Page images
PDF
EPUB

legio van die kwaadwillige wezens en ze verstrooide en versloeg : daarover kunnen wij gevoegelijk heenstappen. Wij vermelden tot besluit alleen maar, dat het echtpaar op het eiland aankwam en terstond Miao Sjen ontwaarde, gezeten op haar troon zonder armen of oogen. Desniettemin werd zij onmiddelijk door hare beide ouders herkend. Diep bewogen en vol berouw drukte de vorst zijn innig verlangen uit, dat hij in staat mocht worden gesteld haar het leven terug te geven met ongeschonden armen en oogen (53), en inderdaad, nauwelijks had hij dezen wensch geuit of Miao Sjen stond voor hem, onverlet en ongedeerd. Dit wonder bracht het Koninklijk echtpaar geheel en al tot inkeer. Het besloot zich, evenals Miao Sjen, aan losmaking van het aardsche te wijden en zich over te geven aan het ascetisch leven.

Hoewel nu deze levenslegende van Kwan Jin een waar mengelmoes daarstelt van Boeddhistische en Taoistische begrippen, zoo biedt zij toch ook enkele deugdelijke gronden aan ter staving van hetgeen wij boven zeiden, namelijk dat Kwan Jin als godheid in China bestond alvorens het Boeddhisme er werd ingevoerd. De aangegeven datum van hare geboorte, die door de legende op 25 eeuwen vóór Christus wordt gesteld, strekt, hoe weinig vertrouwbaar voor het overige ook, daarvan mede ten bewijze. Sommige Chineesche schrijvers verwerpen echter die hooge oudheid, en trachten Koning Tsjoang te vereenzelvigen met een Keizer van denzelfden naam uit de Tsjow-dynastie, die in de zesde eeuw vóór Christus regeerde; maar dit doet tot het feit, dat wij wenschen te staven, evenwel niets af, aangezien dat tijdstip toch nog zeven eeuwen vóór de invoering van het Boeddhisme valt. De vrouwelijke attributen van de Chineesche Kwan Jin, alias Miao Sjen, die de Boeddhistische Avalokites'vara niet bezit; de onjuiste vertaling van den naam der Hindoesche godin, waarbij blijkbaar voordacht in het spel is geweest : dit alles vindt ook nu op eenmaal eene bevredigende verklaring. Doch wij hebben hierop reeds aan het einde van § 1 gewezen, en kunnen dus hiermee volstaan. De legendarische levensgeschiedenis van Miao Sjen geeft ons ook tegelijkertijd het middel aan de hand om de beeldtenis van Kwan Jin metal hare attributen en bijvoegsels te verklaren. Gewoonlijk ziet men haar in peinzende houding, staande of gezeten op een wolk of op eene lotusbloem, met een stralenkrans rondom het hoofd. Naast, voor of achter haar staat de Drakendochter met een groote paarl, waaruit een vlammend licht straalt, in de hand, terwijl Sjen Tsai met de handen gevouwen en als in biddende houding tot haar opgericht, zich aan hare andere zijde bevindt. In de hand draagt Kwan Jin een rol papier of een boek: het zinnebeeld van het prevelen van gebeden waardoor zij hare Boeddhis

(**) £ * AB Volgens Eitel, »Handbook of Chinese Buddhism”, bladz. 20, werd deze volzin verkeerd begrepen, en verstond men „duizend armen en duizend oogen” 千 * F IK, waardoor aanleiding werd gegeven tot het afbeelden van de godin met vers beidene armen en aangezichten. De verklaring, die wij in § 1, in verband met hare verwarring met Mandjus'ri, hebben gegeven, is echter klaarblijkelijk juister en meer aannemelijk.

tische zaligheid heeft bewerkt, en waardoor ook ieder ander sterveling zich de Nirvana kan veroveren: of ook wel een groenen tak, waarmee zij wordt verondersteld het ambrosia der goden om zich heen te sprenkelen. Dit heilige vocht, het Amrita van de Indiërs, heet bij de Chineezen vzoete dauw” (54), en wordt door de priesters bij verschillende gelegenheden uitgesprenkeld in de lucht om geesten en spoken to laven en te drenken, onder anderen in de zevende maand (55), op den offerdag aan de zielen van de hel. Nevens Kwan Jin's beeldtenis ziet men dan ook dikwerf een pot, die verondersteld wordt dien godendrank, dien nectar te bevatten. Eindelijk nog plaatst men nevens haar dikwerf een vogel, die haar in den bek een snoer van paarlen aanbrengt, om zich om den hals te hangen als teeken van haar waardigheid.

Het is stellig niet noodig te vermelden, dat niet al die trawanten en voorwerpen steeds gezamenlijk bij de beeldtenis der Godin zijn te vinden. Niet zelden wordt zij zulfs eenvoudigweg voorgesteld door een stuk papier, waarop haar naam of een harer titels is geschreven. Is hare beeldtenis geschilderd aan den wand, dan zal men steeds een of meer harer onderscheidingsteekenen of trawanten nevens haar zien, doch naast haar afbeeldsel in metaal, porcelein of klei is zelden de vogel of een harer volgelingen aangebracht. Hee Kwan Jin ook nog als patrones van gehuwde vrouwen en als beschermgodin tegen kinderloosheid wordt afgebeeld met een kind op den arm: daarover hebben wij in § 1 reeds gesproken.

Tot besluit zij nog met een enkel woord gewag gemaakt van de geregelde vereering, die in den loop van het jaar door het volk van zuidelijk Foehkjen aan de Godin der Genade wordt gebracht. Hare drie hoofdfeestdagen zijn de 19de van de tweede, de 19de van de zesde en de 19de van de negende maand. Eerstgenoemde is, zooals wij in de legende van Miao Sjen hebben gezien, in de eerste plaats de datum waarop haar vader naar het wonderdoende beeld een bedevaart volbracht, die tengevolge had dat de Koningin van Miao Sjen zwanger werd, en ten andere de dag waarop de godin door alle goden en godinnen op het Wierookeiland tot hoofd van de Boeddha's werd gewijd; – doch de beide andere dagen weten de Chineezen niet goed thuis te brengen. Sommigen beweren dat het de geboortedatums zijn van hare zusters; - anderen willen dat zijzelve op die dagen geboren of gestorven is of den parelsnoer ontving, dien zij om den hals draagt, doch wat hiervan zij: dit schijnt zeker, dat de Chineezen omtrent den oorsprong van die dagen niets met zekerheid te zeggen weten. De vereering der Godin op hare drie feestdagen komt ongeveer op dezelfde offerplechtigheden neer. Men plaatst de gewone „offerschotels” waarvan op bladz. 38 is gesproken, voor de huisgoden waaronder zij, zooals wij hebben gezien (56), opgenomen is, en offert op de gewone wijze onder het branden van goudpapier en wierook, Vleeschofferanden worden echter aan Kwan Jin niet verstrekt, omdat zij

* #*. Vergelijk ook de aanteekening omtrent den vijgeboom in onze verhandeling over den dag van het Gravenfeest, § 2, tegen het einde.

(55) Zie aldaar, sub II, 2.
(56) Bladz. 8.

eene godheid is van de Boeddhistische sekte, die het dooden van eenig levend schepsel en het eten van dierlijk voedsel als groote doodzonden brandmerkt. Armere lieden vergenoegen zich meestal met de eenvoudige offerande van suikerwaren, tsijèn-up, waarvan op bladz. 5 gesproken is.

Reeds hebben wij gezegd, dat Kwan Jin ook de patrones is van gehuwde vrouwen: ziehier hoe dezen te Emoy haar door vasten op Boeddhistische wijze trachten te vereeren. Scmmigen onthouden zich op den 3den, 6den en 9den, den 13den, 16den en 19den en den 23sten, 26sten en 29sten van elke maand van alle dierlijk voedsel : wijze van vasten die zij bestempelen met den naam van tsiáh sam-lák-kaó (57), dat is, „den 3den, 6den en 9den eten”, en wel omdat de genoemde negen vastendagen elk een dezer drie cijfers bevatten. Anderen vergenoegen zich met planten voedsel op den 1sten en 15den van iedere maand, en noemen zulks tsiáh tshoi-iet tsáp-gow (58), dat is”, den 1sten, en den 15den eten”, doch er zijn er ook die hun gansche leven lang zich alle dierlijke spijze ontzeggen : tsiáh túng-tsai (59) i. e, „de lange vasten eten." Weder anderen onthouden zich elken morgen van vleesch : tsiáh tsá-tsai (69), de vroege vasten eten”, of gebruiken gedurende hun gansche leven des morgens in het geheel geen voedsel: kijém toù-tùng (61) d. i. "zonder den grooten (den morgen-) maaltijd blijven.” Over het algemeen kan men aannemen dat te Emoy, waar de vrouwen al bijzonder veel werk van den dienst van Kwan Jin maken, stellig door zeventig ten honderd onder hen op een van bovengenoemde wijzen wordt gevast, en er zijn er ook niet weinigen die op elk der vastendagen heilige boeken en gebeden prevelen na zich te hebben gewasschen en verschoond. Mannen geven zich al zeer weinig met den dienst van de Godin der Genade af, en laten het afsmeeken van gunsten en zegeningen over het huisgezin liefst over aan de vrouw, die deze taak dan ook als een noodzakelijk bestanddeel van hare huishoudelijke plichten vervult.

Kwan Jin is ook de beschermgodin van publieke vrouwen en prostitués. Deze wagen het echter niet hare beeldtenis - misschien .wel om de patrones geene schande aan te doen - openlijk op te richten bij zich te huis, maar begeven zich ter harer vereering naar van hare tempels, die in China allerwege in de steden zijn te vinden.

een

(7) 食三六九()食初
(“)食早齋(“)减大頓,

一十五()食長齋,

[ocr errors][merged small][merged small]
[ocr errors][merged small][ocr errors]

Deze godheid van zuiver Foehkjenschen oorsprong heeft zich ook eene plaats veroverd onder de huisgoden der bevolking, en kan met het volste recht de beschermheilige van de provincie heeten. Wij zullen zijne geschiedenis en de legenden, die omtrent hem in den mond des volks in omloop zijn, in onze verhandeling over den 22sten van de achtste maand behandelen, aangezien wij dan gelegenheid zullen hebben tegelijkertijd de bedevaarten te beschrijven, (die in die maand naar zijn tempel te Aan-Khoi ondernomen worden.

[ocr errors]

DERDE MAAND, DERDE DAG.

HET FEEST VAN DE DERDE MAAND.

Offerande van de eerstelingen van het graan aan de huisgoden. Hare prototype in het Boek der Ceremoniën”. Offerande op het vasteland ter herdenking van de gesneuvelden in den oorlog tegen Koxinga. Krijgsverrichtingen van dezen in dit gedeelte der provincie. Zijne vestiging op Formosa.

Offerande aan de voorouders in de stad Emoy op den 3den van de derde maand. De periode siong-sòe. De twaalf maanden van het Chineesche jaar. Namen van den feestdag.

waren

Deze dag is niet gewijd aan de vereering van de een of andere speciale godheid, maar wordt, te Emoy althans, in sommige gezinnen slechts gevierd met eene offerande aan de gezamenlijke huisgoden. Het hoofddenkbeeld, dat hieraan ten grondslag ligt, is waarschijnlijk het aanbieden van de eerstelingen van den oogst en het bidden om zegen over het rijpende koren. Want in de derde maand is het wintergraan reeds gedeeltelijk binnen, of althans bijna geschikt om te worden geoogst (1), en dient een gedeelte ervan aan de hoogere machten geofferd te worden : tot dat doel vervaardigt men koekjes van meel, en offert die met de gewone drie of vijf vleeschoffer

en andere artikelen (zie bladz. 24) aan de goden van het huis. Sommigen , maar lång niet allen, brengen buitendien nog eene offerande aan de voorouders, doch hierbij houde men het volgende in het oog Zooals wij naderhand in onze verhandeling over het reinigen der graven zullen zien, wordt op den dag waarop deze plechtigheid plaats heeft eene algemeene offerande aangeboden aan de voorvaderlijke tabletten; en terwijl nu het volk te Emoy als regel slechts dezen éénen offerdag viert, wordt

ор

het rondom gelegen vasteland algemeen, en in Emoy slechts bij uitzondering, nog een offerande bovendien op den Sden van de derde maand aan de vaderen opgedragen. Wij zullen zoo aanstonds zien waarom.

De offerande van de eerstelingen van den oogst, waarvan zooeven gesproken is, vindt waarschijnlijk haar prototype in de offerande, die in de hooge Oudheid door den Keizer in de laatste maand van de lente opgedragen werd. Het is alweder de Li-ki, dat in menig opzichit zoo onschatbare document der oudheid waarvan wij in de noot op bladz. 71 gesproken hebben, hetwelk die Keizerlijke offerande aan de verge

(1) Het werk: 'de School voor de Jeugd” the zegt: „Het koren ontkiemt in den Hregel in de lente en wordt geoogst in den winter, doch de tarwe is rijp in de vierde maand.” Zie hoofdst. I, o

« PreviousContinue »