Page images
PDF
EPUB

Toelichtingen.

Deze taal wordt, voor zooverre bekend, gesproken in het kustgebied, begrepen tusschen de Australische grens en de Koembě (Amběraukė-)rivier; men kan er zich echter mede verstaanbaar maken de geheele kust langs tot op Frederik Hendrik eiland.

De woordenlijst werd opgemaakt op verschillende tochten, en zooveel mogelijk telkenmale vergeleken en getoetst; de samenspraken werden opgeteekend naar gesprekken met en tusschen Inboorlingen.

Het samenstellen der nog zeer onvolledige woordenlijst vorderde veel tijd, aangezien in den beginne niets van deze taal bekend was, en er toen nog geen tolken waren; wellicht echter kunnen de opgeschreven woorden en uitdrukkingen als grondslag van eenigen dienst zijn voor meer bevoegden, die later deze taal bestudeeren, of voor hen, die haar noodig hebben in den omgang met de Inboorlingen.

Wat de uitspraak aangaat geldt:
a als aa in » haar".

ie als ie »hier".
à
dal".

i >blind".
e als ee
>>leed".

o als 00 >>loon".
è
» » pet”.

ò

>> hond”. » » bedillen”.

oe als oe »snoer”. De ai klinkt meest op 't eind iets langer (maha-i, spreek uit mahaa-i).

De r klinkt voor de ě of zij dubbel is (doerě, doerre; patoerė, patoerre), de s eveneens, behalve na ie (bòssě, roesse, misse, doch wiesě, miesē).

De g wordt uitgesproken als de Duitsche en de Fransche voor a en o. *)

a

i

e

[ocr errors]
[ocr errors]

e

*) Voorts moet nog worden opgemerkt, dat de lettergreep, waarop het hoofdaccent rust, is aangeduid door een kort streepje achter den klinker in die lettergreep. Bijv. wohá-nie, lichaam. In dit woord zijn dus o en a onvolkomen, i volkomen, terwijl het hoofdaccent valt op de voorlaatste lettergreep.

Omtrent enkele onduidelijkheden in de copie werden, bij afwezigheid uit Nederlandsch-Indië van den Bewerker, de noodige inlichtingen verkregen van den len Luitenant-Adjudant der Infanterie C. Schultz, welke officier gedurende twee en een half jaar te Maraukė vertoefde, en die zijne kennis van deze taal bereidwillig tot onze beschikking stelde. De Redactie was hierdoor in staat tot het geven van enkele verdere toelichtingen, welke men in voetnoten zal aantreffen.

Red.

A. Woordenlijst.

Mensch, O-nim.

Mond, Baba-. Goed mensch, Kà-i oni-m.

Lippen, Oetoe-p. Slecht mensch, Dò-m oni-m. Tong, Oenoe-m. Vija nd, Sò-k oni-m.)

Tand, Manggà-t. Buren, Morie-ndě oni-m.

Kin (onder k a a k?), Ete-. Menschen van verre, Mahoe-tě Baard, Hàsē. oni-m.

Snor, Oetoep à-sě. Menschen uit het oosten, Sěn Schouderblad, Toema-n. da-ri oni-m.

Wang, Hòrie-dě. Menschen uit

het westen,

Wenkbrauw, Kie-ndě poet. Moe-lie 2) oni-m.

Hals, lebà-nggě. Licha a m, Wöhà-nie.

Hart, Beka-i. Ongezond (b.v. zeer ma ger) Bu ik, Hàndà-m. licha a m, Dò-m wòhà-nie.

Navel, Dakoe-me. Sterk (mooi) lichaam, Ni-nggip Borst, Bi-rě. wòhà-nie.

Tepel, Boe-bě. 3) Hoofd, Pa.

Rug, Se-wtě. A angezicht, Nànie-.

Ruggestreng, Dapà-k(ke). 4) Oor, Kambie-t.

A r m, Moek sàngga-. Oog, Kie-nde.

Schouder, Gàgà-re. Huilen, Ievie-ně.

Achterste, Pangga-. Neus, Anggie-p.

Penis, Ovie-(ke).

1). Letterlijk: snij-mensch voor koppensneller. Dit woord wordt dan ook slechts gebezigd om inheemsche vijanden aan te duiden.

2). Daar in het klankstelsel van deze taal geen 1 voorkomt, ten rechte moe-rie., wat dan ook de naam is van een straat in het westen van de vestiging. Zoo wordt bijv. het Mal. „kapal” overgenomen als „kapar" (i. pl. v. javoe-n). Naar uit de onderwerpelijke proeve van deze taal valt af te leiden, zou het klankstelsel zijn te systematiseeren als volgt:

Klinkers: a, e, i en 0 (alle volkomen en onvolkomen); oe; ě ài, àu (uit aj en aw); aai (hier gespeld ai); oi; oei. Medeklinkers: k, g, (N. B. de Mal.-Pol., niet de Hollandsche), ng. h; ch (?).

t, d, n, s (scherp), z (zacht, als de Hollandscbe);
p, b, m, v (als de Hollandsche), f. w;

j, r.
3). Vandaar voor „vrouw” ook de benaming boe-btie.

4). Niet slechts aan de enkele in de lijst daarmede voorziene woorden. doch ook aan alle andere substantieven kan het enclitische kë worden gehecht, dat niet veel meer dan ons lidwoord (bepaald of van onbepaaldheid) schijnt te beteekenen. Zooals uit de „Gesprekken” blijken zal, komt het ook bij andere naamwoordelijke rededeelen voor, zooals bij veel" otie-vekë; „ik, wij; mijn, ons" no-kkė; „die! dáár!" epete-ke; „niet“ mba-ke enz.

Red.

Vagine, Pè-rě.

Kind, Papoe-s. Been, Wabtagoe-.

Klein meisje, Kieva-sòm. Dij, Wà-bě.

Groot meisje (ma ag d), Wahoe-koe. Voet, Tagoe-.

Verloofd meisje, Kieva-sòm iewò-gě. Knie, Mie-ge.

Volwassen vrouw, lewò-gě, iewå-gě. Kuit, Kana

O u de vrouw, Mi-s iewò-gě. Elleboog, Kaha-ndě.

K n a a pje, Patoe-rě (Patoe-rkė). 3) Oksel, Hà-bě.

Jongen, Moe-kràvie-de. Hand, Sangga-.

Jongeling, Ewà-tie. Midden vingers, le-n sàngga-. Verloofde jongeling, Miakie-n. Pink, Sare

Volwassen man, die het toeDuim, Mietie-dě.

zicht houdt op de jongens, Nagel, Ietie-re.

Otievelie-ke. Pols, Sàkie-k.

Man, in de kracht des levens, Been (gebeente), Aja-n.

No- oni-m àmna-ngga. Bloed, Do

Vader, Eva-i (spreek uit evaa-i.) Vleesch, Moe-i.

Moeder, Aně, avoe-, wà.
Huid, Pò-re, pà-rě, poe-re.

Van
kleinsaf sa men

op gePees, Tràgie

groeid, Ga ie-se. Haar, Roe-rě.

Hij

ik zijn sa men opgeHoofd ha a r, Båva-.

groeid, E-pě nòk ga ie-ske. Kangaro e-vleesch, Moe-i sàha-m. ?) De oudste, Maha-i oni-m.

been, Aja-n 1) Middelste, Ie-n oni-m.
haar,

Roe-re - 1) Jongste, Hè-se oni-m.
A dem, Begahò.

(Eigen) kind, Metò-k. G a pen, Ohåvdě.

Kinderen, van één gezin, Wanà-ngga. Z weet, Enahoe-i.

Zoontje, Nòk anà-mbě patoe-rě. 4) Speeksel, Kase-.

Dochtertje, Nòk anà-mbě kieva-som. 4) Man, Amnà-ngga.

Voorouders, Màndie-n oni-m. Vrouw, Boe-btie, Sa-vě, Iesoe-s(?). Nieuwelingen, (pas a a n geW. Kangar oe, Sàha-m boe-btie. 2) komen stam), Nama re-koni-m.

en

1). Zooals uit talrijke voorbeelden blijkt, gaat'in samenstellingen het bepalende woord aan het bepaalde vooraf. Wij zouden daarom geneigd zijn, cfm. den heer Schultz, aan te nemen, dat hier eene verschrijving heeft plaats gehad, en gelezen moet worden: såha-m moe-i; såha-m aja-n; sàha-m roe-ré.

Tot adstructie van het bovenstaande kan bijv. gewezen worden op: kie-ndě poet (lett. oogharen) voor „wenkbrauw”, só-k oni-m (lett. snij-menschen) voor „Inl.) vijand", basie-k oni-m (lett. varken-mensch) voor „flinke kerel" en såha-m oni-m (lett. kangoeroe-mensch) voor „lafaard”.

2). Wordt betwijfeld.
3). Vgl. noot (4) op pag. 4.

4). Met nok, het pers. en bez. voornaamw, van den len persoon, geconstrueerd, zal dit zeker wel beduiden: „mijn zoontje” „mijn dochtertje".

Red.

den rug

Vriend, Namie-t kế. 1)

De man is al opgestaan, 0Broeder, Namie-ke.

nim e-pe mi-ndàb watie-n. Zuster, Namoe-ke.

Sta op! Awatie-n, akwatie-n! 4). Jongere Broeder, Hèsě namie-ke, Word wakker! Atiemie-n! 4). (namie-kě hèsě onim).

Loop en, Mi-nggě, me-nggě. Oudere Broeder, Maha-i namie-ke. Vèr loopen, Mahoe-tě mi-nggě. Schoonzoon, Naba- ?

Liggen, Noe (lange oe; noeë). Zwager, Mànda-?

ор

Se-wtě noe. (Mijn) man (echtgenoot), (Nòk

op den buik, Hàndà-m noe. anà-mbě) nàsà-m, àsa-m.

op de zijd e, Ambà-m noe. (M ij n) vrouw (echtgenoot), (Nòk Zitten, Ambie-dě, bàkana-vě! anà-mbě) oesoe-m.

Ga zitten! Abàmbie-dě, akwambie-de! 4) Na a m, legie-se.

Sluipen (op handen en voeten), Hoe heet gij? Tò (Te) kàsàpwò Ròrò-s ē. iegie-sě. ?)

Voetsporen, Iesà-se. Hoe heet dat dorp? Miera-vě e-pe Dragen, (p i k o elen), Vieke-vě. tò kàsa-p (iegie-së).

(onder den arm), Tanie-n. Voedsel, Tamoe-.

(met band om 't hoofd), Water, Daka-.

Voeï, sienie-k. Eten, Tamoe- abie-m (ahie-ěm) Dragen in de hand), Hànie-ze. Drinken, Daka- ahie-m (ahie-ěm). B a d e n, Oedoe-ge, hona-dde. Slikken, Kowà-ddě.

Zwemmen, duiken, Kòsà-n. Wati (3) (bedwelmend middel) Die is naar den overkant gebruiken, Wà-tie kowà-dde.

gezwommen, O-nim

e-pe

mi-ndab Dronken, (bed welmd door kosa-n ra miet. 6) wa ti), Wà-tie dahie-bě.

Spreken, Mehà-n.
Slapen, Noe (lange oe; Noeě). Zeg a a n, Mehà-n awahie-m.
Sta a n, Watie-n.

Samen spreken, overleggen, Opstaan (uit den slaap), Tiemie-n.

Mehà-n ra. De man is (a l) wakker gewo r

Een andere taal spreken, Hoden, O-nim e-pe mi-ndàb tiemie-n. rà-k meha-n.

1). Ook wel kà-j(a) oni-m, lett. goed-mensch.
2). Ook: legie-së tò kåsà-p.

3). Dit schijnt een struik te zijn, waarvan de schors gekauwd wordt. De voorkauwer (s.v.v.) spuwt het kauwsel in een halven klapperdop, waarna deze den kring rondgaat voor verder gebruik.

4). Als imperatief-exponent treedt op een gepraefixeerde a. en soms daarnaast nog een suffix im, en dit, blijkens de voorbeelden, zoowel bij den subjectieven (intransitieven) als bij den objectieven imperatief. De heer Schultz kon geene nadere inlichtingen verstrekken, welke tot het vinden van een bepaalden regel zonden kunnen leiden. Men moge dus volstaan met de aandacht te vestigen op enkele voorbeelden als: dàka- arowa-de = gooi er water op! a-ogibi-m o-nim e-pe = begraaf dien man! a-iedie-im = kijk uit! do-ndě akamă-n = breng touw! ahasie-de bàsie-k = bindt 't varken! a-eha-k papi-s bàsie-kē ehe- = maak dit varkentje los!

5). „Ra miet“ schijnt letterlijk te beteekenen: „den overkant gegaan". Evenzoo: ik ga naar Kombě = nok kombě miet; naar den tuin gaan = maraukė miet.

Red.

« PreviousContinue »