Page images
PDF
EPUB

Sa emoa iha néëbá ?
Emma Maraè.
Sia toen tassi atoe halo sa ?
Atoe faän ai kamelin.
lha Fialaran ba mos no ai kamelinka?
Iha Fialaran ai kamelin moekit.
Nai toer iha neëbé?
Nai toer iha Lafoeli.
Toewan atoe nosi Lafoeli ka ?
Lale; boloe emma nèë.
Terik ba nia, nia atoe fô natènè ba nai,

awan atoe sakka haoe iha Lahoeroes.

man.

Wat zijn dat voor lui ginds ?
Dat zijn lui van Samak nen.
Waarom gaan zij naar beneden ?
Om sandelhout te verkoopen.
Is er in Fialaran ook sandelhout ?
In Fialaran is het sandelhout schaars.
Waar woont de radja?
De radja woont in Lafoeli.
Wil mijnheer over Lafoeli gaan?
Neen; roep

dien Zeg hem dat hij aan den radja laat weten,

dat hij morgen in Lahoeroes bij mij

moet komen. Heb je 't goed verstaan ? Ik heb het goed verstaan. We zijn er bijna. We zijn er. Neem de barang van het paard. Zet hem voorzichtig neer. Breng de paarden naar de bron. Als de paarden gedronken hebben, moet

je ze djagong en gras geven. Waar heb je de kisten neergezet? Hier mijnheer. Maak de touwen los. Breng de kisten in huis. Neem het goed er uit. Twee flesschen zijn gebroken, zij hebben

tegen elkaar gestooten. Je hebt ze niet goed ingepakt. Leg de baadjes in de kast. Er zit slik aan de schoenen, maak ze schoon. Mijnheer, ik vraag wat geld om sirih en

pinang te koopen. Hoeveel vraag je? Een halve gulden is genoeg. Ken jij den weg naar Asoe manoe? Ja mijnheer. Is Assoe manoe ver ? Niet ver, zooals van Lahoeroes naar Mata

Moroe, een beetje verder.

0 rona, diak ka lalé?
Haoe rona diak.
Ita nareïs tóð.
Ita tóð na, of: tóó ona, of: toð tián.
Kassoe bahoak.
Rai nainaik.
O modi koeda we matan ba.
Koeda nemoe tia, o atoe fô battar no

haè.
Keller o rai neëbé?
Nèë mai toewan.
Kore tali.
Hatama keller ba oema laran.
Hasai sasá.
Bottir roewa nakroè, toekoe maloe.

( mahida la diak.
Faroe tau ba lamari.
Kasso no taau, hamos tiá.
Toean haoe koesoe moerak oda atoe

sossa mamma. () moesoe hira? Baloen ida sooïn. Dalan ba Asoe manoe o maré ka ? Haoe karé toewan, of: hèë toewan. Asoe manoe kedôk ka? La kedôk; noeoe hosi Lahoeroes ba Mata

Moroe, kedok lioe oda.

Goed, we vertrekken terstond.

Sooïn ita lað kedan. Loop wat vlug, want het zal gaan re Lað lailais oda, te oedan atoe mai na, genen.

of: óna. Ginds regent het al.

Neëbá oedan óna.
Als wij vlug loopen, haalt de regen ons Ita lao lais oedan la toma ita.

niet in.
Deze weg is erg steil.

Dalan nèë lolon basoek. Een weinig verder is de weg vlak. Soroek oda ba, dalan fehan. Als we op den vlakken weg zijn, zullen To dalan fehan ba, ita atoe kalera we de paarden laten galoppeeren.

koeda. Als de paarden galoppeeren, zijn wij er Koeda nalai kalera ita la oras too.

terstond. Hoe heet die kampong daar?

Kenoea nèäba naran sa ? Die heet Ninloeli.

Naran Ninloeli.
Wij zijn al dicht bij.

Ita kreïs óna.
Tegenwoordig zijn de wegen zeer goed. Oras neë dalan diak lolos.
Waren de wegen vroeger niet goed ? Oeloek aan dalan la diak ka ?
Neen mijnheer, vroeger waren de wegen

Oeloek aan dalan la diak toewan; oeloek smal en zeer modderig, vervolgens aan dalan klôt, no taau klean; hottoe veel lage takken, men moest steeds ai kraik mak wain, lika hatoeoe nima bukken.

nimak. Vroeger moest men dikwijls afstijgen. Oeloek aan lika toen hosi koeda dala wain. Maar tegenwoordig hoeft men niet meer Mais oras nèë la lika toen ona horri

af te stijgen; van af beneden tot (of hosi) namon tôň Asoe manoe ba. Asoe manoe.

-

[blocks in formation]

HET VERHAAL VAN DEN GULZIGAARD.

IN HET

Tontemboansch, Sangireesch en Bare'e.
Tekst, vertaling en aanteekeningen uitgegeven door

J. ALB. T. SCHWARZ EN N. ADRIANI. (No. 42 van de „Tontemboansche Teksten, met vertaling en aanteekeningen

uitgegeven door J. Alb. T. Schwarz").

Het verhaal van den Gulzigaard, den vraatzieken jongen, die tot een buitengewoon sterken jongeling opgegroeid, door zijne ouders wordt verstooten, omdat zij hem niet langer kunnen onderhouden en die daarna de wijde wereld ingaat en allerlei avonturen beleeft, welke hem aanleiding geven proeven van buitengewone kracht af te leggen, waardoor hij ten slotte de hand eener koningsdochter verwerft en zijn schoonvader in de regeering opvolgt, is reeds in twee Toradja’sche (Bare'e-taal) en in drie Minahassische redacties medegedeeld in de Verh. van 't Bat. Gen. Dl. 55, le stuk. Aldaar is ook nog eene Loloda’sche redactie van dit verhaal gegeven, die aan den Heer M. J. van Baarda, zendeling-leeraar op Halmahera, is te danken en die eenigszins afwijkt van eene overlevering reeds in 1895 door hem gegeven in de Bijdr. Kon. Inst. bl. 263.

•Alleen van de Toradja'sche en de Galelareesche overleveringen van dit verhaal is de oorspronkelijke tekst met volledige vertaling gegeven. De andere lezingen zijn slechts in kort overzicht medegedeeld. Thans echter zal hier gegeven worden: tekst met vertaling en aanteekeningen van de Tontemboansche overlevering van dit verhaal, door den eerstgenoemde van ons opgeteekend in 1871, uit den mond van een Tontemboan te Sonděr, verder eene Sangireesche overlevering, waarvan de tekst is opgeteekend door Dr. K. G. F. STELLER, zendeling-leeraar te Manganitoe (Groot-Sangir), en nog twee Toradja'sche in de Bare'e-taal, door den laatstgenoemde van ons opgeteekend uit den mond van lieden uit Poe'oe mBoto, een landschap aan den Z.-oever van het Posso-meer.

Vooraf dient nog het een en ander te worden gezegd, ter vergelijking van deze lezingen met de reeds in de Bijdr. van het K. I. en de Verh. van 't Bat. Gen. bekend gemaakte. Beginnen wij met den Tontemboanschen tekst.

In de Tontemboansche overlevering tracht de Vader van den Gulzigaard

Verh. Bat. Gen. LVI, 3.

1

« PreviousContinue »