Page images
PDF
EPUB
[blocks in formation]

Toelichting.

De Sasak is vaak onduidelijk bij het uitspreken der woorden. Verwisseling van letters, vooral klinkers, komt daarom herhaaldelijk voor, t. w.: van i en is, is en é, é en è, é en és, és en ès, o en ò, van de hamzah [aloewă] en de k.

De voorvoegsels tot vorming van werkwoorden, worden dikwijls, in welk zinsverband ook, weggelaten ; waar die dus ongebruikelijk zijn, bleven ze ook in deze lijst achterwege.

De toonlooze e a zijn weergegeven door ě en ă ; een dezer beide toonlooze klinkers zou dus bij de transcriptie kunnen vervallen ; wegens analogie in de schrijfwijze van aanverwante talen is dit echter niet geschied.

De overgangsletters j en u worden gewoonlijk gebruikt, maar somwijlen ook weggelaten ; men hoort zoowel dowang als loang, balėjan als béséang, enz.

en

NEDERLANDSCH-SASAKSCH.

(Prajaasch dialect).

Aal.

Lidoeng, toeni. Aalmoes.

Awon awon. Aan.

Odjök, lés. Aandeel.

Pijakan, poelihan. Aandoen, aangaan.

Njèmpang. Aangenaam rieken, geurig.

Sčngeh. Aangezicht.

Mocwă. Aanhooren.

(De)déngahang, mirčngang. Aankleeden, aantrekken.

Ngěngadoe, ngěngawih. Aankomen.

Dateng, rawoeh. Aankijken.

Ngòngò , njěrěp. Aannemen,

Nérimă, nampi, nanggép. Aansteken.

Vuur -: njedoel.

Van eene ziekte = besmettelijk: lòntos. Aantal.

Tjatjahan. Aantoonen.

Merélos, ngaloerin. Aantrekken (zich een zaak niet willen-) Endės ngěroengoe (synoniem met Mal.

lida - perdoeli); 't kan me niet schelen

= akoe endės roengoe. Aantijging.

Pitěnah, pisoenă. Aanvangen.

Němbé s, ngawit, nipa S. Аар.

Godek. Aardappel.

Sabrang. Aardbeving

Lindoer. Aardbol.

Goemi. Aarde, grond.

Tana S, eetbare -: tana - kaken. Aardig, mooi, lief.

Manis, bagoes, solah. Aardknol.

Ambòn ( = Mal. oebi.) Aardnoot.

Katjang (= Jav. katjang tanah).

[ocr errors]

Aars.
Aars uitzakking, ook aambeien.
Acht.

78 =

Achter.

Achterhalen, achteropkomen.

Achterwaarts gaan.
Acht geven, zorgdragen.
Adellijk.

Boewil, lowang bocuit.
Berol.
Balocs: 18 = baloc - olas: 28 = baloe -

likoer, 38 těloeng dasă baloe s; 48 = pelang dasů baloe of pelang pocloe baloes: 58 = séket baloes: 68 = něm dasă baloe- of empoeloe baloes;

= piloeng dasă balocs of piloes poeloe baloe: 88 =

= baloes poeloe balocs 98 = siwas pocloe baloes; 80 = baloes pocloe: 800 = domas ; 8000 baloes Inli of baloes joe. 80000 baloes laksii. Moedi, mocri; naar achteren gaan - bi

mocdi, bémocri. Om terug te laten keeren : loeloel : bijvb.

om iets te geven wat vergeten was:

palis Socroci. Mélingas Monal, prérangsi. Niet adellijk = kawoelă. Embok, ademen = bérčmbok. Alamal, ljiri. Entoen; neerlaten: íntoenang. llih; is iemand aan de pokken gestorven

dan bezigt men ook dit woord ilih : mijú ocwah ilih. l'édoua , kómalis, lélaloe. Méndakin. Nétuk: aftoppen van een boom= bēronggi. Bodak, Silapoes Mesas (d. i. in eigen persoon). Selac (na), săngon ~ (n). Séndéman d. i. sa-čnde' s-man Bódjawab, nonto, nimbal. Rari, miskin. Bélék. Teken imó, enkelring = teken naé. Anock

Adem.
Adres.
Afdalen.
Afdrijven met den stroom).

Afgodsbeeld.
Afhalen, tegemoet gaan.
Afkappen, afhakken.
Albino.
Alle
Alleen, zelf.
Altijd.
Alvorens, vóórdat.
Antwoorden.
Arm (niet rijk).
Arm (lichaamsdeel).
Armband, armring.
Asch.

Ayond.

Baadje.

>>

Baard.
Baden.
Bamboe.
Bank.
Baren, bevallen.
Barst in glaswerk.

Bedaard. Bediende. Bedreigen. Bedriegen. Begaan.

Van 5—7 uur: bijan; van 7—12 uur:

pélëng; van 12—3 uur: lingsir, simpir; van 3—5 uur: 's morgens = parek

menah; 's avonds = komalēm; Klambi (in 't algemeen); kort mannenbaadje met mouwen: langkong;

zonder »

ljantis; » vrouwenbaadje zonder >>

lamboeng ; Lang

met klambi bélo, Rerek. Mandir. Téréng. Koed, koedá. Nganak. Rétes, is er een stuk uit het glaswerk

dan noemt men het: djombèng of ritas. Sabar. Panakan. Ngadjat. Ngapoes ; bedrieger = pongapoes. Een weg – = němpoch, ngělanganin.

Die weg is niet begaanbaar = langan

séno čndes baoc tólėmpoch. Bowos. Ejal. Beneden de knie: nae tjokor; boven de

knie: impoeng.
Tolang.
Lülir.
Biroeuang.
Némbis, ngawit, nipas.
Ngocboer, begraafplaats = pěkocbocran,

mokam (voornaam).
Móngủ, nghi.
Ngakoe.
Oepěli, padjek.
Tertip.
Sómajú; beloven = bósómajă.
Angén.
Li bawas, bawas
Dérés.

Bedwelmd, beneveld, dronken. Beek.

Been.

Beenderen, bot.
Beenmerg.
Beer.
Beginnen, aanvangen.
Begraven.

Regrijpen, vatten.
Bekennen.
Belasting.
Beleefd.
Belofte.
Beminnen, liefhebben.
Beneden.
Benedenstrooms.

« PreviousContinue »