Page images
PDF
EPUB

Ook Kwan Jin is een product van die noordelijke school en als zoodanig volkomen onbekend ten Zuiden van Nepal. Zuidelijk Boeddhisme noch Brahmanisme maken melding van haar dienst, en ook geen enkele Soetra of Boeddhistische Canon van het Noorden van vóór de derde eeuw vóór Christus spreekt van haar. Het is eerst de Saddharma Poendarika , d. i. „de Lotus van de ware Wet”, een van de

negen Dharma's of canonieke boeken van Nepal, die een hoofdstuk aan Avalokites'vara wijdt. Als afzonderlijk werk uitgegeven is hetzelve thans nog de voornaamste Canon van de vereerders van Kwan Jin. Het was eindelijk de maháyána of de zoogenaamde Groote-Ontwikkelingsschool (18) van het Noorden, die Avalokites'vara als de verpersoonlijking van het denkbeeld Genade en Barmhartigheid vereenzelvigde met Mandjoes 'ri of Mandjoes vara , een beroemd Bôdhisattva omtrent wiens oorsprong en geschiedenis weinig met zekerheid te zeggen valt. Ilij was een der verpersoonlijkingen van de wijsheid en de weldadigheid, en droeg daarom den titel van „Vorst van de leer met duizend armen en duizend aaimoezenbakjes (19)", als wilde men te kennen geven dat Boeddha's leer der wijsheid allerwege als met duizenden armen om zich grijpt en overal gelegenheid geeft zich verdiensten te verwerven door wel te doen. Hierin is wellicht de verklaring gelegen waarom Avalokites’vara thans nog dikwijls wordt afgebeeld met drie aangezichten, of ook wel met elf in drie afdeelingen verdeeld, en waaraan hij den titel van is’vara , vorst, te danken heeft. Hij ontleende namelijk die attributen aan Mandjoes'vara. Nog met meerdere goden en godinnen werd hij in den loop der tijden en in verschillende rijken en landstreken verward, maar dat alles na te gaan zou ons te ver voeren; het zij genoeg dat wij, na in het kort den Indischen oorsprong van Kwan Jin te hebben nagegaan, hieronder nog de geschiedenis geven van eene andere godheid waarmede Avalokites vara vereenzelvigd werd, en die, naar het schijnt, reeds op Chineeschen bodem tierde alvorens het Boeddhisme aldaar werd ingevoerd.

In de mythologie der Indiërs heeft Avalokites'vara uitsluitend mannelijke attributen, terwijl de Chineezen bijna zonder uitzondering op Kwan Jin als op eene vrouwelijke godheid nederzien. Het is waar dat sommige benamingen, die zij in China draagt, wel van mannelijke herkomst der godin getuigen, als bijvoorbeeld die van Grooten leer-oom (2)", die te Emoy aan hare incarnatie wordt gegeven, die men bij de feesten van de zevende maand (q. v. sub II, 2) vereert: doch als regel moet men aannemen dat Kwan Jin door de Chineezen als godin, en als zoodanig algemeen als het hoofd van de Kerk van Boeddha wordt beschouwd. Hoe laat zich

een

(**) Deze school werd gesticht door Nagârdjoena uit westelijk Indië, die als kluizenaar leefde onder een Arjoena-boom (Petaptera arjuna), en daaraan zijn naam „draak (naga) van den Arjoena" ontleende. Hij is wellicht de grootste wijsgeer, dien het Boeddhisme ooit heeft voortgebracht, en zijne leerstellingen hebben min of meer de gansche kerk, voornamelijk den noordelijken tak, doortrokken. Hij stierf in de tweede eeuw vóór, of in de tweede eeuw na Christus.

(*) F F * * E.
(oo) * 10.

na dat tweevoudig geslacht van Kwan Jin verklaren, en hoe het feit dat, toen de dienst van Avalokites vara naar China werd overgebracht, men bij de vertaling van zijnen naam die „Vorst (is'rara) Avalokites” beteekent, blijkbaar met voordacht dezen titel heeft vermeden, en daarvoor in de plaats gesteld „geluid , gebed”, svara (Jin), dat met is’vara ongeveer gelijkluidend is? Dat ook reeds doet gelooven , dat men wel degelijk met een oorspronkelijk vrouwelijke godheid heeft te doen gehad. Wij zullen trachten uit een verkort overzicht van de Chineesche tradities omtrent haar de kwestie op te lossen. Het zal ons dan blijken dat de oorspronkelijke Chineesche Godin der Genade wel degelijk eene vrouwelijke godheid was, die, zoo men den inlandschen overleveringen wat meer vertrouwen schenkt dan zij op den eersten oogopslag schijnen te verdienen, van veel ouder datum is dan de Avalokites vara der Boeddhisten. Wij zullen dan ook zien dat er reden is om aan te nemen, dat de Indische zendelingen bij hunne aankomst in China rondzagen naar een equivalent voor hunnen God der Genade; dat zij terstond werden getroffen door de overeenkomst tusschen zijnen naam en attributen en die van een der inlandsche godinnen ; dat zij derhalve besloten deze door te laten gaan voor de prototype van genen, opdat Avalokites' vara ’s dienst des te gemakkelijker bij het volk ingang zoude vinden; dat zij in deze poging volkomen slaagden door met behulp van een weinig sophisterij te bewijzen dat Kwan Jin, letterlijk vertaald Avalokita-isvara , volkomen hetzelfde wezen was als Avalokites’ vara, en derhalve niets anders zijn kon dan

eene incarnatie van hunne eigene Indische godheid; en eindelijk, dat zij het verschil in geslacht wegcijferden met behulp van de leer der zielsverhuizing , die immers aan elke godheid toestaat zich naar willekeur in mannelijke of vrouwelijke wezens te incarneeren. Duidelijker, krachtiger en kernachtiger dan Koeppen, heeft wellicht nooit een schrijver dien karaktertrek van het Boeddhisme, die het zoo gemakkelijk vreemde goden in zich op doet nemen en verwerken, verklaard en toegelicht. Unwillkürlich —

zegt hij — und unmerklich sind von Anfang an, so scheint es , die „Volksgötter der Hindu und der priesterliche Brahmâ in die buddhistische Weltanmschauung übergegangen; denn schon in denn ältesten einfachen Sätras und Legenden "spielen sie ihre Rolle. Und was anfangs natürlich und absichtslos geschah , ward "später das Werk hierarchischer Berechnung. Um recht viele bien anzulocken, duldete man, dass der nicht-geistliche Bekenner des Buddha die gewohnten Gegenstände vseiner Andacht auch ferner verehre und sorgte dafür, dass er sie in der neuen Lehre mund Kirche wiederfinde. Aber auch abgesehen von der priesterlichen Politiek , lag "in der toleranten Tendenz und im Universalismus der Buddhadoctrin die Möglichkeit, ndie verschiedensten religiösen Elemente sich anzueignen. Denn nach der buddhistimschen Ansicht giebt es nur eine Lehre, ein Gesetz, eine Offenbarung - den Dharma, welchen »für unser Zeitalter der Sohn der Çûkja in seiner Reinheit wiederhergestellt hat; die "Glaubenssätze, Philosopheme, Priesterlehren und Cultusformen aller Völker des Erdmballs sind folglich nur Ausflüsse, mehr oder weniger dunkle Erinnerungen, Entstel"lungen und Entartungen des einen und nämlichen Dharma, den vor dem Buddha "Câkjamuni tausend und abertausend Buddhas verkündigt haben. Sämmtliche Reli

"gionen sind daher an sich und ursprünglich im Dharma, d. h. im Buddhismus entwhalten, wurzeln in ihm und sollen, von ihren Irrthümern und Auswüchsen gereinigt, » wieder in ihn zurückkehren. Daher die Geneigtheit der Buddhisten, was der reinen „Lehre nicht schnurstracks zu widersprechen scheint, in allen Religioneu als Wahrheit wanzuerkennen; daher das Bestreben dieselben sich theoretisch unterzuordnen und ihnen vinnerhalb des Systems ihre Stellen anzuweisen. Auch für das Christenthum würde wder Buddhismus Platz gehabt haben, wenn er in früheren Jahrhunderten mit dem» selben in lebendige Berührung gekommen wäre. Und der Christus würde zu einem , buddhistischen Heiligen, zu einem Bôdhisattva oder auch zu einer früheren Geburt » Çâkjamunis gestempelt worden sein (21)."

Hetgeen hier ten opzichte van aan het Boeddhisme vreemde goden wordt aangevoerd is in China ten aanzien van Kwan Jin werkelijk geschied. Zij werd daar, toen de leer kort na de geboorte van Christus werd ingevoerd, vereenzelvigd met, en als het ware geënt op, eene reeds bestaande inlandsche godin, eene zekere Miao Sjen, wier fabelachtige geschiedenis wij in de volgende paragraaf zullen behandelen. Wij putten onze inlichtingen daartoe meerendeels uit een werkje, dat tijdens ons verblijf te Makao aldaar in omloop was en den titel draagt van Volledige traditiën omtrent de Kwan Jin der zuidelijke Zeeën (22).

2. In het elfde jaar van het tijdperk van den Gouden Hemel (23), d. i. in 2586 vóór Christus, leefde er in het Westen een vorst, de Geest volle en Uitstekende (24) geheeten. Zijn familienaam was Pho (25), zijn naam Khié Piao (26) en zijn titel Lo Joeh (27). Zijn rijk heette het Bosch des Bloeis (28) en zijn vorstentitel was

(21) Koeppen, „die Religion des Buddha”, blad. 249, »von den Classen der Wesen.”
(21) 南海觀音 全傳 (11)金天(1) 靈 優,

(3 ») et (ao) thi # (?) * E. Al deze namen zijn klaarblijkelijk aan het Boeddhisme ontleend. Voegt men den naam van den vorst, van wien hier sprake is, achter hetgeen gezegd wordt zijn familienaam te wezen, dan krijgt men de uitdrukking po How #, die blijkbaar eene verkorting is van set the same #: -hij die bhagarat ten toon spreidt (#)", m. a. w. die de groote deugden en verdiensten bezit die aan elk wezen, dat zich tot een Boeddha heeft weten op te werken, worden toegekend (Vide Eitel, Handbook of Chinese Buddhism", bladz. 23). Plaatst men den titel van den vorst op dezelfde wijze achter zijn familienaam, dan bekomt men de uitdrukking 婆羅 en deze is op hare beurt hoogstwaarschijnlijk eene verkorte schrijfwijze voor

婆囉 賀磨玉, d. i. Brain(羅賀磨) - edelsteen (E)." Brama wordt in de Chineesche werken gebruikt in de beteekenis van vientand wiens gedrag rein is”,

een edelsteen is in het oog van een Chinees evenzoo het type van zuiverheid; vandaar dat men den titel van den vorst zou mogen vertalen door vde zuivere, de onbevlekte bij uitstek” (Vide Eitel, op. cit., bladz. 27). Wij zien dus reeds de eerste regels van de levensbeschrijving van Miao Sjen met aan het Boeddhisme ontleende uitdrukkingen doorweven, en kunnen ons erop voorbereiden zulks door het geheele werkje heen het geval te vinden.

() 與林,

羅玉,

en

Miao Tsjoang (2'), d. w. z. de Schoone Versiering. Ziehier de grenzen van zijn rijk. Westwaarts strekte het zich uit tot Indië (39), noordwaarts tot Siam (31), oostwaarts tot Sumatra (32) en zuidwaarts tot Thijen-Tsjin (33). De vorst was verstandig, de ambtenaren waren deugdzaam en het volk verheugde zich in vrede en geluk. De Koningin heette Pao Teh (34) of de Kostbare Deugd. Reeds veertig jaren had haar echtgenoot op den troon gezeten zonder dat zij hem een enkelen afstammeling geschonken had, en, daar zulks haar zeer verdroot, raadde zij den Koning aan zich met haar te begeven naar de heuvelen van het Westen, naar den Berg der Glorie (85), alwaar het beeld van een godheid stond met zóó groote wonderkracht begaafd, dat het nooit iemand had teleurgesteld die tot hetzelve zijn toevlucht had genomen. Met grooten praal en luister trokken zij erheen, droegen er van af den 19den van de tweede maand gedurende een reeks van dagen allerhande offeranden op en keerden naar hun rijk terug, na den priesters eene groote belooning te hebben beloofd zoo de Koningin mocht zwanger worden.

Weldra baarde deze inderdaad drie achtereenvolgende malen een dochter, en wel Miao Tshing (36) of de Schoone Zuiverheid, Miao Jin (37) of het Schoone Geluid, en Miao Sjen (38) de Schoone Deugd. De laatste en jongste werd naderhand de beroemde Kwan Jin. Daar nu de Koning al ouder en ouder werd en nog steeds geene zoons had, besloot hij zijne dochters uit te huwen, ten einde den troon aan een zijner schoonzoons te kunnen overlaten. De beide oudsten werden verbonden aan twee zijner meest uitstekende ambtenaren, doch Miao Sjen weigerde zich te laten uithuwen en verklaarde haar leven liever in afzondering te willen slijten en zich door

(1) 妙莊,

(0) 天國 (1) 暹羅國(1) 佛齋國 De eigenlike naam, waaronder het eiland in de officiëele Chineesche Geschiedboeken voorkomt, is = W, i. e. Sam-Foeh-Tsjai of Sam-Bo-Tsjai, hetwelk niets anders zijn kan dan het Sarbaza der Arabische reizigers van de 9de eeuw:- Groeneveldt, „Notes on the Malay Archipelago and Malacca”, ap. - Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen”, deel XXXIX, bladz. 62.

(9) # mallett: shet rijk van hemelsche echtheid of natuurlijke volmaaktheid”, is hoogstwaarschijnlijk een denkbeeldig land. Uit een Taoistisch oogpunt beschouwd beteekent de naam zooveel als „het rijk der hemelsche onsterfelijkheid”, of ook wel het rijk der hemelsche Genii” — die deze onsterfelijkheid bezitten. Een mengelmoes van Taoisme, op welks Pantheon Miao Sjen eigenlijk te huis behoort, en Boeddhisme waaruit Avalokites’vara is ontstaan, vormt dus het materiëel

, waaruit het werkje is samengesteld. En hoewel wij nu niet juist de vier grenzen van

waarschijnlijk fabelachtige geboorteland van Miao Sjen kunnen bepalen, zoo is het toch eenigzins geidentifieërd door zijne ligging ten Zuiden van Siam en ten Oosten van Indië. Ziedaar ook tevens de reden waarom de titel van het werkje, waarvan wij een uittreksel geven, spreekt van de Kwan Jin der "zuidelijke zeeën.”

(*) 寶德,
(*) 華山() 妙清 (1) 妙音(") 妙善,

het

overpeinzingen en abstracties tot Bôdhi (59) te willen volmaken. En toen haar vader op het hooren van deze woorden in toorn ontbrandde en haar wilde dwingen, verzocht zij hem haar dan ten minste uit te huwen aan een geneesheer, want, zeide zij, wik "wil de wereld genezen van onbekwame en domme ambtenaren, van de plagen van

koude en hitte, van liefdelooze en wellustige hartstochten, van de ellenden van ounderdom en ziekte, van het onderscheid tusschen hoog en laay, van de vernedering der armoede en van baatzuchtigheid. Ja, Boeddha is werkelijk Bôdhi!" riep zij uit.

De Koning ontstak op het hooren van die taal in woede. Hij beval dat men haar de kleederen van het lijf zou rukken en haar naar het park geeselen zou om ze aldaar op te sluiten totdat zij van honger en koude zou zijn omgekomen, doch hare gelatenheid verliet haar niet. Zij bedankte haren vader voor het uitgesproken vonnis en onderwierp zich met vreugde aan het leven vol versterving en kommer, dat haar werd bereid. Vruchteloos poogden ook de dames van het hof haar te bewegen naar het Paleis terug te keeren, maar niets mocht baten en zij besloot zich terug te trekken naar het klooster van de Witte Musschen (40), ten einde daar haar leven in afzondering te slijten. Dit klooster was gelegen in het district der Drakenboomen (*), in het departement Zju-Tsjow (*2) De Koning verzette zich niet tegen dezen stap, omdat hij hoopte dat zijn dochter door de moeielijkheden en de harde beproevingen van het kloosterleven weldra zou worden bewogen hetzelve vaarwel te zeggen, en te verwisselen met het gemakkelijke leven in het vorstelijk Paleis.

Werkelijk werd Miao Sjen voorbedachtelijk met het zwaarste keuken- en slavinnenwerk belast, doch allerlei geesten, ja zelfs tijgers en vogels, stonden haar ter zijde en hielpen haar. Hare onderwerping en vlijt maakten den argwaan van de abdis van het klooster gaande; -- zij deelde haar vermoeden mede aan den Koning, en deze bedacht daarop een wreedaardig middel om zijne dochter door schrik en doodsangst te bewegen naar het Paleis terug te keeren. Op zekeren dag omringde plotseling een legermacht het klooster en stak het gebouw aan alle hoeken in brand. Als razend liepen de nonnen door de vlammen heen en weder onder het aanroepen van Hemel en Aarde, doch Miao Sjen richtte zich tot den Vorst der Geestelijke Bergen en der Wereld (43), dien zij zich als een voorbeeld ter navolging had gesteld, en

(39) D. w. z. de geschiktheid om in Nirvana te worden opgenomen: de hoogste trap van wijsheid en volmaking in het oog van den Boeddhist. Zie bladz. 144.

(*) É # # (•) i det (**) the H Een departement van dien naam ligt in de provincie Honan, doch dat is tè ver van het rijk van Miao Sjen's vader, dan dat het hier zou kunnen zijn bedoeld. Het bevat ook geen vdistrict der Drakenboomen (Loeng. Sjoe)", voor zoover wij hebben kunnen nagaan. Wellicht is hier sprake van het departement Kwej-JangTsjow 桂陽州, , waarvan de hoofdstad in het verre Zuiden der provincie Hoekwang is gelegen en onder de dynastie der Tsin (3de eeuw na Chr.) den naam droeg van Zju-Tsjhing te ble (Zie de pe 2, hoofdst. 15, en Biot, » Dictionnaire des Villes etc. de la Chine”, bladz. 92).

()靈山世王.

« PreviousContinue »