Page images
PDF
EPUB

namelijk dat de paascheieren ten doel zouden hebben het herdenken van de nieuwe zon, die in de lente wordt geboren, ziet men dus ten zeerste gestaafd en versterkt door hetgeen wij ten aanzien van de kippen- en eendeneieren van den Chineeschen Nieuwjaarsdag en de periode van het koude eten hebben aangevoerd. Schlegel, die wij gelooven voor het eerst — in het tijdschrift „Notes and Queries on China and Japan" (59) en in zijne dissertatie „Chinesische Bräuche und Spiele in Europa” (60) de aandacht op het bestaan der paascheieren in China heeft gevestigd, tracht te verklaren waarom de eieren worden gekookt en niet rauw gebruikt, en meent dat gedurende het tijdperk van het koude eten, als wanneer geen vuur mocht worden ontstoken, slechts hardgekookte eieren konden worden bewaard, daar andere spijzen aan bederf en rotting onderhevig waren. Met deze verklaring kunnen wij ons echter niet vereenigen, want een volk, hetwelk het reeds zóóver heeft gebracht dat het eieren toebereid gebruikt, kan ook wel worden verondersteld gekookt of gebraden vleesch, rijst, meelspijzen en dergelijke voedingsmiddelen te hebben gekend, die zich even goed drie dagen kunnen houden als gekookte eieren. Slaat men bovendien de Encyclopedie » Vermeerderde en verbeterde Schatkamer van allerhande Dingen” op, en wel het vijfde hoofdstuk waarin de periode van het koude eten wordt behandeld, dan stuit men op verscheidene aanhalingen waarin melding wordt gemaakt van koekjes en andere spijzen uit gierst en rijst, die met het oog op de hâan-síet werden vervaardigd, doch van hardgekookte eieren wordt als zoodanig nergens gesproken. Zou het koken niet veeleer eene zinnebeeldige voorstelling wezen van de zonnewarmte, die op het wereldei moet inwerken om er het groen en de bloemen der Natuur uit te doen ontluiken? Wij noodigen den lezer uit de woorden van den wijsgeer Kwan, die wij in bovenstaande regelen reeds drie malen hebben aangehaald, nog eens na te lezen en zelve te oordeelen.

Wij kunnen hiermede gevoegelijk van de periode van het koude eten afstappen en vermelden alleen nog maar dat zij, na sinds de dynastie der Han eenigzins in onbruik te zijn geraakt, in de vijfde eeuw van onze jaartelling door Keizer Woe Ti (61) van de Wej-dynastic (62) bij speciaal edict geheel en al werd opgeheven, op grond dat zij voor de volksgezondheid schadelijk werd geacht (63).

the blaze and crackling of a large bonefire, with singing and shouting, in honour of the Resurrection. They made us presents of coloured Eggs and Cakes of Easter Bread.”

Easter Day, says the Abbé d'Auteroche, in his Journey to Siberia, is set apart for visiting in Russia. A Russian came into my room, offered me his hand, and gave me, at the same time, an egg. Another followed, who also embraced, and gave me an egg. I gave bim, in return, the egg which I had just before received. The men go to each other's houses in the morning, and introduce themselves by saying, "Jesus Christ is risen.” The answer is, Yes, he is risen.” The people then embrace, give each other eggs, and drink a great deal of brandy...

(5) Deel II, bladz. 21. (€) Bladz. 5.

( D (69) Ook wel genoemd de dynastie der Toba of Topa, waarvan hiervoor op bladz. 60 in noot 135 gesproken is. (6) Mayers, «Chinese Reader's Manual", No. 253.

HET GRAVENFEEST.

§ 1. Beteekenis van den naam tsjhing-miáng of tsjhing-bing. Karakter van het feest. Het was eertijds de dag waarop de vuren op nieuw werden ontstoken, nadat zij gedurende de periode van het koude eten waren uitgedoofd geweest.

Offerande in de huizen aan de zielen van de afgestorvenen. Hare prototype in de Li-ki. Offerande aan het graf. Het feestvieren en uitgaan in de bergen. Het schoonmaken van de graven, het strooien van papiertjes, het offeren aan den beschermgod van het graf en aan den doode. Pique-niques in de bergen.

Het herstellen van de begraafplaatsen; het overplaatsen van beenderen in urnen; liefdewerken in dien geest. Vrouwen en kinderen brengen bloemen naar huis en steken zich groene korenaren in het haar.

De Jezuiten en hunne houding tegenover het Gravenfeest. Veroordeeling van hunne bekeeringspolitiek door de Pausen. Verwikkelingen tusschen Peking en Rome, die op de verbanning van alle zendelingen uitliepen. Het Gravenfeest der Christenen, Perzen, Javanen en Balineezen.

§ 2. Het versieren van de huizen met groen: een onderdeel van de in China algemeen in zwang zijnde gewoonte om de lente met groen en bloemen in te halen. De legende van Hwang Tsjhao. Groen en bloemen, ook door de Westersche volkeren gebezigd als zinnebeelden bij de begroeting van de lente.

De wilg en de figuurlijke rol, die hij in China speelt. Hij is het symbool van de voorjaarszon der tweede maand, alsmede van levenskracht en eeuwigheid. Zijn optreden bij de vereering van de dooden.

De vijgeboom. Zijne zinnebeeldige beteekenis in China en in de Brahmaansche en Boeddhistische landen. Het Amrita of Soma (Ambrosia). Pjnboomen en cypressen, de zinnebeelden van onsterfelijkheid en eeuwigheid. Planten, die met een analoge beteekenis in Europa optreden bij het herdenken van de dooden.

1.

PLECHTIGHEDEN TER EERE VAN DE DOODEN.

Reeds is in onze vorige verhandeling gezegd dat deze dag , die te Emoy tsjhing-miáng geheeten wordt en onmiddelijk op de treurperiode van het koude eten volgt, evenals ons Paschen en de Hilaria-feesten der Romeinen gewijd is aan de herdenking van het zonlicht, dat in het voorjaar de aarde met nieuw groen en nieuwe bloemen tooit. Ook is reeds aangestipt geworden, dat hij eertijds werd gevierd met de ontsteking van alle vuren in het Rijk nadat deze gedurende drie dagen waren uitgedoofd geweest en het volk tot een tijd van vasten en onthouding was gedwopgen: ziehier hoe een dichter dit bezingt:

Op háan-siet zijn de bloesems ontloken en duizenden boomen wit als de sneeuw,

"Op tsjhing-miáng ziet men de woningen rooken, als 't zonlicht nauw boven den horizon is (').

Tejhi"g-miána (u) beteekent letterlijk rzuiver en helder”, omdat de atmosfeer op dat tijdstip zuiver () is en de lucht helder (1J). Op het vasteland rondom Emoy-eiland wordt de dag echter met eene kleine wijziging in de uitspraak tsjhing-bing genoemd, en het is onder dezen naam dat hij allerwege in onze koloniën bekend staat. Hij opent de vijfde van de 24 zonneperioden, die in de noot op bladz, 34 zijn opgenoemd, en valt steeds samen met het tijdstip waarop de zon den vijftienden graad van Ariës binnentreedt, dat is met 4 April. De dag wordt niet door een gedeelte van het Chineesche volk gevierd, maar is echt nationaal en wordt, voor zoover bekend is, in alle hoeken en streken van het Rijk herdacht. Hij biedt een vreemd mengelmoes aan van vreugdbetoon en rouwbeklag, want, behalve dat het volk naar buiten stroomt om zich te verlustigen in het nieuwe voorjaarsgroen, en om de reine lentelucht in te ademen, die over de bergen stroomt, is de dag ook nog gewijd aan de vereering van de afgestorvenen en het in orde brengen van de graven. Wij zullen eene gegoede Emoy-familie in den geest voet voor voet volgen in hare verrichtingen op dien dag.

Offerande aan de tabletten. Zoodra men, door tusschenkomst van den almanak, te weten is gekomen dat de tsjhing-miáng dag is aangebroken, plaatst men een offerande van verschillende spijzen op een tafel in het front van de voorvaderlijke tabletten. Men voegt er meestal nog de drie of vijf vleeschofferwaren bij, waarvan reeds op verschillende plaatsen van dit werk gesproken is, en offert dat alles aan de zielen van de overledenen met hetzelfde ceremoniëel en gelijksoortige eerbetuigingen als op Nieuwjaarsdag (3). Sommigen bieden eerst eenige versnaperingen aan den God van de Aarde en den Rijkdom (3), en wel om zijne goede gunsten en zegeningen af te bidden over de graven, die immers op zijn grondgebied liggen en dus onder zijne hoede zijn gesteld. Straks zal op die Godheid, als beschermheer van de begraafplaatsen, nog even teruggekomen worden.

In onze verhandeling over den 3den van de derde maand is er reeds op gewezen dat de offerande, die de Chineesche Keizers der Oudheid in de laatste maand van de lente aan hunne overledene voorgangers brachten en door whet Boek der Ceremoniën" aan de vergetelheid is ontrukt, waarschijnlijk de prototype is van de offerande, die heden ten dage op den tsjhing-miáng dag in alle huisgezinnen den voorvaderen aangeboden wordt. Hetzelfde boek maakt echter nog melding van eene offerande die in het midden van de lente, in de tweede maand, werd opgedragen, als wanneer de

(') Gedichten van Wej Tsjoang #. (") Boven, bladz. 14 en volg. (*) Zie onze verhandeling over den 2den van de tweede maand. Keizer versch lamsvleesch in den voorvaderlijken tempel aan de schimmen bood (4). Ook deze offeronde kan zeer goed de voorganger van de offerande wezen, waarmede de gansche Chineesche natie van den huidigen dag op den tsjhing-miáng hare afgestorvenen herdenkt, doch wat hiervan zij, dit schijnt zeker dat zij van eeuwen en eeuwen vóór de Christelijke tijdrekening dagteekent, tenzij men het gezag van den Li-ki, een der meest gewichtige documenten van de Oudheid, wil wraken en ontkennen, iets waaraan zelfs de meest beroemde critici van China tot op den huidigen dag zich nog niet hebben gewaagd.

Plechtigheden aan het graf. Is de huisofferande afgeloopen, dan begeven zich de zoons, broeders, schoonzoons, neven en verdere verwanten, hoe meer in aantal hoe beter, naar het graf, ten einde als om wedstrijd van hunne liefde jegens den doode getuigenis te geven. Elkeen brengt iets bij om aan den afgestorvene te worden geofferd : koekjes en taartjes, vleesch en groente, wierook en papier, doch meestal gebruikt men slechts dezelfde offerwaren, die reeds voor de tabletten in het huis hebben gediend. De naaste vrouwelijke bloedverwanten vergezellen het gezelschap slechts bijaldien het graf nog geen jaar oud is en er dus nog geen tsjhi"g-miáng dag is overheen gegaan, of ook wel ingeval van ontstentenis van mannelijke leden der familie die de kinderplichten zouden kunnen waarnemen, zooals de wet der ouderliefde voorschrijft. Doch het is niet alleen om de grafplechtigheden te verrichten, dat zulk een groote menigte uit de stadspoorten naar de bergen stroomt: ook de zucht om zich te vermaken en te vermeien in de heerlijke voorjaarslucht jaagt het volk naar buiten. Bij ons te lande geschiedt iets dergelijks op Paschen, doch veel meer nog op Pinksteren, als wanneer men zich verlustigen gaat in het welbekende dauwtrappen: een woord waarmede blijkbaar op het met morgendauw bedekte gras wordt gezinspeeld. De Chineezen betitelen het uitgaan op hunnen Paaschdag met eene bijna soortgelijke benaming en noemen het "groentrappen" táh-tsjhing (5): eene uitdrukking, die blijkbaar op het nieuwe voorjaarsgroen van de bergen doelt.

Zoo men zich op den tsjhing-miáng dag naar de bergen begeeft, die de stad Emoy aan de landzijde overal omringen, dan wordt men onwillekeurig tot vroolijkheid gestemd op het zien van de buitengewone drukte en levendigheid, die allerwege heerschen. Jonge mannen in de kracht van hun leven, gevolgd door bedienden die in een mand de offerwaren met zich mededragen, ontmoet men in kleinere of grootere troepjes alom langs wegen en paden. Oude vrouwen, de voeten gewrongen in nauwe schoenen, die soms niet grooter dan een vinger zijn, strompelen met waggelenden gang en leunende op een langen stok of op den schouder van een jeugdig zoon of kleinzoon, met moeite over de ruwe, met steenen bedekte heuvels. Jonge meisjes, smaakvol en opvallend gekleed in alle kleuren van den regenboog en met bonte bloemen in de glimmende zwarte haren, schateren, lachen en snappen, en toonen dat zij volop genieten

() In het boofdstuk „Maandelijksche Voorschriften” A.
() 踏青,

van deze schoone gelegenheid tot vroolijkheid en pret: de eenige wellicht, die haar in den loop van het gansche jaar veroorlooft de muffe binnenvertrekken van het ouderlijk huis en de smerige nauwe straten van de stad te verwisselen met de reine lucht der bergen. Het is alsof men den dichter hoorde zingen:

en

» Zoel droppelt de vuurregen zachtkens ter neder,
„Blij loopen de dauwtrappers over en weder” (6); -

doch het is niet alleen vroolijkheid en vreugdbetoon, waarvan de bergen getuige zijn: ook weeklachten en lijkgezang dringen tot ons door. Het is eene arme weduwe die, omringd door een aantal schotels met spijzen, welke zij voor den afgestorvene heeft bestemd, op hartverscheurenden toon treurliederen zit te zingen te midden van haar hulpeloos kroost, dat niet schroomt middelerwijl nu en dan van de offerspijzen te snoepen. De vroolijke toon, die over het gebergte heerscht, wordt door al dat geweeklaag evenwel in het minste niet gestoord. Niemand geeft er acht op, en iedereen beschouwt zulke luidruchtige teekenen van smart veeleer als een van buiten geleerd en door het gebruik voorgeschreven lijkgezang, dan als eene wezenlijke uiting van diepgevoeld zieleleed. Niet zelden gebeurt het, dat zulk een schepsel op het graf hare klaagliederen zit te zingen van vroeg in den morgen tot laat in den avond.

Wij keeren thans tot onze graf bezoekers terug. Op de begraafplaats aangekomen wordt vuil en onkruid zorgvuldig van den graf heuvel verwijderd en deze, 200 noodig, hersteld; men strijkt de letters van het grafschrift met roode verf bij en bevrijdt ten slotte de steenen zerken van het aanklevende mos. Is deze verrichting afgeloopen, dan plaatst men brandende kaarsen en wierookstokjes in front van den grafsteen en strooit verscheidene velletjes geel of wit papier, waarin evenwijdige, gekartelde insnijdingen zijn gemaakt, over den grafheuvel heen, met het doel om aan te duiden dat de nakomelingen hun plicht behoorlijk hebben vervuld, en niet in de opvolging der voorschriften van de ouderliefde zijn te kort geschoten. De papiertjes dienen ook om te voorkomen dat het graf geschonden wordt, want, mochten gedurende een reeks van jaren de bloedverwanten verzuimen de rustplaats van den doode te reinigen en er, als kenteeken, papiertjes op te leggen, dan bestaat er alle kans dat de oorspronkelijke eigenaar van den grond inbreuk zal maken op de plek, of andere lieden zich den grond zullen toeëigenen om erop te bouwen of nieuwe graven aan te leggen. En om te beletten dat de papiertjes , die — het zij terloops gezegd — een eigenaardig voorkomen aan de met graven bedekte heuvelen geven, door den wind worden weggevaagd, legt men op elk vel een weinig aarde of een stukje steen. Men noemt dit teeh-tsoá (7) of nederdrukken van papier.”

() Gedichten van Thang Jen Khijen. De „droppelende vuurregen” het en ik mis een naam, die in sommige streken van China gegeven wordt aan den regen van de tweede en de derde maand : - vide Uitvoerige Verklaring van de maandelijksche Voorschriften", het werk, in de noot op bladz. 7 aangehaald.

() 鄉紙,

[ocr errors]
[ocr errors]
« PreviousContinue »