Page images
PDF
EPUB
[merged small][ocr errors]
[ocr errors]
[ocr errors]

Stier, het sterrenbeeld waarin ongeveer veertig eeuwen geleden de zon in het lente-
punt haar overwinning behaalde op Typhon, den Geest der Duisternis. De Perzen
verheerlijkten op dezelfde wijze Mithra, hunnen Zonnegod, dien zij voorstelden als een
krachtig man geknield op een stier, dien hij afmaakt met zijn zwaard: -- het zinne-
beeld van den gloed der zon, die vóór vierduizend jaren den glans van het sterren-
beeld den Stier in het midden van de lente scheen uit te dooven en te dooden. De
Christenen eindelijk herdenker thaus nog op hetzelfde tijdstip hun Lam Gods, hetwelk
niets anders is dan het sterrenbeeld dat, nu achttienhonderd jaren geleden, tengevolge
van de precessie de plaats van den Stier aan het voorjaarspunt des hemels innam.
Zal men nu ook binnenkort een godsdienst van de Visschen op de aarde zien ver-
schijnen? Wij hebben boven (34), bij de behandeling van het Lantarenfeest, gezegd,
dat de Chineezen van Emoy door den vuurdoop van een tijgerbeeld de in warmte
toenemende voorjaarszon, die het sterrenbeeld den Wiiten Tijger in zich absorbeert en
opneemt, zinnebeeldig voorstellen : men ziet dus dat zij, evenals de boven aangehaalde
volkeren der Oudheid deden, de zon herdenken onder het symbool van het sterrenbeeld,
waarop zij, als Koningin des Hemels, als op een troon gezeten is; - doch buiten en
behalve dat treedt in China gedurende het lentejaargetijde nog een veel eenvoudiger
Magisme op den voorgrond. Het blijkt immers uit de door ons gegeven uittreksels van
de staatsinstellingen der Tsjow-dynastie, dat een speciaal ambtenaar aangewezen was
om het vuur van de zon op te vangen, daarmede olm of wilgenhout te ontsteken en

voor de offeranden te leveren : men ziet dus dat zij deden als de volgelingen van Zoroaster, die ook een vuur aan de stralen der zon ontstaken en het vol eerbied in hunne brandstapels bewaarden als een zinnebeeld van dat eeuwige Hemelvuur hetwelk het leven is der gansche Natuur, zorg dragende dat het nooit uitging. Het was Perseus, naar men zegt, die voor het eerst de geheimenissen en wonderen van het Magisme naar Perzië overbracht. Hij liet met behulp van die kunst het vuur des hemels nederdalen op de aarde en het met groote zorgvuldigheid bewaren in een tempel als het heilige, onsterfelijke vuur, en deugdzame mannen koos hij uit als bedienaren van den nieuwen eeredienst en om te worden belast met het onderhoud

Het volk echter was gedwongen ieder jaar in de lente zijde vuren te vernieuwen, en aldus schiepen zich de Magiërs een rijke bron van inkomsten ; want wanneer de geloorigen, gehoorzaam aan hetgeen hun de godsdienst voorschreef, in het voorjaar de vuren uitbluschten die zij het geheele jaar door hadden onderhouden, dan lieten zich de priesters het nieuwe vuur, hetwelk zij hun verschaften, duur betalen (35). -De Grieken hadden eveneens een heilig vuur te Delphi, dat aan de zonnestralen werd ontstoken, en de Romeinen in hunnen tempel van Vesta, waar het door de bekende maagden onderhouden werd: - ook de Joden ontstaken het in hunne tempels, evenals de oude Perzen het in hunne brandstapels onderhielden (36).

(*) Bladz. 109.
(*) Clavel, Histoire des Réligions”, boek IV, hoofdst. I.
(*) Dupuis, „Origine des Cultes”, deel I, hoofdst. I, „Ancienne Réligion en Europe."

aldus vuur

der vuren.

aan

In nauw verband met al deze vormen van zonnedienst staan ongetwijfeld de ceremoniën van de uitdooving en de vernieuwing van het vuur, die op hetzelfde tijdstip van de lente algemeen in de Christelijke kerken in zwang, ja zelfs voorgeschreven zijn. Op zaterdag voor Paschen begeeft zich de hoofdpriester van het kerkgebouw in den vroegen morgen naar het voorhof of het koor. Het schijnt namelijk dat de plechtigheid, die hij wil gaan verrichten, niet in het schip of op het altaar plaats mag hebben :

hij maakt er vuur door middel van een vuursteen, steekt er eenig hout mede aan, zegent vervolgens het nieuwe vuur en dooft het oude uit. Nadat hij het met wijwater heeft besprenkeld en met wierook bestrooid, wordt een kaars aan het nieuwe vuur ontstoken; men begeeft zich daarmede in processie naar het altaar en vangt onmiddelijk aan met het wijden van de zoogenaamde paaschkaars. Aan deze worden vervolgens alle andere kaarsen ontstoken als aan de vlam van het nieuwe vuur.

Eene overlevering zegt, dat in de eerste eeuwen van het Christendom de lampen, brandende op het Heilige Graf en uitgedoofd op Goeden Vrijdag ingevolge een overoud gebruik, wederom van zelf op zaterdag vóór Paschen op wonderdadige wijze werden aangestoken door een vuur, dat jaarlijks te dien einde van den bemel daalde. Het mirakel duurde, naar men wil, tot in de twaalfde eeuw, als wanneer God er een eind

maakte om de kruisvaarders te straffen voor de misdaden, die zij zoo gewoon waren in het Heilige Land te begaan! De Christenen van de Grieksche Kerk zijn echter overtuigd dat het mirakel nog steeds voortduurt tot op den huidigen dag, en hunne papen doen natuurlijk alles wat in hun vermogen is om hen in dat geloof te stijven. Op Zaterdag vóór Paschen begeeft de menigte zich naar de Kerk van het Heilig Graf. „En attendant”, zegt Thévenot -- "que le feu sacré descende, ils font » milles farces indécentes dans l'église. Ils y courent comme des insensés, poussant wdes cris et des hurlements affreux, se jetant les uns sur les autres, se lançant des ncoups de pieds: en un mot, donnant toutes les marques d'une véritable folie. Ils wont en main des bougies, qu'ils lèvent de temps en temps vers le ciel, comme pour „ lui demander le feu saint. Sur les trois heures du soir on fait la procession autour rdu saint sépulcre. Après trois tours un prêtre vient avertir le patriarche de Jérusalem » que le feu est descendu du ciel.

Alors ce prélat entre dans le saint sépulcre, tenant dans chaque main un gros paquet de bougies, et suivi de quelques évêques. Il en "sort peu de temps après, les mains garnies de bougies allumées. Dès qu'on le voit "parâitre, chacun s'empresse de s'approcher de lui, pour allumer sa bougie aux siennes. Dans ce tumulte on n'épargne pas les coups pour s'ouvrir un passage : c'est un désordre veffroyable, et le patriarche court souvent le risque d'être écrasé, malgré les efforts v des soldats musulmans, gardiens du saint sépulcre, qui frappent à droite et à gauche " pour écarter la foule. L'église est dans un instant illuminée d'un nombre prodigieux vde bougies” (37).

De viering van de overwinnende vnieuwe” lentezon door de algemeene ontsteking

(*) Clavel, „Histoire des Religions”, boek I, hoofdst. XI,

van nieuwe vuren in het Rijk, geschiedde in China op den dag die onmiddelijk op de driedaagsche periode van „het koude eten” (38) volgt, namelijk op den zoogenaamden tsjhina-miáng (39), die met den 4den of 5den April samenvalt. Vindt men in dezen dag ons Paaschfeest en de Hilariös der Romeinen terug: in de periode van het koude eten herkent men dadelijk de parallel van onze vasten en van de treurfeesten der Oudheid. De overwinning van den Zonnegod op den Geest der Duisternis werd namelijk bij alle oude volkeren voorafgegaan door een tijdperk van rouw, waarin de dood van den Zonnegod werd herdacht, opdat men hem met des te meer glorie uit het graf zou kunnen doen opstaan en ten hemel stijgen. En de Chineezen deden in zeker opzicht hetzelfde, en lieten hunne vuren drie dagen lang uitgaan ter herinnering aan den tijdelijken dood van den Zonnegod. In Assyrië vierde het volk alle jaren gedurende zeven dagen, die aan treurfeesten waren gewijd, een soort van goede week, zooals nog de hedendaagsche Christenen doen. Het gold namelijk de herdenking van Adonis, den Zonnegod, ter dood gebracht en weer verrezen, en men gaf hem een plechtige begrafenis om ten slotte zijne wederopstanding en hemelvaart te vieren (10). In Phoenicië werd een dergelijk rouwfeest gevierd ter eere van denzelfden Zomnegod. Het lijk van den overledenen Mithra werd zoowel in Perzië als in Klein-Azië en Armenië den geloovigen voorgesteld, en men verkondigde den volke luide zijne verrijzenis met de woorden: Verheugt u, want uw God is wederom verrezen uit den dood, en heeft door zijn pijn men smarten uw heil bewerkt!" In Egypte eindelijk kwam Osiris, de God des Lichts, na een strijd van zes maanden tegen zijnen dood vijand Typhon, den God der Duisternis, om het leven, doch nadat langdurige lijkplechtigheden ter viering van dit mysterie hadden plaats gegrepen verrees hij op nieuw, en het volk verheugde zich in zijne opstanding met groote uitgelatenheid en veel vertoon van vreugde. Ook de Hilaria-feesten der Romeinen werden door eenige dagen van rouw voorafgegaan, en hetzelfde geschiedde in alle godsdienstige sekten die de zon vereerden : de Christelijke niet uitgezonderd. Al deze legenden van dood en opstanding, al deze treur- en vreugdefeesten, zij hadden één en hetzelfde doel, namelijk de herdenking van de allegorische geschiedenis van het zonlicht, en van het lot dat hetzelve op onze aarde ondergaat. Men vereerde niets dan dat heilige vuur der Natuur, die ziel, dat leven van het Heelal, dat steeds met den God der Duisternis, des Doods in strijd is, en zonder ophouden door dezen wordt tegengewerkt in zijne pogingen om zegeningen en weldaden over de menschheid uit te deelen. En al die moorden en begrafenissen, al die godsdienstige mysteriën en feesten, zij hadden alle een en denzelfden grondslag, namelijk de viering van den dood en de wederopstanding van de zon, het beginsel van alle goed, dat zulk een hoofdrol speelt in de scheppende kracht des Heelals. Het voornaamste tijdstip

[ocr errors]

(33) Dat het tijdstip van het vuurverbod ook dat van whet koude eten” (háan-siet, zie noot ll) geheeten wordt, vindt cene verklaring in het feit dat men, daar alle vuren werden uitgedoofd, zich natuurlijk met koude spijzen vergenoegen moest. (**) Zie onze eerstvolgende verhandeling.

(9) Luciauis, wde Deâ Syria”, p. 878.

in den jaarlijkschen kringloop der Natuur is dat, waarop de zon in het lentepunt haar overwinning op de duisternis behaalt, en de dagen langer worden dan de nachten. De aarde wordt dan met een nieuw leven bezield en van de kwellingen en plagen des winters bevrijd; en daar dit het gewichtigste, en voor den mensch het meest zielsverheffende tijdstip is van den ganschen jaarkring, daarom moeten ook alle feesten, die de verheerlijking van die gebeurtenis ten doel hebben, de gewichtigste zijn van den ganschen kalender (41). Daarom waren de Hilaria-feesten der Romeinen en het Paschen van de Joden de schitterendste feesten van het gansche jaar; daarom is het Paaschfeest nog het hoofd feest van de Christenen; daarom, eindelijk, is de tsjhing-miáng dag, zooals wij in onze eerstvolgende verhandeling zullen zien, nog zulk een feestdag van gewicht voor de Chineezen.

§ 2.

PAASCHEIEREN.

de oorsprong

Eer wij er echter toe overgaan dien dag te beschrijven, dient nog melding te worden gemaakt van een volksgebruik hetwelk bij ons te lande en bijna allerwege in Europa bestaat en ook in China wordt gevonden : — wij bedoelen het eten en elkander toezenden van de zoogenaamde paascheieren. Ieder onzer herinnert zich de hardgekookte, bontgekleurde eieren wel, die onze moderne beschaving echter reeds eenigzins naar den achtergrond heeft weten te dringen door het invoeren van namaaksels in chocolaad of suiker, hout of paarlemoer, waarin al dan niet een paaschgeschenk verborgen is. De Christenzendelingen, die ten tijde van Karel den Grooten in Saksen binnendrongen, vonden de paascheieren reeds overal in zwang: van het gebruik is dus heidensch, maar aangezien het met geen der leerstellingen of geboden van de Kerk in strijd was, en de eerste zendelingen ten opzichte van hunne bekeerlingen waarschijnlijk zooveel mogelijk den verstandigen weg volgden van geven en nemen, daarom werd het niet te vuur en te zwaard uitgeroeid, maar bleef bestaan tot op den huidigen dag. De oorsprong van de paascheieren is nog vrij wel in duisternis gehuld, maar laat zich toch eenigzins verklaren, want de wijsbegeerte der oude Chineezen en van de overige bekende volkeren der Oudheid doet eene aannemelijke oplossing aan de hand. Doch alvorens die ten beste te geven zellen wij in het voorbijgaan aanstippen welke rol de paascheieren oudtijds in China vervulden, en hoe er nog heden in Emoy mede omgesprongen wordt. Ten aanzien van eerstgenoemd punt zullen wij een paar Chineesche schrijvers laten spreken, en alweder den ouden „Kalender der Zeden en Gewounten van de landstreek King-Tsjhoe” raadplegen, die ons bij de samenstelling van dit werk reeds zoovele diensten heeft bewezen. De commentator van dat boek zegt het volgende:

(") Dupuis, „Origine des Cultes” Tome II, part. 3, section 1.

„De Canon van de Kostbaarheden der Edelsteenen Kaars (2) vermeldt, dat -gedurende de periode van het koude eten in de winkelstraten van de steden ook vele • wedstrijdspelen met kippeneieren werden gehouden. Dit gebruik stamt uit verre rtijden. Oudtijds werden zij gegeten in de huisgezinnen der grooten onder den. -naam van geschilderde eieren, en ook het tegenwoordige geslacht (de commentaar-schrijver leefde tegen het einde van de zesde eeuw) verft ze blauw, rood en in mallerhande kleuren en versiert ze met snijwerk en graveersel, en stuurt ze rond en velkander toe, of deponeert ze ook wel in schotels en schalen. De wijsgeer Kwan Tze »(43) zegt: „Dat men eieren beschildert en vervolgens kookt, is om het opgestapelde uwverborgene goede (der Natuur) te doen te voorschijn komen, en alle voortbrengselen an » naar alle kanten uit te strooien."” – De eierwedstrijd is van onbekenden oorsprong."

Uit deze aanhaling blijkt dus dat een schrijver, die vóór 25 eeuwen leefde, reeds van de paascheieren gewaagt, en hetgeen de wijsgeer Kwan in zijn werk heeft neergelegd is stellig de oudste oorkonde ter wereld, die wij omtrent dit onderwerp bezitten. Daar de schrijver spreekt over zijn rijk, hetwelk zich uitstrekte over Sjantoeng en Tsjihli, en de Kalender van King-Tsjhoe de zeden en gewoonten van Hoenan en Hoepeh behandelt, kunnen wij met eenige zekerheid besluiten, dat paascheieren vóór A. D. 500 minstens in die vier provinciën van China eene rol speelden. Tegenwoordig ziet men te Emoy gedurende de eerste maanden van het jaar overal straatventers langs de huizen loopen met fraai gekleurde eendeneieren, om welke zij de kinderen laten dobbelen. Men noemt zulks poáh-ah-noei (14) of rspelen om eendeneieren.” Sommige lieden inviteeren ook wel kinderen bij zich aan huis, om zich in gezelschap van hun eigen kroost met dit spel te komen vermaken. Is het dobbelen afgeloopen , dan worden de gewonnen eieren zorgvuldig geopend, ledig gemaakt en, bij wijze van lantaarntjes met een lichtje erin, onder zingen en jolen rondgedragen. Dit kinderspel ziet men vooral op groote schaal op het Lantarenfeest, dat, zooals wij hebben gezegd, evenals het tijdperk van het koude eten aan de herdenking van de herlevende voorjaarszon is gewijd. Men bezigt eenden- en geen kippeneieren, waarschijnlijk omdat tot het maken van speellantarentjes eene grootere afmeting wordt vereischt dan die, welke de kippeneieren gewoonlijk hebben. Doch het is niet alleen op het Lan

(*) 玉燭寶典 (2)管子 Een der meest beroemde staatslieden van de Oudheid. Zijn naam voluit is Kwan I Woe of Kwan Tsjoeng fu en hij leefde in de zevende eeuw vóór Christus. Hij was eerste minister van het rijk Tshi hetwelk van 1122 tot 244 vóór Chr. bestond en het noordelijk gedeelte van Sjantoeng met het Zuiden van Tsjibli omvatte, en zijn hoogsten bloei bereikte onder Kwan's bestuur. Lange jaren wijdde hij zijne krachten aan zijn geboorteland, en legde zijne beginselen van bestuur en wetgeving neder in een wijsgeerig werk dat nog bestaat, en uitgegeven wordt onder den titel van Kwan-tsze 管子

F, den Wijsgeer Kwan.” (*)0 鴨

[ocr errors][ocr errors][ocr errors]
« PreviousContinue »