Page images
PDF
EPUB

haalde men de Meimaand in met groen en bloemen, hebben wij gezien (48) ; men tooide er zich met de pas ontloken voortbrengselen der Natuur op verschillende tijdstippen van het voorjaar, of versierde er de vensters, deuren en kerkgebouwen mede. Onder allerhande vormen doet zich die gewoonte in verschillende streken van Europa voor. Oudtijds schijnt het in Engeland gebruikelijk te zijn geweest op St. David's Day (1 Maart) look te dragen op het hoofd of in de kleeren ; althans men leest in Shakespeare's „King Henry V” (49) dat Gower deze vraag tot Fluellen richt: „but why wear you your leek to-day? Saint Davy's day is past."— De Ieren tooien zich op den jaardag van hunnen schutsheilige St. Patrick (17 Maart) met klaver (50); de Joden haalden hun Zonnegod in op een Zondag die zijne intrede en overwinning in het lentepunt Ariës (het Lam) voorafging, met Hosannahgeroep en palmtakken, en ook onze kinderen doen hetzelfde met hunne groengemaakte palmstokken op Palmzondag nog (51); want het oude Joodsche en Heidensche gebruik sloop binnen in de Katholieke Kerk, en wordt er jaarlijks nog herdacht met eene wijding van de groene takken, die tot versiering van altaar en kerkgebouw moeten dienen en aan de geloovigen worden uitgedeeld. Niet alleen echter werden palmtakken gebezigd, maar ook allerlei bloemen en ander groen, zooals takken van den iep, van den olijfboom en zelfs van den wilg (5 2), den boom die ook in de voorjaarsgebruiken der Chineezen zulk een voorname rol speelt. Op Paaschdag worden ten tweede male vele kerken met groen en bloemen opgetooid. In Staffordshire en andere streken van Engeland houdt men nog in vele parochiën op den een of anderen dag vóór Hemelvaartsdag processies, waarin lange staken, met allerhande bloemen van het seizoen opgesierd, rondgedragen worden (53). Het schijnt ook dat het in Engeland de gewoonte was, gedurende de zoogenaamde Kruisweek de straten op te sieren met takken van den berk (54), doch het culminatiepunt van al die feestelijkheden wordt bereikt in de Meimaand, als wanneer jongelingen en meisjes naar buiten stroomen naar veld en bosch om zich te gaan vermeien, en den zoogenaamden meiboom feestelijk in te halen. Zoo verhaalt Bourne (56), dat in zijnen tijd in de dorpen van Noord-Engeland de jongelingschap van beider kunne op den Isten Mei zeer vroeg opstond, en met muziek en hoorngeschal naar een naburig woud trok, ten einde er takken te verzamelen en bloemkransen te vlechten. Tegen zonsondergang kecrde men met

(*) Bladz. 70. (*') Act V, sc. I.

(50) Brand, Observations on popular Antiquities”, bladz. 53 en 54. (5) De palm was steeds het symbool van overwinning: zoo ook hier van de overwinning der zon op de duisternis en koude van den winter. (*) Brand, op. cit., bladz. 61 en volg. (53) Brand, op. cit., bladz. 109. Shaw, in zijne „History of Staffordshire”, zegt omtrent dit gebruik: „This ceremony, innocent at least, and »not illaudable in itself, was of high antiquity, having probably its origin in the Roman offerings of «the Primitiae, from which it was adopted by the first Christians, and handed down, through a sucrcession of ages, to modern times. The idea was, no doubt, that of returning thanks to God, by wwhose goodness the face of nature was renovated, and fresh means provided for the sustenance and y comfort of bis creatures. It was discontinued about 1765." (**) Brand, op. cit., bladz. 111. (55) Antiquities of the Common People", hoofdst. 25.

den buit naar huis en tooide er vensters en deuren mede op (56). Het overige gedeelte van den dag werd vervolgens doorgebracht met het dansen en feestvieren rondom den meiboom, die, met groen en takken opgesierd, in het midden van het dorp was opgericht (57). Hetzelfde gebruik is in Frankrijk in zwang, en daar speelt de warbre de Mai” nog altijd ten platte lande een belangrijke rol.

De oude Romeinen hadden een dubbel Lentefeest. Het eerste werd gevierd in Maart, en Anna Perenna was de naam der godin, aan wier vereering dat tijdstip van het jaar bijzonder was gewijd. Men wenschte elkander een lang en gelukkig leven en krachtige jaren annos perennes toe; men dronk elkaars gezondheid en vierde feest buiten op het veld , want in Italië geniet men in de maand Maart reeds alle genoegens van het landelijke leven (58). De beschrijving, die Ovidius (59) geest, toont hoezeer dat feest geleek op het hedendaagsche tsjhing-miá"), den dag waarop in China nieuwe vuren werden ontstoken en het volk zich gaat vermeien in de lentelucht. „Is het niet op dat tijdstip (de lente-evening), dat de laurierkransen, die het geheele wjaar door aan de deuren van de hoogepriesters en aan het Keizerlijk paleis bevestigd nzijn, alsmede die welke de verschillende curiën versierden, worden weggenomen en "vervangen? En tooit men dan ook niet met groene bladeren den tempel van Vesta,

waarbinnen het vernieuwde vuur weer zuiverder opvlamt?
whoop des volks, dat van alle kanten samenstroomt, verspreidt zich over het groene
"gras ; sommigen vertoeven in de open lucht, anderen zetten tenten op en weder
Handeren maken zich hutjes van takken.

De zon koestert ze van buiten,
Bacchus verwarmt hen van binnen.

en weldra geven allen zich over aan wden dans, aan landelijke rondedansen, waarbij de vrouwen de hangende haren om u zich heen doen fladderen”

(60). Een tweede Lentefeest werd door de Romeinen gevierd gedurende de vier laatste dagen van April en op den 1sten Mei ter eere van de godin Flora, en heeft aan den tand des tijds wederstand geboden tot op heden. Een oude Roomsche Kalender , door Brand aangehaald, zegt, sprekende over 30 April: Maii arbores a pueris exquiruntur : umeiboomen gaan de jongens uitzoeken,” – en nog begeven zich in Italië de jonge lieden van beider kunne op den Isten Mei naar het veld, plukken er takken en plaatsen die boven de huisdeuren, liederen zingende over den geheelen weg, waarlangs zij

Men ziet dus uit deze weinige voorbeelden , dat de Chineezen lang niet alleen staan in hunne viering van de lente met het inhalen van groen en bloemen. En geen wonder, want de lente is zulk een groot keerpunt in het leven van den mensch,

De groote

[ocr errors]

komen (61).

1

1

(56) Brand, op. cit., bladz. 117 en volg. (57) Strutt, Sports and Pastimes of the People of England”, boek IV, boofdst. 3, XV.

(**) Court de Gebelin, „Histoire du Calendrier."
(") De Fast. III.
(9) Musée des Familles”, Januari 1879.
(") Brand, op. cit., bladz, 120 en 128.

[ocr errors][ocr errors][ocr errors]

dat het veeleer vreemd zou mogen heeten indien er een volk bestond dat hare terugkeer niet met het een of ander feest herdacht. De geheele Natuur wordt in het voorjaar als herschapen; de koude verdwijnt en maakt plaats voor eene aangename zonnewarmte; de eerste zware veldarbeid is afgeloopen, en het jeugdig groen der

granen doet den landman hoop koesteren dat een ruime oogst de belooning voor zijn zweet zal zijn. De bloesems zijn ontloken en voprspellen een overvloed van fruit en ooft ; dankbaarheid en hoop bezielen den mensch en stemmen hem tot erkentelijkheid jegens den Zonnegod, die al deze weldaden uit den schoot der aarde te voorschijn komen deed. Vroolijkheid en vreugdbetoon zijn de natuurlijke vormen, waarin de mensch deze gevoelens giet, en groen en bloemen de aangewezen zinnebeelden waarmede hij, ter begroeting van het albezielende hemellicht, zich zelven en zijne woning siert, Vandaar dat de bewoners van Honan zich met orchidaçën op het water begaven , ten einde door de sterke geur dier bloemen de geuren der Natuur van het voorjaar zinnebeeldig voor te stellen; vandaar dat in zoo vele streken elders van het Chineesche Rijk groen en bloemen in deuren en vensters wordt gestoken, opdat het nieuwe kleed, waarin zich de aarde steekt, ook moge worden uitgespreid over den mensch en het huis dat hij bewoont.

Dit alles heldert echter nog niet op waarom, in China bij voorkeur in het voorjaar takken van den wilg worden gebezigd tot het groenmaken van de huizen, en het zal noodig wezen dat het een en ander omtrent dien boom en zijne zinnebeeldige rol voorafga, wil men de beteekenis van dit gebruik begrijpen. Wij zullen ook hier de woorden van Chineesche schrijvers tot richtsnoer nemen,

doch vooraf trachten eenige opheldering te verkrijgen uit eene ontleding van de namen van den wilgeboom.

De wilg is in China hoofdzakelijk onder twee benamingen bekend : Jang en Lioe typ. De eerstgenoemde naam wordt wel is waar in de verschillende deelen des Rijks op zeer uiteenloopende soorten van boomen toegepast, zooals bijv. op den esp of populier, doch ten Zuiden van de Jang-tsze, waar de esp zeldzaam is, worden beiden, Jang en Lioe, steeds door het volk beschouwd een en denzelfden boom, en wel den gewonen wilg, te vertegenwoordigen, en als zoodanig altijd vereenigd geschreven (62). De naam Jang is volkomen gelijkluidend, ook wat toon betreft, aan den naam van het mannelijk beginsel der Natuur, waarvan de zon de voornaamste zetelplaats, de voornaamste werkkracht is (63), en zelfs worden beide op overeenkomstige wijze geschreven. Want de zon, als vertegenwoordigster van het mannelijk principe, heet , of oudtijds eenvoudig $, een letterteeken dat, gevoegd achter den hieroglyphvorm van een boom *, het karaktert vormt, hetwelk dus, ontleed, zooveel beteekent als zonneboom of boom gewijd aan de zon. En waarom was de wilg aan de zon gewijd ? Vroeger, in onze beschrijving van den 15den dag des jaars wezen wij er reeds in het breede op, hoe de eerste maand van de lente is, gewijd aan

[ocr errors]

(69) Zie Williams, „Syllabic Dictionary', verbo cit,
(€) Vergel. bladz. 45, noot 72.

d. W.

Z.

de vereering van de zon, die van dag tot dag toeneemt in sterkte en kracht: nu dan, in dezelfde maand begint ook de wilgeboom leven te vertoonen en groene bladeren te krijgen. „In de eerste maand ontluiken de bladeren van den wilg,” zegt het „Boek der Ritualen van Tai den Ouderen (64)". De boom wordt dus als het ware herboren met de zon. Zijn taaiheid en levensvatbaarheid maakten hem bovendien tot zinnebeeld van de eeuwigheid in het leven der Natuur, en bijgevolg tot vertegenwoordiger van de kracht der zon,

van dat hemellicht hetwelk de bron van alle leven in zich sluit, eeuwig is en allen groei en vruchtbaarheid in zich vereenigt. De wilg is inderdaad een der krachtigste planten die bestaan. „Geheel zijn voor»komen is in overeenstemming met zijn taaie levenskracht. Zoodra de boom zijne njeugdige kruin verheft, verschijnt de bijl om deze weg te kappen. Maar hij is onster» felijk als de olijfboom, en na elken roof schiet hij nieuwe loten. Zelfs in de lidtee

kepen, door het ijzer achtergelaten, verzamelt zich de groeikracht. Zij zetten zich nuit, er ontwikkelt zich een monsterachtig hoofd, en zonderlinge gedaanten treden » hieruit te voorschijn. Juist deze kracht doet den stam, die gestadig in dikte toev neemt, eindelijk scheuren: eerst komt er een kleine spleet, dan een dieper afdalende »kloof, en eindelijk barst hij tot aan den wortel vaneen, zoodat de zijden zich meer wen meer openen en het maanlicht nieuwsgierige stralen werpt in zijne vermolmde vingewanden. Maar ook thans is het leven van den knotwilg nog geenszins vernietigd. » Immers, terwijl uit het opgespleten lichaam heesterachtige woekerplanten te voorschijn wtreden of het vuur van den schaapherder hem zoo ver mogelijk heeft verkoold, ontrluikt uit de gescheurde schors met ieder voorjaar een nieuwe bundel twijgen, waarin rde vogelen des wouds hunne nesten bouwen” (65). Het oude Chineesche woordenboek Phi Ja (66) zegt: „de wilg is zeer buigzaam en zacht en groeit gemakkelijk; al plant wmen hem vertikaal, in schuinschen stand of onderst boven, toch groeit hij.” Deze eigenschappen maakten hem, evenals de zon, tot zinnebeeld van de onsterfelijkheid en van het eeuwig, 'leven; van daar dat de heiligen (67) der Taoisten, die naar het levenselixir zochten, zoo dikwijls worden voorgesteld als levende en werkende onder een wilgeboom: van daar misschien ook wel, dat in Europa allerwege wilgen op de begraafplaatsen worden geplant.

Als zinnebeeld van de levengevende kracht der zon ziet men dus in China den wilg voornamelijk in het voorjaar optreden (68), dat het jaargetijde van de zonvereering bij uitnemendheid is. Laat ons nu tot de ontleding van den naam Lioe overgaan.

(*) 大戴禮, een werk dat in de eerste eeuw vóór onze jaartelling door compilatie van oude documenten tezamen is gesteld, en een der hoofdbronnen werd waaraan de meermalen genoemde Li-ki zijn ontstaan te danken heeft. Verg. Wylie, „Notes on Chinese Literature,” ladz. 5.

(5) „Natuurstudiën", naar het Hoogduitsch van Dr. Masius, door A. Winkler Prins.

(9) L (©) De Sijen of Genii, waarover in onze verhandeling over den 3den van de tweede maand 3 uitvoerig is gesproken. (9) Men zal hem ook als, zoodanig weder zien verUit noot 4 van onze verhandeling over den 3den van de derde maand kan men het ontwaren, dat de tweede maand van het Chineesche jasr, waarin de dug- en nachtevening valt, den naam draagt van «de geopende deur”, sp, en wel omdat op dat tijdstip de poorten van het noordelijk halfrond, gelegen op het punt waar de eqrator de ecliptica snijdt, als het ware worden opengeworpen om toegang te verleenen aan de zon: aan dien weldoenden god, die alle voortbrengselen, welke als een kleed van groen en bloemen over de aarde worden uitgestrooid, met zich brengi. En aanschouwt men nu het letterteeken typ Lioe, wilgeboom, dan valt onmiddelijk in het oog dat het is samengesteld uit de karakters * boom, en gp d. i. die geopende deur, waarvan wij zooeven spraken, zoodat de naam gevoegelijk zou kunnen vertaald worden door wboom van de poorten van het lentepunt” of , boom van de tweede maand." Hieruit ziet men dus vrij duidelijk, dat de Lioe oudtijds gewijd was aan het voorjaar, evenals zijn soortgenoot, de Jang, gewijd was aan de zon. En beide begrippen vereenigend, vermeeuen wij te mogen aannemen dat de wilg, ten tijde dat men begonnen is zijn naam te schrijven, waarschijnlijk het zinnebeeld was van de roverwinnende zon van de tweede maand, die de poorten van het lentepunt binnentrekt" (69). Zou dan deze symbolische beteekenis van den boom niet de groote aanleiding zijn geweest tot het ontstaan van de gewoonte van de huisdeuren te versieren met een wilgetak ter herinnering aan dat meest gewichtige pant in den jaarlijkschen loopbaan van den Zonnegod ? Die tak symboliseert als het ware die zon van het voorjaar, wier overwinning op de duisternis bij haren doorgang door het lentepunt in de periode tsjhing-miáng wordt herdacht. Alsdan vereert men ook de dooden, die de eeuwigheid zijn ingegaan en daar, naar men hoopt, de onsterfelijkheid bezitten : zou men, als symbool hiervan, dan ook geen wilgetak in de deuren steken daar waar men hunne nagedachtenis bezig is te vieren, evenals men in Europa wilgeboomen op hunne grafsteden plant? Een bewijs dat zulk een gebruik reeds in zeer oude tijden bestond, levert de Kalender der Zeden en Gewoonten van de landstreek King-Tsjhoe. „Op den 15den van de eerste wmaand”, zoo leest men in dit boek v maakte men erwten met rijst gereed en goot ner olie en vet op, ten einde bij de huisdeur te offeren. Doch vooraf stak men een wwilgetak in de deur en zette, ter plaatse waarheen hij zich neigde, een maaltijd gewreed van wijn en vleeschspijzen, benevens de erwtenrijst waario eetstokjes waren gewstoken, en offerde dat alles.” Met deze plechtigheid zal men waarschijnlijk wel niets anders op het oog gehad hebben dan eene offerande aan de zielen van de overledenen, die, zooals uit een vorig hoofdstuk blijkt (70), thans nog te Emoy twee malen 's maands aan de huisdeuren worden onthaald.

schijnen op den feestdag van het midden van den zomer, beschreven in onze verhandeling over den 5den van de vijfde maand, s 1.

(*) Hier ziet men dus tegelijkertijd eenigzins verklaard, waarom de ambtenaar, belast met het ontsteken van de vuren, over wien in onze verhandeling over de periode van het koude eten bij noot 17 gesproken is, in het voorjaar wilgenhout gebruikte.

("") Bladz, 20 en 21.

« PreviousContinue »