Page images
PDF
EPUB

van

to ő o, het is aan u (om te spelen of versterking van steenen of zware stukwat anders te doen), het is uwe beurt; ken hout. la toő, niet genoeg, niet toereikend, Torro cemail, een offersteen in het minder, niet zooveel (het Maleische koe

midden van

een tnin, het midden van rang); na roek la toð, koerang pan

iets;

mea, eene ziekte waardoor het djang; naro ek la to ở nèë, niet zoo geheele lijf met puistjes bezet is en jeukt. lang als dit; bôt la tóð, niet dik Torrok, zich heel stil houden b.v. genoeg, niet zoo dik; nia mora s la iemand die zich niet wel gevoelt, ook to ő hors eh ik, hij is minder ziek dieren; kraula na torrok dan gisteren; ontbreken.

lerik, de karbouw vreet niet, blijft Tóoek, ondervragen, vragen; nia maar stil liggen. tóoek haoe naran, hij vroeg mijn Torron, torron lian, knorren van naam.

een varken. Tooï, uithollen; to oï ai halo bero, Tòs, hard, stijf, vast, b.v. eene schroef halo ha ok, een boom uithollen en er die moeilijk los gaat, een kurk; o da een vlerkprauw, een voederbak van ma matan la ke tôs, de deur gaat lastig ken; to oïa i wè n, boomgom uithalen. open; oeloen fatoen tos, of o e

Took, met een zwaar stuk hout slaan; loen tos, die zich aan geen bevelen took ho o, dood slaan.

stoort, stijf kop; na än

tôs,

taai Toon, stijfhoofdig; ko eda toon, vleesch; oïn tôs, niet verlegen, brutaal; paard dat ongevoelig is voor slagen, leno ek mate tôs, een schildpad is hoewel het geslagen wordt, toch even niet gauw dood. langzaam loopt.

Tossak = tom a s. Toos, tuin, veld, akker; töös bat Totoon, na k o ekoen totoon, tar, djagongtuin ; tõős ha re, rijst- stikdonker. tuin.

Totta, recht maken, recht buigen; Tora, gierst.

totta a a n, zich uitrekken. Tori, eene met schietgaten voorziene Tottok, ingewandsworm.

W

Waar, schoft; niki wa ar mod ok, zijn open, niet slapen; wai ro e w a, vleermuis, waarvan de haren in den nek wai tollo e, over twee, drie dagen ; geel zijn.

wa i hira? over hoeveel dagen? dient Wai, komt soms voor in de beteekenis ook als hulptelwoord bij dieren en van groot b.v. manoe wai, een groote

levenlooze

voorwerpen; bebe wai haan; aso e wa i, een groote hond; lima, vijf eenden; koed a wai tolwai kottes en wai fato ek, van loe, drie paarden; a i baloen wai iemand die niet groeit; battar wai,

ro ewa, twee kisten. de grootste van de drie hier voorkomende Wailaok, westmoeson. djagongsoorten; matan wai, de oogen Waiwain, gewoonlijk, reeds sinds lang;

We

wai wain noeo e nè ë d eï, zoo is ze niet; de anderen, de verschillenden: het al sinds lang, zoo is het gewoonlijk; nai terik ba ita, hottoe ita h a oe wai wain la kalik o e, ik terik hikar ba da to wara k heb er sinds lang niet naar gekeken. a a n, de radja zegt het aan u, en dan

Wain, veel; wain kira of wain zegt u het weer aan de andere hoofden, hira sian, over eenige dagen ; wain aan de verschillende hoofden, de overo ewa,

wain tollo e, over twee, rigen (als de overigen de meerderdrie dagen; wain hir a? over hoeveel heid vormen); a mi roewa hè tan dagen (op vragenden toon uitgesproken); deï, wa r ak a an la nèt an, wij wain hirak en horri hira k, zie twee alleen hebben het gekregen, de ovebirak; wain roewa k a a n, twee rigen hebben het niet gekregen; sia dagen geleden; ook: horri wain roe wa r a k, zij daar allemaal; neon wawa k a a n, zie horri; horri wain, r a k, van iemand. de vorige oostmoeson; wain ne ë, nu, Wattan, a i wattan, een zeer dikke tegenwoordig (van tijd); wain komt tak. ook voor als hulptelwoord, evenals wai. We, water; we mèr, zout water,

Wake waken, nean wake waken, zeewater; mis, zoet water; de tand staat erg los.

dalan, waterweg, beekje;

konoe Wakoes, iets heen en weer schudden; we dala n; kabossoe, put; a nin w a ko es ai, de wind schudt de kedo, uit den grond opkomend water boomen.

in den westmoeson, moerassige plek; Walan, met bloot bovenlijf.

krokkon, water dat uit den grond opWaloe, acht.

komt, moerassige plek;

kpoeoek, Wapi, bij, ook: wani nain; wani

bron, put;
matan, bron; -

nain, lala r, kleine bij; wani rai, groote glazenmaker (insect); saseïk, zie bij; wani wèn, honig; wani oeman, sa seïk; soe, ondiep putje bij eene bijennest, ook: wa ni ai nean?; wani

rivier;

soemak, water dat uit den da ban, leeg bijennest?

grond opkomt; talibar, waterval. Wara, oïn war a, buiten westen; Wèwèn, erg nat. ook van iemand die te veel gedronken W'èn, vocht, sap, etter, vloeistof; mean heeft; lian wara, wartaal;

wè n, verguldsel; soesoe wè n, melk; samengaan.

ai wè n, boomgom. Warak en Warak aan, veel; em ma Weoek aan, schommelen, slingeren war a k, veel menschen; emma wara k a a n, de meeste menschen, de men Weroek, hangen bedr. ophangen; schen in het algemeen; emma ida wero ek a an, hangen onz. ida, terik Maraè, emma wa rak Wiroek, wegslingeren; h o di ai roa an la natè nè, enkelen spreken de han wiro ek a soe, een stuk hout taal van Lamak nen, de meesten kennen naar een hond slingeren.

enz.

A A N HAN G SE L.

Ai kwa, obat ter bevordering van de Haroesoen, zuchten. bevalling

Hasasi haï, letterl. het vuur laten ontAlas noedoer, em ma a la s no e snappen ; brand veroorzaken. doer = iemand die zich voor goed Hóhò, telkens verzoeken. elders gevestigd heeft.

Kaboeloer, neon seï k a b o e lo er Baboran, zakje vóór in den sarong. = het hart is nog gesloten; van iemand Baek, schelpje.

die nog onwetend is, staat tegenover Basin, komt ook voor in de beteeke neon nak foè r. nis van »oud".

Kadoes, een dikke klimplant. Boeboer, komt ook voor in de betee Kaik = kwa i k. kenis van » telkens”.

Koeda aan, recht (verticaal) neervallen; Damar, met lijm of iets dergelijks best rai inoer ko e da a a n bissik rijken, om te stoppen of dicht te maken. i ha tassi tehen = de kaap komt

Dokkar, schokken van een paard bij vlak aan zee uit. het rijden.

Labò, zeereiger. Fafoear, stuk, brok, b.v. vleesch.

Len, een touw rondom iets vastbinden Fatoe res, rai fatoe res = grond om het te dragen. met veel kleine steenen vermengd.

Loekoe, duiken b.v. lo e koe mo eFatoe mokon, rai fatoe mokon, tiara (voor moetiara is in het zeer steenachtige grond ?

Tettum geen woord). Fét, (aan de Zuidkust) zitmatje voor Makaroek, terik m a ka r o ek, veréén persoon.

keerd spreken. Hafoetar, h a foetar a bat = sirih Mane, mannelijk ;

m a ne, in de »abat" planten.

man ;1 a warik ma ne, jongen; o em a Hakabit, onder den arm dragen. ma ne, de familie van iemands vrouw, Hamò oïn, de duizeligheid verdrijven moeder, grootmoeder ;

moeder, grootmoeder ; – foo, zwager.

. b.v. nia to er atoe ham Ô oïn, Maraka, lao mar a ka, op groot nia toba oïn nalai, hij zit om de

wild jagen. duizeligheid te verdrijven, als hij ligt Nakbassak, kilatna k bassa k, het wordt hij duizelig.

e m m a

geweer ketst.

[ocr errors]
[ocr errors]

Nakoo, leo na ko o dei, het zal toch Talakan, boomen, met een stok een gaat blijven (van hout) b.v. een houten vaartuig voortduwen. paal, al is hij ook in den grond geplant. Talia, tali a ko eda noe noen,

Naksinak, loro na ksina k, de zon het touw waaraan het paard geleid wordt schijnt.

om zijn bek slaan. Name, blaten.

Tane ba, komt ook voor in de beteeNesik, in de keel kriewelen; we kenis van ondergeschikt zijn aan. nesik e m m a, het water komt iemand Tatoedoen, wijsvinger. in de keel hij verdrinkt.

Tatollan, kossem. Pikoe, eenige bladstengels van den Teras, slaan om te straffen ? gebangpalm (zoogenaamde bebak) aan Tetoer, een roofvogel. een bamboenaald geregen om eene om Toetoes, de opening van een pot of wanding te vormen.

mandje met een blad overdekken om Rai inan, klip.

dicht te maken. Rakoet, in 't voorbijgaan wegnemen Toïr, toïr kilat ba maloe = b.v. een kleed van de drooglijn.

het geweer aan elkaar overgeven ; als de Sani, sanib attar, een djagong eene geschoten heeft, dan den andere

schil nog aa
aanzit, roos-

laten schieten. teren.

Tossak, schijnt ook voor te komen in de Sessek, bak waarin het zout bereid beteekenis van »jammer" b.v. tossa k wordt.

a mi halottoek mak foïn ri Siloe aan, la o siloe aan = zigzag ida dei = jammer dat wij (den boom) loopen.

dun hebben gemaakt, zoodoende is het Tabik oem a tabik ta a n maar één paal (anders waren er twee uit loe, de huizen staan dicht op elkaar. gekomen).

kolf,

waar de

[ocr errors]

SPREEKWIJ ZE N.

Morgen ga ik naar beneden.
Gaat gij alleen?
Neen, ik en Seran.
Gij moet morgen hier langs komen, ik

zal u een brief meegeven.
Ben je er al ?
Hier is de brief.
Verfrommel hem niet, laat hem zoo als

Awan haoe toen.
0 ba missan?
Lale ami roewa Seran.
Awan o atoe hosi nèë, haoe atoe fô soe-

rat ba o.
0 mai tian ?
Soerat mak nèë, of: soerat nèë mai.
Ketta halo nakroeoe, halo noeoenèë nafati.

hij is.

Waar zal ik hen indoen?

Atoe tau ba sa ? Beter dat mijnheer hem in een papier Diak lioe toewan faloen ba soerat ida.

wikkelt. Zorg dat de regen hem niet nat maakt. Sintidoe oedan ketta nalo bottes. Hoe is uw naam?

() naran sa ? . Mijn naam is Bere.

Haoe naran Bere. Waar woont gij ?

0 toer iha neëbè ? Ik woon in Tatara.

Haoe toer iha Fatara ba. Zijt gij getrouwd ?

0 mộ đèn ka ? Ja.

Hạoe ko fèn, of: hèẻ. Hebt gij kinderen ?

0 mô oan ka ? Ja.

Haoe kô aan, of: hèë. Hoeveel kinderen ?

Oan hira? of: oan nain hira? Drie.

Oan tolloe. Allemaal jongens ?

Mane missa ?
Een jongen en twee meisjes.

Mane nain ida, fetto nain roewa.
De jongen moet op school komen. Mane atoe tama schola.
Als hij grooter is zal hij komen.

Kwaik nalao lee tama.
Wat komt gij doen?

O mai halo sa ? of: o mai sa ? Ik kom kippen verkoopen.

Haoe mai atoe faän manoe. Goed, hoeveel kippen hebt gij ?

Diak, of sooïn, oon manoe hira?

« PreviousContinue »