Page images
PDF
EPUB

Inmiddels zijn de meegebrachte offerwaren in front van den vertikalen grafsteen, waarop het grafschrift is gebeiteld, behoorlijk gerangschikt, en ook gedeeltelijk neergezet voor het altaartje van den God van de Landstreek, dat op bijna elk graf van eenig aanzien is te vinden. Wij hebben in onze verhandeling over den 2den van de tweede maand reeds vrij uitvoerig over de beschermgoden der verschillende landstreken gesproken, en behoeven dus niet verder bij hen stil te staan: wij bepalen ons dus er toe te zeggen, dat het bedoelde altaar meestal is samengesteld uit een eenvoudigen opstaanden zerk, zelden hooger dan een voet, die geplaatst is tegen een tweeden steen van kubieken of platten vorm, welke de tafel van het altaar voor moet stellen. Het opstaande zerkje draagt een der vele titels van den Aardgod, die in onze zooeven genoemde verhandeling voor het meerendeel weergegeven zijn doch de opschriften; „Koningin-Aarde” (8), „Geest des Geluks” (°), of eenvoudigweg „Geluk” (19) komen het meeste voor. Het is stellig overbodig nader te verklaren waarop de vereering van den Aardgod in verband met de grafplechtigheden berust. Immers, als tutelaire god van iedere landstreek is hem het patronaat opgedragen over het graf, en men offert dus om hem te bewegen den geliefde te beschermen, dien men aan zijn schoot, aan zijne zorgen heeft toevertrouwd. Daarom zet men een gedeelte van de offerwaren voor zijn altaar neder, en biedt die aan met een brandofter van goud papier onder het verrichten van al de eerbewijzen, die men aan de goden is verschuldigd. Vervolgens knielen de graf bezoekers ook neder voor de rust plaats van den doode, slaan het hoofd tegen den grond en verrichten overigens dezelfde plechtigheden, die bij elke offerande aan de voorvaderen worden in acht genomen. Men verbrandt daarop eenige bundels goud- en zilverpapier en ontsteekt mertjons ter verjaging van de hongerige duivels , die zich het voedsel van den doode zouden willen toeëigenen, en ten slotte worden de offerwaren ingepakt, naar huis genomen en opgegeten door de leden der familie en de geinviteerden van dien dag.

Vele graf bezoekers, begeerig den feestdag verder door te brengen met dauwof, liever gezegd, groentrappen, brengen de offerwaren echter niet naar huis, maar verorberen ze op het veld of in een naburigen tempel bij wijze van pique-nique. De koekjes en andere lekkernijen worden dikwijls nog staande op het graf aan de kinderen en de omstanders uitgedeeld. Dat echter alleen de meer gezeten lieden zich de weelde van een pique-nique kunnen veroorloven, ligt voor de hand, doch hoe vroolijk het ook op die landelijke feesten toegaat, dit moet ter eere van de Chineezen worden gezegd, dat men ze niet in beschonken of onbehoorlijken toestand zal zien geraken. In dit opzicht steekt hun groentrappen dan ook allergunstigst af bij het dauwtrappen van het Hollandsche volk, hetwelk maar al te dikwijls uitloopt op dronkenschap, vechtpartijen en andere tooneelen van dien aard.

Doch behalve dat er in de bergen wordt geofferd en de graven worden schoongemaakt, hetgeen men ,offeren en vegen” (") noemt, is men ook gewoon de oude

(9) Bladz. 118, noot 8. () Bladz. 113, noot 40. (+0) TE (")

() 祭掃,

[ocr errors]

een

en vervallen rustplaatsen van de dooden, hetzij kort vóór of kort na tsjhing-miáng, hetzij op dezen dag zelven, te herstellen en te vernieuwen. De tien dagen vóór en de tien dagen na den in den almanak aangegeven datum waarop de feestdag valt, om vatten een termijn waarbinnen men al de grafplechtigheden verrichten moet. En daar deze periode altijd als gelukkig wordt beschouwd, zoo behoeft de Chinees, die in den regel nooit iets van belang onderneemt zonder eerst den almanak of den waarzegger te hebben geraadpleegd, zich geen zwaar hoofd te maken over het kiezen van een geschikten dag. Ja, er zijn zelfs lieden die de gansche maand, waarin de tsjhing -miáng valt, als gelukkig beschouwen met de tien eerste dagen van de volgende maand incluis ; doch dit geldt slechts voor degenen, die door ziekte of andere omstandigheden in de onmogelijkheid verkeerden het graf bezoek in de feestperiode zelve af te leggen.

Vervallen graven worden binnen het verloop van dien tijd vernieuwd, hersteld en schoongemaakt, en beenderen opgegraven en in potten gelegd, ingeval de nabestaanden mochten vreezen, dat de lijkkist niet meer in staat is aan het indringende regenwater en de aarde wederstand te bieden. De overblijfselen worden eerst zorgvuldig bijeengezameld en schoongemaakt, en vervolgens geplaatst in een steenen pot of urn in de natuurlijke volgorde, van de voeten te beginnen en eindigende met deo schedel, die, gewikkeld in een stuk papier waarop neus, mond en oogen zijn geschilderd, boven op het overige gebeente wordt gelegd. De staart en de haren werpt men gewoonlijk weg. De urnen heeten kiem-tāng (12) of potten van metaal”, naam die het vermoeden doet rijzen, dat in vroeger tijd metalen urnen werden gebruikt in plaats van aarden potten, zooals thans. Men begraaft die potten òf afzonderlijk òf ten getale van twee of meer tezamen in een nieuwen kuil, of zet ze tot dat een geschikt tijdstip of een gelukkige begraafplaats is gevonden, ergens in het gebergte in een spleet of rotskloof bij, of onder een overhangend rotsblok waar zij onaangeroerd en rustig staan, en droog. Het begraven van urnen heet tốờng-Kiem (18) of begraven van metaal,”

Het doel, dat men met het overplaatsen van de beenderen in potten beoogt, is tweeledig. Vooreerst is een steenen urn niet zoo vergankelijk als een houten kist, en behoeft men, als zij slechts behoorlijk is begraven, in langen tijd niet naar de stoffelijke overblijfselen om te zien; en ten andere spaart men zich de onkosten uit van een tweede graf, zonder dat men zich schuldig maakt aan heiligschemnis door de beenderen weg te werpen of te begraven in een gemeenschappelijken put. Want in het oog van

een Chinees is dit de grootste gruweldaad, die men jegens eenen afgestorvene begaan kan, en eene handeling, die stellig door den geest van den doode op de bedrijvers zal worden gewroken. Het is ook een werk van verdienste uit verwaarloosde en ingestorte graven beenderen te verzamelen en in urnen te doen, en niet zelden worden gelden ingezameld om zulk een liefdewerk op uitgebreide schaal voor

(*)

金朝 (*) 華金

[ocr errors][ocr errors]

een

[ocr errors]

gemeenschappelijke rekening te verrichten. Toen op het eilandje Ków-Long-Sõe (14), waar de vreemde nederzetting van Emoy gevestigd is, het Clubgebouw werd opgericht, werden vele graven geruimd en wierp men, tot groote ergnis en woede der bevolking, de opgegraven beenderen door elkander op een hoop. De bewoners lieten het echter niet bij wraakgeroep over zulk een heiligschennis, maar brachten geld bij

en begroeven de overblijfselen wederom met de noodige ceremoniën en plechtigheden op eene andere plaats.

Verkeert een graf in bouwvalligen toestand, en is het zóó slecht, dat de herstelling onmogelijk kan wachten totdat de jaarlijksche periode van de reiniging der graven aanbreekt, dan breekt nood natuurlijk wet en kiest men ten spoedigste, met behulp van almanak of waarzegger, een willekeurigen gelukkigen dag voor de reparatie uit. Doch is de tsjhing-miáng niet ver meer af, dan dekt men het graf zoo goed men kan voorloopig met steenen en potscherven dicht en wacht totdat de bewuste periode dáár is, als men kan verbouw

uwen en herstellen zonder zich om almanak of waarzegger te bekommeren.

Wanneer eindelijk in den loop van dien dag de zon gaat dalen, en de opgeruimde menigte zich door de velden en over de bergen heen naar de stadspoorten spoedt, dan steken de vrouwen en kinderen zich bloeiende korenaren in het haar en plukken bloemen langs den weg. „Twee jaren achtereen”, zoo spreekt een dichter (15) – » bevond ik mij gedurende het tijdperk van het koude eten te midden van de pracht »van de hoofdstad. Waar ik het oog liet rusten streek de lentewind over de wov ningen heen.

De paarden, met metaal en zijde opgetuigd, hinnikten vrolijk op de "grasvlakten, en schoone vrouwen plukten bloemen langs den weg.” - Men wil de lente, het leven, den groei en de jeugd, die de geheele Natuur bezielen, overbrengen naar zijn huis, in de hoop dat alles wat zich daar bevindt dit hernieuwde leven, diezelfde schoonheid van den lentetijd, dienzelfden groei en jeugd deelachtig moge worden. Natuur is als herboren. Zij is jeugdig, frisch en groen, en haar voorkomen spreekt uit de kleuren der bloemen, die de velden bedekken: men plant die bloemen over in zijn woning, en tegelijk daarmede het jeugdige frissche leven der Natuur met hare jeugd en schoonheid. Steekt men koren in het haar dan wordt men vet en blank” (16), zegt het volk.

„Such are the harmless, if not meritorious forms of respect for the dead", zegt Sir John Davis, 'which the Jesuits wisely tolerated in their converts, knowing »the consequences of outraging their most cherished prejudices” (17). Het was de bekwame Ricci, die in de zeventiende eeuw de baan voor de missie brak, en na hem

("") Zie Inleiding bladz. VIII.

(15) Hoe Hwej A. (6) Tshah béh thang poei péh tim HJ CÉ. Wij zullen in de volgende § doen zien, dat dit brengen van groen naar de huizen gepaard gaat met het versieren van de deuren met bladeren en takken: een gebruik dat ook alom in de Westersche landen wordt gevonden.

(") Wells Williams, „The Middle Kingdom", hoofdst. XVIII.

de geleerde Schaal, wien het gelukte de leiding van de Keizerlijke sterrenwacht in handen te krijgen en de deuren van China nog wijder voor de Propaganda open te zetten. Het waren verder Magaillans, Verbiest en een dertigtal anderen, die met wonderbaar succes het ruime veld bewerkten, hetwelk nog onbearbeid vóór hen lag, doch naijverige Franciscanen en Dominicanen drongen naar de bres, door hunne bekwame voorgangers gemaakt, en vernietigden door ijverzucht en dweeperij wat na zoo lange reeks van jaren en met zoo groote moeite was tot stand gebracht. Ricci had zijnen medevolgelingen van Loyola voorgeschreven den dienst der voorvaderen onder de bekeerlingen te laten bestaan, ten einde hunnen overgang tot het Christendom in de hand te werken en gemakkelijk te maken; en dit was het vooral wat tweespalt in het leven riep, en aanleiding gaf dat te Rome een aanklacht tegen hen werd ingebracht. Paus Innocentius X had de onvoorzichtigheid zich te scharen aan de zijde van het meer bigotte en domme deel van zijne dienaars. Hij bekrachtigde in 1645 het veroordeelend vonnis, hetwelk de Propaganda reeds over de houding der Jezuiten tegenover den Chineeschen voorvaderlijken eeredienst had uitgesproken, doch hoewel zijn edict jarenlang zonder grooten invloed op den gang der missie bleef, toch gaf het den vijanden der Jezuiten een machtig wapen in de hand, en vestigde het voor altijd de aandacht op de vrijzinnige bekeeringsbeginselen van de orde. In 1704 verscheen een nieuw edict, en wel van de hand van Clemens XI, waarin de zienswijze van de volgelingen van Loyola nogmaals werd veroordeeld en bevel gegeven dat geen Chineesch Christen ooit gebruiken en gewoonten aan zou kleven, waarover de Paus het anathema uitgesproken had. Een afgezant, Tournon geheeten, werd naar China gezonden om het edict af te kondigen doch men had gerekend buiten Keizer Khang Hi, een man met een ijzeren wil en ten zeerste naijverig op alles wat slechts zweemde naar inbreuk op zijn gezag.

Deze was er inderdaad de man niet naar om zijn volk door een Paus van Rome wetten te laten stellen. Een tegenedict werd door hem uitgevaardigd, waarin hij verklaarde dat alleen de zendelingen, die de beginselen van Ricci volgden, zouden worden geduld, maar dat vervolging zou worden ingesteld tegen elkeen, die zich naar het edict van Clemens richten zou. Doch ook van zijnen kant zat Tournon niet stil, en bedreigde elken Christen met den kerkelijken ban die de pauselijke bevelen zou durven overtreden: een stap die tengevolge had dat de Keizer in 1718 aan elken zendeling, tenzij met zijne speciale vergunning, het verblijf in zijn Rijk ontzegde. Want hij zag zeer goed in dat later geen enkel Christenprediker meer naar China zou gezonden worden, die zich niet vooraf door de duurste eeden had verbonden de inzichten van den Paus te volgen, en het was ook met het oog hierop, dat zijn opvolger Joeng Tsjing in 1724 de prediking van het Christendom geheel en al verbood als strijdig met de hào (18), d. i. de leer der ouderliefde. ver hunne tegenwoordigheid te Peking niet werd op prijs gesteld werden alle zendelingen uit het land gebannen, en verscheidene werkelijke of quasi-bekeerlingen, die

(") *. Dit lettertecken stelt voor een oude ť, onderschraagd door zijn kind F.

Voor zoo

gebracht.

[ocr errors]

reeds tot honderdduizenden waren aangegroeid, naar men zegt met den dood gestraft wegens vergrijp tegen de Keizerlijke edicten. Tot zulk een treurig uiteinde verviel een missie, die met zooveel moeite, inspanning en beleid was ontworpen en tot stand

Het is moeielijk in te zien waarom de Propaganda en dè Paus zoo sterk op den voorvaderlijken eeredienst en de grafplechtigheden der Chineezen waren gebeten. Men weet dat slechts de zucht om met zijne voorgangers vereenigd te blijven en met de nakomelingen te verwijlen aan den dienst der overledenen ten grondslag ligt: waarom zou dus die vereering van de afgestorven zielen, die toch, volgens de leer der Katholieke Kerk zelve, onsterfelijk zijn, niet kunnen hand aan hand gaan met den dienst van dat heirleger van heiligen en zaligen wier vereering wèl wordt toegelaten, ja zelfs zóó wordt aangemoedigd dat zij den dienst van de Godheid zelf ten eenemale overvleugelt en verdringt? Men denkt hier onwillekeurig aan het verwijt, dat den zwarten ketel door den do pot naar het hoofd geslingerd werd. Bovendien viert de Katholieke Kerk toch ook zelve een Gravenfeest. Het valt op den 2den November, den zoogenaamden Allerzielendag, en alles stroomt dan naar buiten naar de kerkhoven, om op de graven der afgestorvenen bloemen te offeren en voor het heil der zielen te bidden. De priesters zingen bij die gelegenheid hunne litaniën en requiems en besprenkelen de graf heuvels met wijwater, en vooral zij, die eerst kortelijk een afgestorvene te betreuren hebben gehad, nemen aan de plechtigheden deel. De overeenkomst met den tsjhing-miáng dag is inderdaad niet zoo heel ver te zoeken: alleen offeren de Chineezen welriekenden wierook in plaats van welriekende bloemen, en voegen er nog eenige eetwaren ter versnapering van de zielen aan toe. Men zal uit onze verhandeling over de zevende maand (19) zien, dat ook de Boeddhistische priesters op hun Allerzielenfeest, evenals hunne Katholieke collega's op den 2den November doen, een soort van wijwater sprenkelen, opdat de zielen er mede mogen gelaafd en verkwikt worden.

De Christenen hadden dus den Chineezen niet zoo heel veel te verwijten, maar kleingeestigheid en ijverzucht in eigen boezem maakten het werk van bijna een eeuw ongedaan, en brachten de Roomsche missie een slag toe, waarvan zij tot nog toe niet is kunnen bekomen. En meteen kreeg het Pausdom eene gevoelige les, en leerde inzien, dat niet alle vorsten op de wereld inbreuken dulden op hun gezag van den kant van een vreemden soeverein, die zich absolute heerschappij over den menschelijken geest ten doel heeft gesteld. Welk vorst in Europa had tot nog toe den moed gehad om te doen hetgeen Khang Hi deed ?

Ook de tot de leer van Mohammed bekeerde Parsen hebben hun jaarlijksch Gravenfeest, en men vindt hetzelve dus bijna even algemeen als de paascheieren verbreid. Gedurende de tien eerste dagen van de maand Moharram worden des morgens en 's avonds treurbijeenkomsten gehouden ter herdenking, zooals het heet, van den dood van Hassan en Hoessein, de twee eerste martelaren voor de leer van Mohammed. Processies trekken heen en weder waarin de Tazias als symbool van de droefheid en

(19) Sub II, 2.

« PreviousContinue »