Page images
PDF
EPUB

de Dhal-Dhal, Hoessein's paard, met andere voorwerpen worden rondgedragen om daarna begraven te worden, en Tabuts of tijdelijke mausolea worden opgericht om wierook te branden en grafplechtigheden te verrichten. Deze Tabats zijn klaarblijkelijk overblijfselen uit vroegere godsdiensten, op wier bouwvallen de İslam zich gevestigd heeft, want de Koran noemt ze niet en in Arabië zijn ze onbekend : ja, vele orthodoxe Muzelmannen zien er zelfs met afschuw en minachting op neer.

De Farurhardin Jasan eindelijk, of het zielenfeest der nog onbekeerde Parsen, biedt nog meer punten van overeenkomst met het Chineesche Gravenfeest aan. Niet alleen dat de volgelingen van Zoroastér evenals de Chineezen de nagedachtenis der dooden in hunne huisgezinnen zorgvuldig bewaren door het verrichten van geregeld terugkomende ceremoniën: ook brengen zij jaarlijksche offeranden aan de zielen waarom niemand zich bekommert, dezelfde ongeveer, die men in China in de zevende maand (q. v.) terugvindt. Men vervaardigt ronde koekjes, die den naam dragen van daruns en met allerlei andere offerwaren door de priesters worden gezegend en behekst;men offert vervolgens alles aan de zielen van de afgestorvenen en trekt gezamenlijk de bergen in naar de begraafplaatsen, om er te offeren en voor de zielerust der dooden te bidden.

Het Gravenfeest van de Javanen gelijkt ook in vele opzichten op dat van de Chineezen. Het wordt gevierd in de achtste maand van het Mohammedaansche jaar, nde maand Saban, en deze heeft daaraan zelfs een nieuwen naam, dien van Roewah rontleend, waarmede zij gewoonlijk op Java genoemd wordt. Dit roewah is eigenlijk ween verbastering van het Arabische arwahh, het meervoud van roehh, geest. De Mohammedaansche invloed is hier merkbaar daarin, dat voor de vereering der geesten wvan de afgestorvenen eene maand van het Mohammedaansche jaar is afgezonderd, en rdat de nieuwe naam dier maand niet oorspronkelijk Javaansch, maar Arabisch is. » Het is uit zalke voorbeelden duidelijk, dat zij die den Islam op Java gevestigd » hebben, den overgang voor den inlander gemakkelijk hebben gemaakt, door zich unaar zijne denkbeelden en gebruiken te schikken (20). De hulde aan de overledenen win de maand Roewah bestaat deels in het schoonmaken hunner graven, deels in of» fermalen , die waarschijnlijk, naar het verschillend standpunt van den inlander, nu reens als offers aan, dan eens als offers voor de zielen der afgestorvenen worden opgeuvat (21). Voor die offers is wel de maand, maar geen bepaalde dag in de maand maangewezen (22). De gebruiken bij die offers schijnen, evenals hunne namen, in de wverschillende deelen des eilands zeer te verschillen. Volgens den heer Poensen (23) hebben zij in Kediri plaats ten huize van het dessahoofd, waar zich de dessabewoners,

(20) Dit is dezelfde politiek, die, zooals wij hebben gezien, de Jezuiten in China ten opzichte van hunne bekeerlingen huldigden, en er misschien een Christendom met voorvaderlijken eeredienst zou hebben gesticht, indien de Pausen niet tusschenbeiden waren gekomen.

(^^) Bij de Chineezen is het eerste het geval. Zij ofteren op het graf aan, niet voor den doodė. (*) Juist als iň China, zooals wij hebben doen zien. (*) Mededeelingen” X, 31.

[ocr errors]

#gewoonlijk des avonds, verzamelen, ieder zijne offergave van sěkoel poenněl (op bijuzondere wijze gekookte rijst) en toespijs met zich brengende. Deze spijzen worden wverdeeld in acht ambëngs (portiën op één schotel voor drie of vier personen), vier y gewijd aan Adam en Eva en vier aan den beschermgeest der dessa (24), tot ver

werving van hun voorbede en zegen. De geheele avond is verder aan de feesutelijkheid gewijd.....” (25), want de Javanen handelen met hunne offerspijzen evenals de Chineezen, en verorberen ze na de plechtigheid of zenden een deel ervan aan vrienden en bekenden. Een Mohammedaansch schrijver zegt: „bij alle andere v volken worden de offeranden door het vuur verteerd, zoodat noch goeden noch boozen wer iets aan hebben ; volgens onze wet daarentegen blijven zij in het bezit van den

die ze offert” (26). Hij had echter voor de Chineezen mede eene uitzondering moeten maken op dezen door hem gestelden regel.

De bewoners van het eiland Bali, die nog het Hindoeisme belijden, vieren hun Gravenfeest op galoengan of Nieuwjaarsdag. „Tot de plechtigheid van den morgen van ndezen dag behoort, dat de vrouwen een gedeelte van de banten (offerwaren) — hoofdw zakelijk gekookte rijst, die als zoodanig poendjoeng heet — naar het kerkhof brengen ven den geesten der afgestorvenen voorzetten..... Eerst als dit afgeloopen is wordt wde feestmaaltijd gehouden” (27).

ngeen

§ 2.

HET VERSIEREN VAN DE HUIZEN MET GROEN.

naar

In de vorige ş hebben wij gezegd, dat de wgroentrappers” van den tsjhing-miáng. dag zich bij het huiswaarts keeren met groene korenaren tooien en bloemen plukken langs den weg, ten einde aldus als het ware de lente met zich mede te voeren huis; — wij dienen thans over dit gebruik nog een weinig verder uit te weiden, en het in verband te brengen met een ander hetwelk te Emoy slechts bij uitzondering, op het vasteland daar rolidoin heen daarentegen zeer algemeen in zwang is : -- wij bedoelen het bevestigen van groene takken aan de deuren van de huizen. Dit schijnt een gebruik van ouden datum te wezen, hetwelk echter, blijkens sommige oude werken, niet steeds overal op denzelfden dag en op dezelfde wijze zich uitte. Zoo zegt 0. a. de „Geschiedenis van de vijf Dynastiën" (28), een werk uit de tiende eeuw, dat in

(**) Deze offerande aan den tutelairen god van de landstreek brengen de Chineezen ook. Zij doen het, zooals wij hebben doen zien, om zijne bescherming af te bidden over het graf: zouden de Javanen met hune offerande aan den dessa-god niet hetze'de beoogen? (25) Veth, «Java”, I, bladz. 322.

(2) Dozy, de Israëlieten te Mekka”, 143; - ap. Vetb, op. cit., bladz. 323.

(27) R. van Eck, Schetsen van het eiland Bali”, VIII; - ap. Tijdschrift van Neder. landsch Indië”, Jaarg. IX, 1880; bladz. 410.

() . Dit werk behelst de geschiedenis van de vijf kleine vorstenhuizen, die het interregnum aanvulden tusschen de Thang- en de Soeng-dynastiën, en dus het tijdperk

zoozeer

aan

de landstreek tusschen de Jang-tsze rivier en de Hwai (29), dus in het centraal gedeelte der provincie Nganhwoei, ieder huisgezin in de periode van het koude eten een wilgetak afsneed en in de deur stak; - een ander werk plaatst het gebruik in de derde maand en toont tegelijkertijd, dat het niet allerwege onder denzelfden vorm zich voordeed (30). Het zegt namelijk: „In de derde maand ging het volk van het rijk Tsjing (81) op ude rivieren Wej (32) en Tsjin (38) met orchidaeën in de hand de spoken en zielen vsmeeken ongelukken af te wenden.” De „Geschiedboeken van de Soeng-dynastie” (34) voegen

hieraan toe, dat sinds het vorstenhuis der Wej (35) het gebruik was vastgesteld op den 3den van de derde maand, en men er niet meer (zooals vroeger) de geheele periode siõng-sòe (36) aan wijdde. Het blijkt dus uit dit alles, dat de gewoonte om de huizen met groen op te sieren en orchidaëen rond te dragen oorspronkelijk niet

een bepaalden dag gebonden was, dan wel aan eene langere periode van het voorjaar. In Foeh-Tsjowfoe, de hoofdstad der provincie Foehkjen, hangt men een soort van guichelheil of eenig ander kruid uit op den derden dag van de derde maand (37), terwijl, volgens den Kalender van het landschap King-Tsjhoe, in de streken waarvan dit boek de zeden en gewoonten beschrijft, reeds op den 15den van de eerste maand een wilgetak in de deur gestoken werd, en daarna een maaltijd aangerecht ter plaatse waarheen de tak zich neigde. Dat bij al deze gebruiken vooral de rol groot schijnt geweest te zijn die de wilgeboom speelde, blijkt nog bovendien zeer duidelijk uit het werk: „de Jaargetijden van Kin-Mun” (38), waarin men leest dat de bevolking van Loh-Jang (39), d. i. het noordelijk gedeelte van de tegenwoordige provincie Honan, gedurende de periode van het koude eten zelfs gierstebrij met wilgenbloesems toebereidde. Wij willen trachten na te gaan of al die gebruiken uit het voorkomen der Natuur in de lente kunnen verklaard worden, en tevens of uit de eigenschappen van den wilg kan worden opgemaakt waarom men dezen boom bij voorkeur zulk een voorname rol in het voorjaar spelen liet.

De meeste Chineezen trachten de gewoonte om de huizen in de lente met groene takken op te sieren, met behulp van eene fabel of legende te verklaren. Eens, zoo wordt verhaald, gebeurde het dat een oproerling, Hwang Tsjhao (40) geheeten, de

A. D. 907–960 ongeveer omvatten. (20) M (*) De # ; ap. „Vermeerderde en verbeterde Schatkamer van allerhande Dingen”, hoofdst. V, E E. (') (*)

(“Er is hier sprake van het noordelijk gedeelte der tegenwoordige provincie Honan. (“) # , hoofdst. 1o. Het huis der Soeng regeerde tusschen A. D. 960 en 1206. (*)

() 魏 Dit vorstenhuis van Hunschen oorsprong, hetwelk in A. D. 386 ontstond, is vroeger, op bladz. 60 noot 135, reeds ter sprake gebracht. (16) Boven, bladz. 164.

("') Doolittle, Social Life of the Chinese”, hoofdst. XX. (*) # Piso p.
(*) 洛陽,
(*)黄集,

Fer

van

[ocr errors]

provincie Foelkjen te vaur en te zwaard verwoestte. Alles vluchtte voor hem uit. Toen hij het dorpje Sjih-Pih ("") naderde, vloden de bewoners met alles wat hun lief en dierbaar was, en droegen hun have en goed naar het gebergte in veiligheid. Onder de vluchtelingen bevond zich eene vrouw met twee jongetjes : het grootste droeg zij op den rug, terwijl zij het kleinere kind met zich voerde aan de hand. In de verwarring nam zij echter een verkeerden weg, en liep rechtstreeks in de handen van het hoofd der oproerlingen. Hwang Tsjhao gaf bevel haar te grijpen, en vroeg haar wat de reden was waarom zij den grootsten knaap op den rug droeg en den jongsten loopen liet. „Ach, antwoordde zij, — " de grootste is de broeder van mijnen man, maar de kleinste is mijn eigen kind. Stel dat ik mijn eigen zoon verliezen 'moet, dan bestaat er nog altijd kans dat ik geboorte aan een tweeden geef, maar het verlies

een zwager kan ik niet vergoeden, en dus ben ik wel verplicht voor dezen het meeste zorg te dragen.” — Ga rustig naar uw dorp terug,” zoo sprak Hwang Tsjhao, men steek een tak van Dolichos tuberosus (?) (42) boven in de deur van uwe woning , en ik zal mijn soldaten bevel geven uw huis te sparen. De vrouw deed zooals haar bevolen was, en toen hare buren de bedoeling ervan hadden begrepen volgden zij haar voorbeeld, zoodat ten laatste aan elke huisdeur een tak van de Dolichos was te zien. Kort daarop kwam eene afdeeling der oproerlingen aanzetten, doch daar zij strikt bevel hadden ontvangen elk huis te sparen dat met een Dolichos was voorzien, durfden zij geene enkele woning schenden, daar zij alle op die wijze gewaarmerkt waren. Het bericht dat het dorp eene veilige schuilplaats tegen het zwaard der rebellen aanbood, verspreidde zich spoedig onder de vluchtelingen van den omtrek. Hoopen volks stroomden van alle kanten naar het dorpje Sjih-Pih, en vertoefden er eenigen tijd als Hakka's (43), d. i. emigranten of gasten, een naam, dien hunne nakomelingen tot op

heden hebben bewaard. Toen de vrede was hersteld verlieten zij liet dorp, waar zij een tijdelijk onderkomen hadden gevonden, en trokken naar het Zuiden, ten einde zich een nieuwe heimat te stichten in de bergen van het Noordoosten der provincie Canton (44). En dit is, volgens de legende, de oorsprong van de HakkaChineezen van den huidigen dag.

Inderdaad is het een historisch feit, dat tegen het einde van de Thang- dynastie een opstandeling Hwang Tsjhao tallooze aanhangers in de tegenwoordige provincie Kwangsi bijeenbracht, daarmede een groot gedeelte van het Rijk teisterde en zelfs in A. D. 880 de Keizerlijke residentiestad Tsjhang-Ngan (45) veroverde, waar hij zich tot alleen heerscher van China uitriep. Eerst in 884 werd hij met behulp van Tartaarsche

(*) In het district Ning-Hwa asil, departement Ting-Tsjowfoe (zie bladz 7).

(1) 葛藤(C)客家,

("") China Review”, deel II, bladz. 223: von the Origin and History of the Hakkas", door Ch. Piton.

(") Zie boven, bladz. 82.

[ocr errors]

troepen verslagen en door zijne eigene aangangers om het leven gebracht (48). De geschiedenis van zijnen opstand is beschreven in de Gedenkschriften van den Ondergang van het Huis der Thang en van de vijf Dynastiën" (47).

Het is, zoo zegt het volk, van af dien tijd, dat het gebruik in zwang gebleven is de deuren te versieren met een groenen tak als het zinnebeeld van veiligheid en vrede, en opdat ongeluk de huizen voorbij zal gaan. Doch het ongegronde en gezochte van zulk eene verklaring springt onmiddelijk in het oog, want zou ooit zulk eene voorbijgaande gebeurtenis in een klein gedeelte van het Chineesche Rijk geboorte hebben kunnen geven aan zulk een algemeen verspreide en diep ingewortelde gewoonté, waarvan bovendien, zooals wij hebben gezien, zelfs de sporen reeds te vinden zijn in een werk als de Kalender van King-Tsjhoe, dat drie eeuwen vóór den oproerling HwangTsjhao bestond ? Steeds is een Chinees er op uit aan zijne gebruiken, waarvan hij zich niet behoorlijk rekenschap te geven weet, een sage of legende vast te knoopen, die in zijn oog alles opheldert en verklaart, doch wij zullen dezen gemakkelijken passepartout, die tot den oorsprong van alle mogelijke zeden en gewoonten wel een toegang forceeren kan, liever laten voor wat hij is, en naar deugdelijker ophelderingen trachten.

Wij beginnen met voorop te stellen hetgeen reeds boven is gezegd en door aanhalingen uit oude werken gestaafd, namelijk dat het bevestigen van groene takken in de huisdeur niet beperkt is tot een bepaalden dag, maar plaats had, of nog plaats heeft zoowel op den 15den van de eerste als op den 3den van de derde maand, verder gedurende de geheele periode van het koude eten en eindelijk op den dag van het Gravenfeest. Het gebruik is dus blijkbaar verbonden aan het lentejaargetijde. Ook geen bepaalde soort van plant werd tot het groenmaken gebezigd, maar wij hebben doen zien dat ook wel orchidaeën optraden naast den wilgeboom, en thans nog guichelheil of dergelijke kruiden worden uitgehangen. Men gebruikt in de provincie Foehkjen zelfs zeer algemeen een tak van den vijgeboom Ficus-Indica of Ficus Religiosa, waarover later meer. Al deze variatiën op een en hetzelfde gebruik maken de verklaring ervan veel gemakkelijker, en wij gelooven met gerustheid te kunnen beweren, dat het ten nauwste samenhangt met dat hetwelk reeds in de vorige is aangehaald, namelijk het plukken en medenemen van korenaren uit het veld bij gelegenheid van het wgroentrappen. De gansche Natuur wordt in de lente door de voorjaarszon met een nieuw leven bezield, nadat zij gedurende het afgeloopen winterjaargetijde door den geest der duisternis, den Typhon, den Satan, was gedood en overwonnen; - nieuwe groei- en levenskracht doorstroomt bijgevolg den mensch en alle bloemen en voortbrengselen des velds: het volk verheugt zich in dien ommekeer, en brengt met groen en bloemen de lente naar zijn huis, ten einde de nieuwe groei-en levenskracht, het geluk en de vreugd, die uit haar stralen, te brengen over het gezin. In Engeland

{") Mayers, «Chinese Reader's Manual”, 213. (*"). I H China Review", in loc. cit. Omtrent die vijf dynastiën zie noot 28.

[ocr errors]
« PreviousContinue »