Page images
PDF
EPUB

Khwej Sing is dus, zooals een oppervlakkige blik op een sterrenkaart doet zien, de onafscheidelijke wachter en satelliet van Wun Tsjhang aan den hemel : van daar dat het volk dan ook gewoonlijk zijn beeld naast dat van dien Hoofdgod plaatst. Men stelt hem meestal voor als een man met een afzichtelijk uiterlijk: trouwens, hij heeft zulks aan zijne hoedanigheid van · spook van den Grooten Beer te danken. Op het hoofd draagt hij twee uitwassen in den vorm van horens en in de rechterhand, die hij boven het hoofd houdt uitgestrekt, een schrijfpenseel als zinnebeeld van zijne waardigheid van God der Letterkunde. In de uitgestoken linkerhand draagt hij de onderscheidingskap, welke de examinandus, die op het staatsexamen het hoogste rangnummer heeft behaald, gerechtigd is te dragen, of ook wel een stuk zilver, ter aanduiding dat de pen — of bij de Chineezen het penseel — ook materiëelen voorspoed aanbrengt.

Aan deze zinnebeeldige voorstelling knoopen de vereerders van den afgod een devies vast van tweeledige beteekenis, evenals de Chineezen ten opzichte van hunnen Oorlogsgod Kwan Ti hebben gedaan (vide bladz. 96). Piet ting tsjhoet sien (50). „ het penseel en de zilverstaaf steken hem uit het lichaam”, zeggen zij, doch dezelfde volzin, hoewel anders (51) geschreven, beteekent ook: wstellig en zeker zal men uitsteken”, nl. in de wetenschap en in de ambtenaarswereld. Om nu op de beschrijving van het afgodsbeeld terug te komen : Khwej Sing wordt altijd voorgesteld in staande houding, met den eenen voet opgetrokken en naar achter gestoken, terwijl de andere rust op een voorwerp in den vorm van een schepel: het zinnebeeld zijner waardigheid van godheid van den Grooten Beer. Is zijn beeldtenis echter op den muur of op papier geschilderd, dan is die schepel dikwerf nevens of boven hem afgebeeld in een kring van zeven stippen, die de zeven sterren van den Beer voorstellen

De officiëele heiligverklaring van Khwej Sing had plaats in het jaar 1314 onder Keizer Zjun Tsoeng (5 2) van de Juen (53) dynastie. Evenals van andere goden vertelt men ook van hem dat hij nu en dan op aarde vertoefde, en zijn intrek nam tijden aan te geven en te regelen. Een hemelglobe met beweegbare polen kan het doen zien hoe, ongeveer 5000 jaren geleden, gedurende het lentejaargetijde de staart des avonds naar het Oosten wees, in den loop van den zomer naar het Zuiden, in den herfst naar het Westen en in den winter naar het Noorden. Dat dit astronomisch verschijnsel den ouden Chineezen niet is ontgaan, blijkt uit het feit dat het is geboekstaafd in het werk van Hloh Kwan Tsze ube F , d. i. «den wijsgeer met de kap van fazantenvederen”, wiens naam onbekend is, doch die een viertal eeuwen vóór Christus leefde. De Groote Beer, of liever gezegd de geest Khwej, die hem bewoonde, wees dus van uit zijn hoogen troon in de Pool des hemels als met den ringer de jaarjaargetijden aan; — hij regelde daardoor de functiën des Hemels en met deze de voortbrenging of de functiën der Aarde, regeerde en bestierde bijgevolg het gansche Heelal met den mensch, die aan hetzelve zoo in den volsten zin des woords onderworpen is, incluis : men bestempelde hem dus wellicht toen met den naam van regelaar, hoofd (van het Heelal), eene beteekenis die tot heden toe aan het karakter gehecht gebleven is.

( (59) 41 銳出身() 必定出身,
(69) E 宗(1) 元,

[ocr errors][ocr errors]

in mannen van geleerdheid, naam

en faam.

Eens zou hem, toen hij op een van zulke uitstapjes op de staatsexamens den hoogsten graad, dien van Han Lin (54) had behaald, door den Keizer en de Keizerin, op grond van zijn afzichtelijk uiterlijk, de gouden bloem geweigerd zijn, die hem als zoodanig toekwam. Uit wanhoop wierp hij zich in het water, doch werd voor verdrinken bewaard door een Ngao (55) d. i. een denkbeeldig zeemonster dat hem uit het water lichtte en aldus gelegenheid gaf op eenmaal ten hemel te stijgen. Dit verklaart wellicht de zwevende houding, waarin hij gewoonlijk wordt voorgesteld. Men ziet tegenwoordig ook wel afbeeldsels van den afgod waarin hij niet een schepel, maar den kop van het zeemonster onder den voet heeft.

Hoewel Khwej Sing onder de Goden van de Letterkunde eigenlijk een ondergeschikten rang bekleedt en slechts een vierde plaats inneemt, zoo wordt toch in de werkelijkheid van zijne vereering het meeste werk gemaakt, ja, zelfs stelt men te Emoy den dienst van Wun Tsjhang bij den zijnen feitelijk op den achtergrond. Weinig Confucianistische tempels zal men vinden, en weinig plaatsen aantreffen waar staatsexamens worden afgenomen, waar niet een pagode met zijn beeld te zijner eere is opgericht (56); ja geen school kan men binnentreden, of geen huis bezoeken waarvan een bewoner op het lidmaatschap van de klasse der geletterden aanspraak maakt , zonder dat het oog valt op de beeldtenis van den afgod uit hout, kalk of steen vervaardigd, of ook wel geschilderd aan den wand. Zeer dikwijls echter vervangt een rood papier, waarop het letterteeken Khwej geschreven is en voor hetwelk iederen avond wierookstokjes en kaarsen worden gebrand, de plaats van beeld of portret. Bij ijverige vereerders en bewonderaars van Confucius - en allen die zich met studie bezig houden, zijn zulks zonder onderscheid -- ziet men boven of naast dat papier nog dikwerf een tweede aangeplakt, waarop te lezen staat: ”zetel van de ziel van den wijzen philosoof Confucius” (57) of rzetel van de ziel van den grootelijks volmaakten wijze der wijzen, onzen afgestorvenen meester den wijsgeer Confucius” (58) of eenig ander opschrift van dergelijk allooi. Zulke papieren nemen als het ware de plaats in van de tabletten, die men ter vereering van zijne afgestorven ouders opricht, en in dit werk op bladz. 12 en volg. zijn beschreven. 's Avonds wordt voor de Confucianistische opschriften eveneens wierook gebrand en kaarslicht ontstoken.

De voornaamste feestdag, die ter eere van Khwej Sing of Khoi-Sing-Kong te Emoy wordt gevierd, valt op den 9den van de negende maand, en wordt met de

(*) 幹林(**) Dit is een fabelachtige schildpad, die een groote rol in de Taoistische mythologie vervult. Eens, zegt men, voerde het dier het geheele eiland Phung-Lai

weg, dat met de beide eilanden, die wij in s 3 hebben beschreven, en nog verscheidene andere in den Grooten Oceaan door Genii werd bewoond, en tot vele speculaties en wonderverhalen aanleiding gaf. (6) Zulk een pagode heet te Emoy Khoi-Sing laó idi. utoren van Khwej

聖夫子神位(*) 大成至聖先師 孔夫子神位,

蓬萊

Sing.” () FL

offerande herdacht die wij in het Besluit" van deze verbandeling zullen bespreken. De literarische spelen en andere plechtigheden, waarmede die offerande gaat gepaard , zal men onder den desbetreffenden datum verhandeld vinden.

§ 5.

DE ROOD ROK.

Deze vijfde God der Letterkunde is niet astronomisch zooals Wun Tsjhang en Khwej Sing, noch historisch zooals de Wijsgeer Kwan, noch half-historisch halffabelachtig zooals de Patriarch Lu, maar geheel en al denkbeeldig , en blijkbaar uitgebroeid in de verbeelding der literatoren. Hij draagt noch naam noch titel, maar is te Emoy slechts bekend onder den bijnaam Tsoe-I (59) d. i. „Roodrok.” Ziehier de legende, die gewoonlijk wordt opgedischt wanneer men naar den oorsprong van zijnen dienst en zijne vereering vraagt. Een provinciale examinator, wiens naam niet wordt genoemd, was bezig opstellen te keuren die op het juist afgeloopen staatsexamen waren vervaardigd. Hij legde er een op zijde als onwaardig om in aanmerking te komen, doch het papier bewoog zich als door een onzichtbare hand en kwam van zelf vóór hem op de tafel te liggen. Toen hij het daarna wat nauwlettender beschouwde, ontwaarde zijn oog plotseling een oud, eerwaardig man met langen baard, die met vuurroode kleederen aan achter den haard was gezeten en hem met een ernstig gelaat toeknikte, als om te kennen te geven dat het opstel gerust kon worden goedgekeurd. De examinator scheen de bedoeling van dit hoofdknikken te begrijpen en richtte tot den grijsaard in dien zin een vraag: -- de oude ma

de oude man knikte toen op nieuw en verdween. Het behoeft wel niet gezegd te worden dat de examinator dezen wenk van hoogerhand ter harte nam. Hij liet den bewusten kandidaat er door, en sinds dien tijd wordt de Roodrok bijzonder vereerd door elkeen die niet te vast in zijne schoenen staat en door het examen denkt heen te rollen. Hij is aldus de patroon van whet boffen” geworden en heeft geboorte gegeven aan het volksgezegde: Tsoe-I àam thiềm thaố (6): „de Roodrok heeft stilletjes met het hoofd geknikt," hetgeen beteekent: „de examinandus heeft geboft en is onverdiend er door gerold."

BESLUIT.

Het vijftal godheden, waarvan in de bovenstaande regelen eene beschrijving gegeven is, vindt men, zooals wij reeds hier en daar hebben aangestipt, op alle plaatsen die aan de beoefening der wetenschap, of wat daarmede in verband staat, zijn gewijd. Ook treft men ze òf gezamenlijk, òf ten getale van een of meer, aan in de huizen van gegradueerden en bij kandidaten naar een graad, terwijl zij ook in de scholen nergens ontbreken. Op den 3den dag van de tweede maand, dien wij nu behandelen

(*) 朱衣()朱衣 暗點頭,

en die als het eigenlijke jaarfeest van den Hoofdgod Wun Tsjhang wordt aangemerkt; op den 13den van de eerste en den 13den van de vijfde maand die, zooals wij op bladz. 97 hebben gezien, de hoofdfeestdagen zijn van den tweeden God der Letterkunde, den Wijsgeer Kwan; verder op den 9den van de negende maand, waarop het jaarfeest valt van Kwej Sing, en eindelijk op den 5den van de vijfde, den 7den van de zevende en den 15den van de achtste maand: op al die dagen wordt door vele vereerders der Literatuurgoden een offerande gebracht van suikerwaren met kaarsen, goudpapier en wierook. Het zal niet noodig zijn hier bij te voegen dat echter niet iedereen al die offerdagen viert, maar menigeen zich tot een, twee of meer ervan bepaalt:

geheel en al in overeenstemming met betrekkelijken rijkdom en devotie, die twee groote factoren, die ook de kwaliteit en kwantiteit der offerwaren regelen. Sommigen brengen zelfs een groote vleeschofferande op die dagen. Schoolkinderen genieten op de feesten der Literatuurgoden in den regel een vrijen dag. Zij brengen eenig geld, in een rood papiertje gewikkeld, mede voor den meester, en bieden hem dat bij wijze van douceurtje aan in gekuielde houding en na eerst het voorhoofd eenige malen tegen den grond geslagen te hebben.

[merged small][ocr errors][ocr errors][ocr errors]

TWEEDE MAAND, NEGENTIENDE DAG.

FEESTDAG VAN KWAN JIN, DE GODIN DER GENADE.

Kwan Jin en de Maagd Maria. Eenige punten van gelijkenis tusschen Boeddhisme en Katholicisme. Verschillende namen en titels van Kwan Jin.

Kenmerkende eigenschappen van het Boeddhisme en zijne godheden. Het Boeddhisme is metaphysisch en het Taoisme materialistisch. Kenmerkende eigenschappen van de Taoistische godheden. Het Katholicisme is eene mengeling van Boeddhisme, Taoisme en Confucianisme. Kwan Jin 's plaats in het noordelijk Boeddhisme als Avalokites’vara.

Verdeeling van het Boeddhisme in een noordelijken en een zuidelijken tak. De godin Miao Sjen der Chineezen saamgesmolten met Avalokites'vara. Tweeledig geslacht van Kwan Jin. Legendarisch verhaal omtrent Miao Sjen. Begrippen der Chineesche Boeddhisten omtrent hel en hemel. Het Paradijs van het Westen; Jama, de Hellegod.

Het eilai:d Phoe-Tho. De Drakenkoning der zeeën: de Neptunus der Chineezen.

Afbeeldsels van Kwan Jin. De groote Phing togel. Offerdagen, offeranden en vastedagen ter eere van Kwan Jin. Zij is de schutsgodin der publieke vrouwen.

[ocr errors]

In deze godheid, die in China algemeen als de hoogste van het Boeddhistische Pantheon staat aangeschreven en in dat uitgestrekte Rijk het meest van alle vreemde goden en godinnen wordt vereerd, hebben sommige Europeesche schrijvers de parallel van de Maagd Maria der Christenen willen zien. Meermalen heeft zij sterk de aandacht van Europeanen getrokken en zijn speculaties gemaakt geworden om te bewijzen, dat de beide hoofdpersonen in de twee verschillende wereldsekten slechts twee vormen vertegenwoordigen van hetzelfde begrip: genade. Veel verwondering kan het wel niet baren dat men zulk een overeenkomst heeft trachten, heeft willen ontdekken tusschen de voornaamste heiligen van twee godsdienststelsels, die reeds in andere opzichten zoo verbazend veel gelijkenis vertoonen, zóó zelfs, dat het vermoeden wel eens is geopperd geworden dat het Christendom een kind van het duizend jaren oudere Boeddhisme wezen zou. Laten wij in het voorbijgaan op enkele punten van overeenkomst wijzen. Beide sekten prediken het ascetisch leven. Hare helden en heiligen zijn niet immer degenen die zich wijdden aan het geluk hunner medemenschen, of hun leven opofferden ter wille van den naaste, die meer dan eenig God of ander bovennatuurlijk wezen toewijding behoeft: wèl daarentegen die welke zich afsloten in de kloosters, en door coelibaat,

« PreviousContinue »