Page images
PDF
EPUB

Twee.

Roewa. Wat neemt gij er voor ?

0 mola sa ? Voor den haan een halven gulden, voor Manoe aman baloen ida, manoe inan tali de kip een kwartje.

moeti ida. Als je nog kippen hebt, breng ze maar. ( kaoen manoe seï iha, hadi mai deï. Goed mijnheer.

Diak toewan, of: sooïn toewan. Heb je geen pisangs ?

Oon hoedi la iha? De pisangs zijn nog niet rijp.

Hoedi seï la tassak daun.
Laat ze eerst rijp worden.

Halo tassak lai.
Als de pisangs nog niet rijp zijn, moet Hoedi la tassak daun ketta lai ta.

je ze nog niet afslaan. Maak het paard klaar, ik wil uitgaan. Hadia koeda haoe atoe lao. Welk paard wil mijnheer berijden? Toewan atoe saè koeda sa, of: koeda

nèëbé ? Het zwarte.

Koeda metan. Het zwarte is pas van beneden gekomen, Koeda metan foïn hosi tassi saè, nia kala het is misschien nog moe.

ses makkar. Goed, haal den schimmel.

Sooïn mola koeda babassi. Het touw is stuk, het paard is wegge Tali kottoe, koeda nalái tián.

loopen. Waar is het naar toe geloopen?

Nalái ba nèëbé ? Ik weet het niet.

Adin of haoe la katènè. Ga het terstond vangen.

Oba kohi kedan. Ik alleen kan het niet vangen, met twee Haoe missan kohi la diak; số emma of drie dan gaat het.

nain roewa ka tolloe mak foïn. Wij hebben het al gevangen.

Ami kohi tian.
Als het maar niet gevochten heeft ; als Ketta nakaat; ketta kanek.

het maar geen wond heeft. Neen, het is niet gewond.

Lale la kanek. Doe eerst het hoofdstel aan.

Tan ferreoe lai, of: sana ferreoe lai. Houd het vast, laat het niet los.

Kaèr matos ketta haboesik.
Wees niet bang, het paard is mak. Ketta hatauk, koeda maus.
De buikriem zit niet vast, hij is nog te los. Heti kaboe la kmeti, seï koëk.
Ik ga er op.

Haoe saè na.
Laat het paard los.

Maboesik koeda. Als ik terugkom moet gij djagong aan

Haoe mai kikar o atoe fô battar ba het paard geven.

koeda. Ga op zij, dat het paard u geen trap Ses, of ses tia, of sai sai, koeda ketta

geve. Laat het paard niet schrikken.

Ketta halo koeda serebak. Laat het nog niet los.

Ketta lai haboesik.

taté o.

Laat het paard eerst drinken.

0 maró koeda lai. Geef het gras en djagong.

Fô haè no battar. De staartriem is te kort, maak hem wat Sana ikoe badak, halo naroek lioe oda.

langer. Trek den buikriem strak aan; nog wat; Heti kaboe dada hakaas ; teni; sooïn genoeg.

ona. De hoeven zijn te lang, je moet ze wat Nanoetak naroek resik, o atoe tessi oda, af kappen.

of: hedik oda. Radja, over vijf dagen moet de bevolking Nai wain lima emma atoe serewisoe aan de wegen werken.

dalan, of: hadia dalan. Om zeven

uur 's morgens moeten de (Toekoe hitoe sawan) Loro tara oda emma menschen er zijn.

atoe iha. De weg moet één depa breed zijn. Dalan aloe loewa roa ida. Zijn de menschen allen aanwezig ?

Emma mai bele ka ? De lui uit kampong A zijn er niet. Emma A la mai. Radja, laat de lui uit kampong A on Nai ita haroeka emma baloe kedan middellijk roepen.

emma A. Het hoofd moet bij mij komen.

Temoekoen atoe mai iha haoe, of: atoe

sakka haoe. Hier moeten goten gemaakt worden voor Iha nèë atoe halo we dalan hadi halo we de afwatering.

lao lioe, of: soeli lioe. Op modderige plaatsen moeten steenen Neëbé rai taau atoe tau fatoek, hottoe gelegd worden en daarop aarde.

iha fatoe fohon atoe tau rai, of: hattoe

tau teni rai ba fatoe ohon. Hier moet een brug gelegd worden. Iha nèë atoe halo lalette. Denkt er aan, de boomen voor de brug Hanoin lalette nia kaan ai miste bột, of: moeten dik zijn.

atoe bôt. Het hout voor de brug moet sterk zijn. Lalette nia kaan ai atoe monas. Hebt gij alles goed begrepen, radja ?

Naran lia nèë ita rona diak nai? Van middag kom ik kijken; van middag Loro manas haoe ba kalikoe ; loro manas moet de weg in orde zijn.

dalan atoe hottoe. Is de weg in orde, temoekoen ?

Hé temoekoen dalan diak ona ka ? Hier moeten de boomen wat uitgekapt Ai nèë nian tahan atoe ta halara, nèëbe

worden, dan kan de zon den weg droog oedan namotto tia, loro bele kona, maken na den regen.

nalo dalan maran nikar. De brug is sterk, maar te smal.

Lalette monas bè klột.
Er moeten nog twee boomen naast ge Atoe rai teni ai roewa iha sorin.

legd worden. De weg is goed.

Dalan diak ona. De goten zijn te smal.

We dalan klot resik. Waar is de bevolking van kampong A?

Emma A iha nèëbé?

Hoe laat zijn zij gekomen ?

Sia mai loro noeoe néëbé ? Waarom is de temoekoen niet bij mij Temoekoen la sakka baoe basa ?

geweest? Temoekoen, waarom zijt gij zoo laat ge

Temoekoen, o mai kleoer noeoenèë basa? komen ? Denk er aan, een volgenden keer niet te Hanoïn, sain teni ketta mai kleoer.

laat te komen. Wanneer gij weer te laat komt, laat ik 0 mai kleoer teni haoe seï kalo o sereu nog werken.

wisoe. Wat komt gij doen.

O mai halo sa ? o mai sa ? Ik kom obat vragen.

Haoe mai koesoe ai moroek. Wat mankeert je?

O moras sa ? Mijn voet is gewond.

Haoe ain kanek. Hoe komt gij aan die wond ?

Sa nalo ? Er is een steen op gevallen.

Fatoek monoe taan. Mijnheer zij zoo goed er obat op te doen. Toewan atoe tau. Goed, hier is obat.

Sooin, ai moroek mak pèë. Leg het er op.

Tau ba, of: taka ba.
Bind het hiermee.

Hodi nèë foetoe.
Over drie dagen moet je terugkomen. Wain tolloe o atoe mai hikar.
Ik vraag nog obat tegen koorts.

Haoe seï koesoe ai moroek isin manas

nian. Wie heeft er koorts ?

Se mak isin manas ? Mijne moeder.

Haoe kaan ina. Goed, hier is koorts-obat

Sooin ai moroek isin manas nian mak nèë. Hoe moet ik daarmee te werk gaan ?

Neë atoe halo noeoesa ? Dat moet je met water mengen en dan

Atoe kahoer no we,

hottoe fo emma aan den zieke te drinken geven.

moras hemoe. Als de zieke nog koorts heeft moet gij Isin seï manas ketta lai fô, isin tidin

het nog niet geven, als de koorts at foïn fô.

is dan geven.

Ik was

Waarom ben je gisteren niet gekomen? Horsehik o la mai ba sa ?
Ik was verhinderd.

Haoe sohan.
Waardoor was je verhinderd ?

O sohan ba sa ? verhinderd

wegens het werk in Haoe sohan ba tóðs. den tuin. Toch maar komen, als je niet komt kan Atoe mai deï; o la mai ain la bele je voet niet genezen.

diak. Morgen gaat mijnheer naar Fialaran. Awan toewan saè Fialaran. Ga naar den fettor, zeg dat hij twee Oba fettor, kattak nia atoe fo koeda

paarden moet leveren.

roewa.

Kodi no.

Een voor u, een voor de barang.

Ida o saè, ida toela bahoak. Wat heeft de fettor gezegd ?

Fettor naäk sa? Morgen vroeg zullen de paarden komen. Awan sawan koeda atoe mai. Nu gaan we de barang klaar maken. Ita hadia sasa lai. Krijg drie baadjes en drie broeken. Masai faroe tolloe no faroe ain tolloe. Waar moet ik die indoen?

Atoe tau ba sa ?
Doe ze hier in.

Tau ba nèë.
Neemt mijnheer dit ding ook mee? Boeat neë toewan nodi no ka?
Dat neem ik ook mee.
Pas op, dat ding breekt licht.

Sintidoe, boeat neë nakroè maäs.
Maak ook den proviand maar terstond Bokaè môs hadia kedan deï.

klaar. Is alles reeds klaar?

Sasá hottoe hottoe tôk bele tián ka ? Alles is klaar.

Tôk bele tián. Bind het nu.

Hatali ba na; foetoe ba na. Het begint al licht te worden.

Rai naloewa na. Maak terstond het paard klaar.

Madia kedan koeda. Een beetje vlug, talm niet.

Lailais oda, ketta maleoer aan. Leg de barang van mijnheer op het paard. Toewan nian sasá toela ba na. Wat moet ik met dit ding aanvangen? Boeat nèë atoe halo noeoesa ? Wikkel het maar in uw kleed.

Faloen ba oon tais deï. Stijg op, we gaan.

Saè na, ita lao. Ga jij vooruit.

O lao oeloek. Waarom sta je stil ?

O marík ba sa ? De barang is niet goed gebonden, ik zal Bahoak foetoe la diak, haoe foetoe kadia hem goed binden.

lai. Bind hem stevig, dat hij niet valle. Foetoe halo kmeti, ketta monoe. De barang is ongelijk, hangt aan den Bahoak sala maloe, naer maloe.

eenen kant af. Aan den eenen kant is hij zwaar, aan Sorin baloe todan, sorin baloe kmaan.

den anderen kant licht. Neem dat eene pakje er af en leg dat Faloen kiïk ida nèë kassoe tia, miti dež.

maar vóór u op het paard. Is de barang nu in evenwicht of nog niet? Bahoak tetoek ona seï ? Hij is in evenwicht.

Tetoek ona. Goed, vooruit maar.

Sooïn tone na. Waarom sta je weer stil?

0 marík mikar ba sa ? Het paard wil drinken.

Koeda atoe nemoe. Goed, mijn paard wil misschien ook Sooïn, haoen koeda kala atoe nemoe no.

drinken. Zal ik het hoofdstel afnemen ?

Haoe atoe kassoe terreoe ?

La lika kassoe ferreoe.
Haoe kaan koeda la naró, la nóoek

nemoe.

Haoe atoe kemoe, lolo bottir mai. Bottir haoe la kodi fali haoe lað loewa.

't Is niet noodig het hoofdstel af te nemen. Mijn paard heeft geen dorst, het wil niet

drinken. Ik wil drinken, reik me de veldfesch aan. Ik heb de flesch niet meegenomen, ik heb

ze bij het weggaan vergeten. Is hier geen bron? Een beetje verder is een bron. Hier is de bron. Stijg af, schep water, breng het hier. Waar moet ik het in scheppen? Is er geen bamboe of een klapperdop ? Heb je een parang bij je? Ik heb er een bij me. Goed, kap een stuk bamboe, maak het

schoon en schep er water in. Gooi de bamboe niet weg, draag hem

We matan iha nèë la iba ka?
Soroek oda we matan iha.
We matan mak nèë.
O toen, koeroe we, modi mai.
Atoe koeroe ba sa ?
Au la iha, lale feloe kakoen ?
O modi taha ?
Haoe kodi.
Sooïn, o ta au rohan ida, hamos, hottoe

koeroe we ba.
Ketta soè au, o modi looi looi.

mee.

La lika hodi, nèëbá au mos iha.

't Is niet noodig hem mee te nemen, ginds

is ook bamboe. Wil mijnheer rusten of nog niet. Ik zou al willen rusten, maar er is geen

gras ; wat moet het paard eten? Allemaal droog gras, dat eet het paard

Toewan atoe nanawa ka seï ?
Haoe atoe kanawa na bè haè la iha,

koeda atoe na sa?
Haè mara missa; koeda na la diak.

niet graag:

Soroek oda ba haè matak iha.
Sooïn too ba lee hanawa.
Toö haè matak ba lee hanawa.

Wat verder is er versch gras.
Goed, als we daar zijn, zullen we rusten.
Als we bij het versche gras zijn, zullen

we rusten.
Neem het hoofdstel at.
Maak het zadel los.
Bind het paard aan dien boom.
Bind het in de schaduw.
Breng mijn proviand hier.
Maak het los.
Eet jij niet?
Ik heb geen proviand meegenomen.
Waarom niet?
Het paard is verzadigd.
Goed, maak het klaar.
Wind het touw om den nek van het paard.

Kassoe ferreoe.
Kore sella.
Kessi koeda ba ai nèë.
Kessi ba leon.
Modi haoen bokaè mai.
Kore tia.
O la ma?
Haoe la kodi bokaè.
O la modi ba sa ?
Koeda na bossoe tian.
Sooïn madia ba.
Kobar tali ba koeda kakorok.

« PreviousContinue »