Page images
PDF
EPUB

van

hem tweemaal onder een boom te verpletteren. Beide keeren mislukt de toeleg, de Gulzigaard gaat met eenige teerkost op reis en ontmoet in het bosch dat hij doortrekt een zeer sterken man die T ě w 1-w a'ta ng heet, welke naam de beteekenis heeft van > Boomen-rooier". Van dezen Reus Fordt verteld dat hij bezig was visch te zoeken tusschen de steenen, wat in 't geheel niet met zijn naam overeenkomt. Eene vergelijking met de Tomboeloe'-sche overlevering (Verh. Bat. Gen. bovengen. bl. 21) doet zien, dat de Tontenboansche verteller hier heeft bekort en dat de » Boomenrooier" en de » Vischzoeker" twee verschillende personen zijn, met wie de Gulzigaard achtereenvolgens ontmoetingen heeft. Na de ontmoeting met Tě w u-wa't ang wordt die met si Sěr a'-tow »de Menscheneter" vermeld. Deze ontmoeting heeft in het Tomboeloe'-sche (t. a. p. bl. 23) en in het Bare'e-verhaal (t. a. pl. bl. 10 en 41) plaats, nadat de helden reeds de zee zijn overgestoken. Hier zal dus wellicht ook de Tontemboansche verteller van twee ontmoetingen ééne hebben gemaakt. In den verderen loop van 't verhaal wordt de Menscheneter si Ma w éris genoemd. Zie daarover de Aanteekeningen achter de vertaling van den Tontemboanschen tekst.

Nadat ook de Menscheneter is overwonnen en, evenals T ě w u-w a'tang. gedwongen den G. als slaaf te volgen, komen zij aan zee. Van den stam een grooten booni maken zij in weinig tijds een vaartuig, waarin zij de zee oversteken, tot dat zij aan een eiland komen, waar de G. terstond Tě wu-wa'ta ng met de dochter van den koning laat huwen. Hier valt opnieuw de kortheid der Tt, overlevering op te merken. De gewone gang van 't verhaal is, dat zij op zee een zeemonster tegenkomen, 't welk door den G. wordt doorgehakt en geheel of gedeeltelijk weggeslingerd. Het kreng valt neer

voor het huis van den Vorst van het land waar zij straks zullen aankomen en door het op te ruimen, wat niemand van de landzaten had kunnen doen, verwerft een der helden de hand der koningsdochter. Het weggeslingerde kreng valt elders neer, waar dezelfde gelegenheid is voor een tweede van den troep om met eene koningsdochter te trouwen. Zoo gaat het door, tot dat de G. alleen overblijft. Maar in de Tt. overlevering is er van het zeemonster geen sprake, evenmin als in de Verh. Bat. Gen. Dl. 55 bl. 24 vermelde.

Eene bizonderheid die de meeste overleveringen van dit verhaal hebben, ontbreekt ook hier niet: de G. plant een bloem of boom voor het huis van elk zijner achtergelaten makkers, die zal verwelken als hem eenig leed overkomt. Hierop moeten de makkers letten, om hem ter hulp te snellen.

Daarop volgt de strijd met den Grijpvogel, in dit verhaal kionggenaamd, die hier wordt voorgesteld als een monster met ijzeren tanden en vleugels en 12 koppen. In het verhaal van Sese n Taola zijn er zeven van die dieren, de laatste met 7 koppen. Gelijk in de meeste andere overleveringen, doodt hier de G. het monster, maar komt ook zelf in den strijd om; de achter

gelaten makkers zien de geplante struiken verflensen, komen hunnen aanvoerder te hulp en werken er toe mede om hem weer in het leven terug te roepen. Na dood geweest te zijn en weder levend te zijn geworden, is de held van 't verhaal verlost van zijne vraatzucht. Deze zonder twijfel echte trek van 't verhaal, die bijna geheel met de Torodja'sche voorstellingen overeenkomt, is door ons tot nog toe alleen in deze Tt. overlevering aangetroffen.

Nog eene andere belangrijke bizonderheid vermeldt deze Tt. lezing. De makkers, die de beenderen van hun gesneuvelden aanvoerder verzamelen, voegen deze aaneen en de Prinses baadt ze met rano la la. Dit rano la l'a of rano lala e is door een Tt. deskundige verklaard met rano ma’dios of rano ma ndio s. Volgens dezen zegsman zijn er twee stroomen, welker water bovennatuurlijke kracht heeft. R a no lala die naar het W. en R a no m a'dios die naar het 0. vloeit. Elk dier stroomen roept voortdurend zijn eigen naam uit, dus la la, lala, ma ndios (ma'dios), ma ndios. Nu worden in het verhaal van Sese n'Ta ola de dooden opgewekt, met water dat ilala, ilala roept (t. a. pl. bl. 12 en 50) en dus de eerste helft der Mohammedaansche geloofsbelijdenis uitspreekt, die in den mond der strandbewoners van de Tominibocht luidt: la ilaha ilala en door hen als een gewone uitroep van verwondering zéér druk wordt gebruikt. Men beweert dan ook dat het geheel synoniem is met o ine! of ine gee! »moeder! moederlief!" Vandaar dat onder deze lieden moilala beduidt » zijne verwondering uiten” en ilala »wonderbaarlijk"; men spreekt van ta na ilala, du a n g a ilala voor »een land, een schip met bizondere eigenschappen”.

Toch heeft waarschijnlijk de Mohammedaansche geloofsbelijdenis niet dan schijnbare overeenkomst met den naam van dit wonderwater. Een Bare'e verhaal, opgeteekend bij de To Pebato, toont aan dat u e talal a-l ala bij de Toradja's een bekende naam is voor tooverwater of wonderwater. De korte inhoud van 't verhaal is deze: Een man ligt te slapen en wordt door het spelen zijner zevens zoons gewekt. Hierover verstoord, gelast hij bun te gaan halen het Talal a-l a l a-water, in het land van Grootmoeder, ginds aan gene zijde der

De zoons gaan; na vele avonturen komt de jongste inderdaad bij de in de Toradja'sche verhalen traditioneele »Oude Vrouw”, die het wonderwater bewaakt. Hij hoorde inderdaad het talala-lala-water, dat steeds talalatalala-talala riep en zeide: Hier is het water dat wij zoeken." De Oude vrouw neemt den vermoeiden reiziger op, verzorgt hem, maar verbiedt hem uit een zeker venster te kijken. Als zij op zekeren dag haren tuin is gaan bewerken, kijkt hij uit dat venster en ziet het wonderwater, waarin zeven meisjes gaan baden, die als parkieten komen aangevlogen, hare vogelhuid als een pak kleeren uittrekken en zich dan als jonge meisjes vertoonen. Door hare vogelhuid weg te nemen, dwingt hij de Jongste hem als zijne vrouw te volgen; verder schept hij van het wonderwater in een bamboe en neemt het mee. Ja, zegt Parkietje

zee.

(het meisje), al hadt je ons water mee genomen en niet een van ons, dan zou het zijn geluid niet meer geven.” Thuis gekomen, biedt hij zijn vader het water aan, maar deze is verlegen om het aan te nemen. Daarop giet hij het wonderwater uit op het erf van 't huis dat hij met Parkietje gaat bewonen. na met haar getrouwd te zijn, en daar wordt het tot eene bron van wonderwater, waarbij zij steeds blijven wonen.

In het groote verhaal van Sese nTaola heeft dus de Mohammedaansche bewerker dit talala in ilala veranderd, om met het de Mohammedaansche geloofsbelijdenis in verband te kunnen brengen. Hetzelfde is gebeurd in eene andere Toradja'sche vertelling, het » Verhaal van Pondajole". Deze zoekt den weg naar den hemel en komt bij den Windenden Rotan, in de Toradja’sche verhalen een der vervoermiddelen voor menschen die ten hemel willen opstijgen. De Rotan ligt opgewonden op den grond; Ponda jole houdt zich aan het boveneinde vast, de Rotan ontplooit zijne windingen en strekt zich opwaarts, Pond ajole langzaam naar boven brengende. Zoo dikwijls als de Rotan naar ééne zijde overhelt, moet Pondajole hem aan dien kant met water besproeien. In de meeste verhalen is dit gewoon water, maar in het verhaal van Pond ajole heet het ue mola h ailala. Dit is zonder twijfel aar het Mohammedaansche la ilaha ilala ontleend, maar daar het eene nieuwigheid van den verteller is om dit water een naam te geven, kan het niet verwonderen dat hij dien naam aan de Mohammedanen ontleent.

Merkwaardig is het, dat het wonderwater in het Toradja'sche verhaal u e Talal a-l a la behalve met dezen naam, ook met dien van u e la mo a »goden-water" wordt genoemd, wat dus geheel overeenkomt met rano ma’dios of ma ndios van het Tontemboansch verhaal, daar het bestanddeel dios in deze benaming het Spaansche Dios » God" moet zijn.

Stroomend water heeft als »levend water" reeds van zelf levendmakende kracht, als veel zielestof bevattend. In vele Toradja'sche verhalen is besprenging met gewoon water voldoende om dooden op te wekken. De bizondere naam, gegeven aan dit water, is ontleend aan het klaterend geluid dat het maakt en waarmede het eveneens bewijst levenskracht te bezitten.

De gelijkheid in klank van dezen naam met een stuk van de Mohammedaansche geloofsbelijdenis bracht de Mohammedanen er van zelf toe om dien naam te wijzigen, te meer daar zij gewoon zijn het water te belezen om het geneeskrachtig te maken en dus van geneeskrachtig water van zelt denken dat het belezen is en de belangrijkste woorden uit de belezing zijn gemurmel herhaalt.

In één der twee Poe'oe mBoto'sche overleveringen heet de held Sese n Taola, evenals in het groote verhaal Verh. Bat. Gen. 55. Reeds terstond wordt ook zijne zuster genoemd en wel met denzelfden naam als in het groote verhaal: Gili m Pinebetu'e. Deze naam is Verh. Bat, Gen. 55, bl. 109,

r. 2 r. 1 v. 0. onjuist verklaard. De beteekenis is »zijde-stof met sterretjes bestikt".

De verteller heeft geheel vergeten dat Sese n Ta ola door zijne onverzadelijkheid zijne ouders ruïneerde en zij daarom trachtten hem om te brengen. Vandaar dat hij voor de aanslagen van zijn vader geen behoorlijke redenen weet op te geven. In plaats van Reuzen te overwinnen en hen tot slaven te maken, neemt hij zijne zes broers mede, die hij telkens hier en daar achterlaat; de zuster is thuis achtergebleven. Bij allen laat hij planten achter, die zullen verwelken als hij sterft. Als ten slotte al zijne broeders gehuwd en achtergebleven zijn, komt hij aan eene stad die door een Grijpvogel is uitgemoord ; hij vindt daar als eenig overgeblevene een meisje, dat zich in eene kist heeft verborgen en dat, evenals in het groote verhaal, Lemon Tonda heet. Bij het dooden van den vogel sneuvelt ook hij, de planten verwelken ; Gili m Pinebetu’e komt met alle broeders te hulp en schudt hem uit den doodslaap wakker: de broeders keeren terug, maar Gili m Pinebetu’e blijft bij Sesen Ta ola wonen, die met Lemo

Lemon Tonda huwt. Terwijl Sese n Ta ola voor langen tijd slaapt, komt Bangka - Rondo zijne vrouw rooven, die hij op dezelfde wijze weer terughaalt als in het groote verhaal.

In de andere overlevering, uit dezelfde streek afkomstig, heet de held » de Gulzige Jongen"; zéér in 't kort wordt het begin der geschiedenis verteld als in 't groote verhaal. Ook de geschiedenis met het zeemonster ontbreekt niet. Het verloop is geheel als in 't groote verhaal.

Telkens waar het kreng van de zeeslang wordt opgeruimd, blijven twee zijner makkers gehuwd achter. Ten slotte strijd met den Grijpvogel, huwelijk met het van dit monster bevrijde meisje, in 't leven terugbrengen van de bevolking der uitgemoorde stad en daarna een echt Toradja'sch slot: een sneltocht tegen zijne ouders die hem indertijd niet meer hebben willen voeden en hem hebben willen dooden. Hij velt zijn vader in een tweestrijd, slaat hem en zijne moeder het hoofd af en voert die hoofden in triomf mede.

Zooals in vele Toradja'sche verhalen, wordt ook hier verteld dat het hoofd van den vader telkens aan den zoon aanwijzingen geeft hoe hij moet doen om de gesnelde koppen naar den adat te behandelen. Ten slotte geeft de vader

wat de zoon moet doen om het sprekend hoofd voor goed te doen zwijgen; en daarmee eindigt het verhaal, dat nog besloten wordt met eene aansporing om uitsluitend bij de To Kinadoe, de erfvijanden der Bare'e-sprekers, die vooral veel met de dicht bij hen wonende To Poe'oe mBoto vechten, te

dan aan,

gaan snellen.

Ten slotte het Sangireesche verhaal. Dit vermeldt nog de bizonderheid dat de held van het verhaal slechts één span lang is en daarom den naam van Sěnda ngo' heeft. Zijne vraatzucht en zijne kracht zijn intusschen buitengewoon. De aanslagen van zijn vader op het leven van Sěndango' zijn in

het Sangireesche verhaal ook drieërlei; de tweede en derde, het trachten te verpletteren onder een steen en onder een boom, hebben ook de parallellen, de eerste aanslag is alleen aan het Sangireesche verhaal eigen. De vader heeft nl. een bamboestoel omgekapt en de onderste gedeelten der bamboestengels, die in den grond zijn blijven staan, aangepunt; daarop neemt hij zijn zoon op en werpt hem op die talrijke opstaande scherpe punten. Het ventje komt er echter ongedeerd af en brengt ten bewijze daarvan den geheelen bundel gekapte bamboestengels thuis. Nadat men het driemaal op zijn leven heeft toegelegd, gaat Sěndango' de wijde wereld in. Zijne kracht helpt hem om drie reuzen te overwinnen en hem tot zijne slaven te maken. Van dit punt af is het verhaal kort en onvolledig afverteld. De drie reuzen treden is het geheel niet meer op. Sěndan go' komt met zijne makkers van zelf is eene stad terecht, waar een groote visch ligt te rotten, die daar vanzelf is komen aandrijven. Door dien dooden visch met een krachtigen schop voor goed te verwijderen, wint Sěndango de hand der koningsdochter en wordt koning in haars vaders plaats.

Het Sangireesche verhaal is dus het minst volledige, daar het van 't gevecht met de Grijpvogels niets vermeldt en evenmin van het planten der boomen of struiken, die aan de achtergelatenen het teeken moeten geven dat hun aanvoerder hunne hulp noodig heeft. De bizonderheid dat de held van het verhaal slechts één span lang is, herinnert aan de figuur van Sangara ngan in de Tonbemboansche Teksten Nos. 39 en 40.

Thans volgen tekst, vertaling en aanteekeningen, eerst van het Tontemboansche, daarna van de beide Bare'e en ten slotte van het Sangireesche verhaal.

I. Tontemboansche tekst.
[Omtrent de spelling valt het volgende te zeggen:

Enclyticae die nimmer als afzonderlijke woorden voorkomen, zijn zonder aan de woorden gevoegd, zooals oka en kè' in siitu oka, siit u kë', doch woorden die ook afzonderlijk worden gebruikt, zijn met - aangehecht waar zij enclytisch zijn, bijv. itjatě ka'- mange, pa ka palun a- ma ko. De twee leden eener woordherhaling en die van de samengestelde bijnamen zijn door hetzelfde teeken aan elkaar verbonden. De apostrophe duidt de hamzah aan, het sterretje het elisie-teeken van de ě. Tusschen haakjes is geplaatst de ě, die niet anders is dan een tusschenklank, uitgesproken tusschen een woord met gesloten eindsyllabe en een daaraan gehecht suffix dat met een medeklinker begint, bv. in is usut (ě) n a == isusut + na, terwijl susutě na =susu tě n tna].

(No. 42.) Kukua au doro' i Tjombangan.

Sapaka si Tjombangan, ja anak e rua ambalesa, měngěnto-ngěnto' an do'kosa i Lombagi. Jawoja kěmualinape'-mai tow, sia ngaranano in Tjombangan.

Sapaka sia ja marae kakěli pěnganěn. A si tjatarenape' i nitjuman

[ocr errors]
« PreviousContinue »