso 16) opzoeken, zegt men. Wat zullen we daar nu nog op vinden (lett. Hoedanig is hierover het denken) goeroe!"' zei R. B. tot den goere si baso.

„Er moeten zeven in den vorm van peperhuisjes gevouwen, siribpruimpjes gemaakt worden”, zeile bij.

Toen gebood de goeroe den hoogzwevenden kiekendief de sirih pruimpjes weg te brengen. De kiekendief vloog weg. hij vloog naar het westen. Si Dajang was juist buitenshuis aan 't weven; daar riep de kiekendief boven haar: koelik, koelik, daar vielen de siribpruimpjes in 't weefsel. B. D. geraakte in hevige ont. roering, zij maakte het weefsel los [uit den weefstoel], liet het buiten liggen en ging naar R. P. in huis. R. P. was in huis juist aan 't eten. Laat je eten even staan, broeder" (lett. stel deze rijst even uit van gegeten te worden), zeide B. D.; „schiet gij toch den hoogvliegenden kiekendief met het blaasroer”. Hij blaasroerde den kiekendief, deze veranderde in een witten vogel; bij schoot er op, hij kwam meer naar beneden, bij gooide hem, hij kwam dichterbij, (maar) krijgen deed hij den witten vogel niet (lett. hij kreeg hem aldoor niet) 17).

Toen ging B D. naar den akker. Ging ze naar den akker, dan nam ze 't watervat mee, ging ze brandhout halen, dan nam ze de rijstwan mee, naar 't water dan de bak, zegt men, naar het rijstblok dan het kapmes, ten gevolge van het toovermiddel (si-odjar-odjari) van R. B. 18).

[ocr errors]

16) Goeroe si baso, is de benaming voor die goeroe's (mannen en vrouwen, in de doesoen paar ik gezien heb steeds vrouwen), die de begoe kunnen op roepen, een shamane, een soort spiritistisch medium.

17) In het later te behandelen verhaal van Radja Ketengahen komt een soortgelijke opisode voor, betreffende den vogel si Nanggoer Dawa-dawa.

18) Bij von Brenner heet dit toovermiddel minder juist hodjar-hodjar. Als Pleijte dit verbaal in zijne Bataksche vertellingen overneemt (pag 70 e. V.), verandert hij dit eigenmachtig in hoedjoer-hoedjoer, „wijl volgens het Bataksch Woordenboek hodjarhodjar niet bestaat!” 1) Naar dit beginsel (?) handelende zal de Heer P. in mijne later te verschijnen Karo'sche woordenlijst heel wat te schrappen hebben!

De naam van het toovermiddel is zeer gemakkelijk te verklaren. Si-odjar-odjarı als naam een middel of werktuig wijst op een verbum ngodjar, van odjar. Dit odjar is het Mal. oedjar, mengoedjar spreken, zeggen, stellig wortelverwant met adjar, loering. Evenals nu het Kar. ngadjar-ngadjari eene ongunstige beteekenis heeft, is dit ook 't geral met ngodjar-ngodjari, dat beteekent: iemand allerlei dwaasheden in 't hoofa praten. De zonderlinge handelwijze van. Beroe Dajang is met deze beteekenis in over. eenstemming

Had de Heer P. goed gezocht, dat is bedacht dat de Dairische (dus ook Karo'sche) h niet is de Tob. h (= k) en dat volgens door v. d. T. gegeven regels de Tob-oe dikwijls

de Dairische o, dan had het woordenboek hem niet geheel en al in den steek gelaten

van

1) Ib. pag. 282.

op: Si

„Ik weet er nog één ding op', zeide ze. Ga naar de benedenlanden", zeide ze, om mijn broeder (volgens de běběre) te balen, den blaasroerschutter Adoe Amang” 19). R. P. ging op weg naar de benedenlanden. Toen hij in 't oerwoud Limboe Raja kwam, trof bij daar den blaasroerschutter aan

,,Wie is dat, die naar hier komt", zei de blaasroerschutter. , Tot nog toe (lett. steeds, permanent) heeft nog nimmer een muis onder mij gekropen, noch ooit een kiekendief boven mij gevlogen,” zeide bij, „daar komt du groot wild tot spijze; getroffen door het ipoeb.gift si mate begoe, kan zelfs Uw schim niet meer naar huis" (d. i. opgeroepen worden door een goeroe), zeide hij. – „Wat mij betreft, ik wensch niet anders dan te sterven”, zei R P. „maar) Uwe zuster heeft mij hierheen gezonden”, zeide hij, om den witten vogel te schieten (d. i. dat gij den witten vogel komt schieten).

Toen ging A. A. met R. P. naar de hoogvlakte A. A. kwam boven, zegt men. Wel, bij schoot op den witten vogel, (die op de karbouwenhoorn (van 't huis zat), bij schoot op hem, en raakte zijn snavel, de witte vogel schudde met zijn kop, (dit beteekende): 't afschudden van ramp en onheil 20). Hij schoot op hem (zie 't Wdb v.d. T. op oedjar, en ook vooral 't bijvoegsel !). In dit bijvoegsel geeft v.d.T. Dajang Paroedjar, eigennaam van een hemelsche princes, aan wie door sommigen de maaneclipsen worden toegeschreven. Ook geeft do heer P. zelf een verhaal si Boroe Deak parodjar (Bat. vert. pag. 52), dat op z'n Karo’sch zou heeten si Beroe Dajang Pěradjar. Hoe verschillend dit verhaal is van 't onze, uit een ander verhaal (Mombang Oeloebalang, ib. pag. 74) blijkt hare verwantschap met onze Beroe Dajang. V.d.T. geeft geen verklaring van den naam.

Ik zou dien durven vertalen met Béroe Dajang de Onderrichtster. Nogmaals wijs ik hier op hare treffende gelijkenis met de figuur van Dewi Çri.

19) In de mythe kan ik, gelijk ik in de inleiding opmerkte, geen plaats vinden voor Adoe Amang. In 't verhaal is hij echter de schakel tusschen de mythe en het onderwijs betreffende het terugroepen der verschrikte tendi. Hij is m. i. om het met een Karo’schen term te noemen de tandingen” van den in de voorschriften genoemden „berggeest” nini begoe deling. Men vergelijke 't slot van de vogel-schietepisode met het slot van voorschrift VIII.

20) 't Verhaal van 't schieten van den vogel, en de telkens door dezen gemaakte bewegingen is blijkbaar geheel symboliek. Wel raken de pijlen van A. A. hen, d. i. allerlei rampen naderen hem, maar ze overweldigen hem niet, hij schudt ze af. Beneden zullen we in bijzonderheden zien, hoe ook alles wat met het terugroepen des tendi gepaard gaat symboliek en nogmaals symboliek is.

't Woord hier door onheil vertaald, is het Skr. kleça == moeite, verdriet. Eigenlijk geeft onheil ook niet zuiver de Bataksche opvatting weer. 't Is meer: het zich in een ongelukkigen staat bevinden, het uitermate vatbaar zijn voor allerlei onheil en ziekte, het onder verderfelijke invloeden staan. De uitdrukking moewang banga kelesa" beantwoordt dus aan de Dajaksche termen: boewang rasi, boewang siėl (Zie Bijdr. tot de kennis van den Godsdienst der Dajaks van Landak en Tajan, door M. C. Schadee: Bijdr. K. I. v/d. T. L. V. v. N. I. Deel 55. (1903) pag. 321. e. v.).

voor de tweede maal (lett. twee keer) en raakte zijn kop. De witte vogel knikkebolde maar even. Hij schoot op hem voor de derde maal, zegt men, en trof zijn vleugel, de witte vogel klapwiekte slechts Hij schoot op hem voor de vierde maal, hij schoot hem en trof zijn poot (dit beduidde :) 't wegkrabben van ramp en onheil, het te niet doen van ongunstige droomen, zegt men, het wegnemen van de loomheid van 't lichaam, de slapte van 't lijf, de bezwaardheid der oogen, de krachteloosheid der beenen, de onmacht van den mond (tot spreken) 21), doch den vogel kreeg men maar niet.

Toen keerde A. A. terug, en (ook) ramp en onheil keerden terug (d. i. gingen heen, weken).

Wel, ik weet nog één middel”, zeide B. D. ,kom, laten we in 't midden van de zee gaan”. De witte vogel vloog boven hen, en streek neer op den galinggang-raja-boom 22), midden in de zee. Nu wees zij het spiegelbeeld aan R. P.

,Al kunt ge hem die daarboven is niet machtig worden, die daar beneden kunt ge opduiken", zeide ze „leg uw lang kleed af”, zeide ze, „trek uw buisje uit”, zeide ze, „zet uw hoofddoek af”, zeide ze, , maak uw gordelkleed los, geef je kampil bier en je mes. Presenteer me je rug (eig. je lendenen), dan zal ik er een zinksteen 23) aan binden, opdat ge spoedig beneden zijt”. Toen bond ze shem) den zinksteen (op den rug), en wierp hem in de zee.

Toen ging B. D. M. R. naar huis, zegt men; ,0 tante, hier is de kampil van je zoon”, zeide ze, „zijn mes en zijn hoofddoek, zijn lang kleed en zijn gordeldoek”.

-,Waar is R. P. Dajang?" zeide S. T. - ,Uw zoon is op reis gegaan, tante,” zeide ze. — Wanneer zal hij weer hier komen, Dajang?" zeide S. T. „Laten we eerst het onderhout gaan kappen, tante”, zeide B.D. — 't Onderhout van den akker is gekapt, meisje!" zeide 8. T. – „Als 't onderhout gekapt is, dan moeten de boomen geveld worden,” zeide B. D, „als de boomen gekapt zijn, moeten de takken afgehouwen worden".

21) Uit de opsomming der hier genoemde kwalen (vg. ook 't voorschrift V) blijkt duidelijk, dat men alleen de behandeling beoogt van de door schrik veroorzaakte verschijnselen. 't Is een gedetailleerde en juiste beschrijving van den verlammenden invloed van eene hevige ontsteltenis. Als dus de Haan dit verhaal noemt: „de oorsprong der geneeskunde" dan is dit te algemeen.

22) Deze mythische boom komt in vele Bat. verbalen voor, een enkele maal onder een anderen naam. Zoo spreekt men soms van een boehara (samentrekking van boewah arah), een groote ficussoort. In een Timoer’sch verhaal, dat ik uit een poestaka overschreef en dat feitelijk eene verhandeling" is over vergiften, speciaal het ipoeh-gift, is sprake van een boom, die toeminggang - of minggang raja heet.

Welke de beteekenis en de oorsprong dezer mythische boomen zijn, is mij voor. alsnog duister.

23) Batoe peranggoe = zinksteen. 't Grondwoord van peranggoe is niet in gebruik, maar is dit ongetwijfeld geweest, en is wel identisch met 't Jav, inqmo (anggo)= plaats.

« PreviousContinue »