Page images
PDF
EPUB

En nog een bewijs, dat aan den wilg van den tsjhing-miáng het denkbeeld van eeuwigheid is vastgeknoopt, levert het feit dat op het vasteland rondom Emoy, waar die boom minder algemeen voorkomt, in plaats van een wilgetak een tak van den vijgeboom (11) in de deuren wordt gestoken. Deze boom is namelijk voor den Chinees eveneens een geliefkoosd zinnebeeld van een lang leven, en hijgevolg ook van onstertelijkheid en eeuwigheid. De reden hiervan is niet moeielijk op te sporen. Eerstens wordt de boom, ook in China, zeer oud en kolossaal van omvang. Ik zelf heb op mijne reizen door de provincie Foehkjen meermalen vijgeboomen gezien zóó dik, dat twaalf personen den stam niet konden omvatten en wier kruin naar evenredigheid een verbazenden omvang had; buitendien zijn zij gedurende de wintermaanden even groen als des zomers en schieten de wortels, die van de takken neerhangen, in den grond om elk geboorte te geven aan een nieuw individu : vandaar dat de boom dus niet alleen ten zeerste geschikt is om als zinnebeeld te dienen van de onsterfelijkheid, maar ook van de eeuwigheid van het nageslacht. In het Noorden komt hij niet voor en eerst op de hoogte van Foeh-Tsjowfoe, de hoofdstad van Foehkjen, wordt hij meer algemeen gevonden :- vandaar dat die stad den dichterlijken naam van vde stad der vijgeboomen” (22) draagt.

In de noordelijke provinciën van China echter is de pijnboom (13) met den

() Ficus Indica of Ficus Religiosa, op bladz. 53 (noot 101) reeds genoemd. Hij is onder den naam van waringin ook in onze koloniën welbekend, en bijna op elken aloen-aloen te vinden. De gewoonte om den boom aldaar te planten is wellicht ontleend aan Hindostan, althans, hij wordt daar allerwege aangetroffen bij tempels en pagodes, alsmede overal waar volk zich verzamelt en lommer noodig is om de zonnestralen af te weren. Onder een vijgeboom is Sakyamoeni tot Boeddha geworden. „Der Bôdhibaum", zegt Koeppen („Religion des Buddha”, bladz. 529) — nan dessen Stamm - sich der in Beschauung versunkene Einsiedler Gâutama gelehnt, und unter dessen Schatten er sich "zum Buddha verklärt hatte, muss gleichfalls den Gegenständen des Cultus beigezählt werden. Er what in der buddhistischen Kirche eine ähnliche Bedeutung wie die Baniane für die brahmanische : Her ist das Symbol ihrer Verbreitung und ihres Wachstbums; er ist mit den buddhistischen Missionen #gewandert, wie die Baniane mit den brahmanischen Colonien. Wo die Buddhalehre Wurzel zu schlagen begann, da pflanzten sie den Bôdhibaum, und noch jetzt erhebt sich derselbe, häufig von #einer gemauerten Platform umschlossen, in den Höfen oder in der Umgebung der Klöster und Tempel. So in Ceylon und Hinterind en, und all diese heiligen Feigenbäume gelten für Absenker dessen, runter welchem Çâkjamuni die höchste Intelligenz, die Bôdhi erlangt hat. Im Norden dagegen, #z. B. in China und Tibet, scheint man ihn, da das Klima sein Wachsthum nicht gestattet, durch vandere Baumarten, namentlich Platanen, Cypressen, Pistacien u. s. w. ersetzt zu haben"......

In Max Müller's Essays, XXI, leest men: „Ausser dem irdischen Soma erkennen die Hindus rauch einen himmlischen Soma oder Amrita (ambrosia) an, der aus dem unzerstörbaren Asvattha roder Peepul (Ficus Religiosa) tröpfelt, aus welchem die Unsterblichen den Himmel und die Erde "gestalteten. Unterhalb dieses Baumes, der seine Aeste über den dritten Himmel ausbreitet, wohnen • Yama und die Pitris und schlürfen den Trank der Unsterblichkeit mit den Göttern. An seinem • Fusse wachsen mit allgemeiner Heilkraft begabte Pflanzen, Incorporationen des Soma.”

(") metal (TM) Pinus Sinensis. Ook in Zuid-China komt hij veelvuldig voor en wordt er, als het zinnebeeld der onvergankelijkheid en van het eeuwig leven, algemeen op den

daaraan verwanten cypres of ceder (74) het geliefkoosde zinnebeeld der eeuwigheid. Ook deze boomen, wier hout bijna onvergankelijk is en wier groen door geen winter wordt gesloopt of door geen voorjaar vernieuwd, bereiken , zooals men weet, een verbazenden ouderdom, zóó hoog dat de verbeelding der oude Chineesche schrijvers zich ten hunnen opzichte in allerlei bespiegelingen verdiepte en zich, -- stellig niet zonder grond -- duizend- ja drieduizendjarige pijnboomen schiep. Zoo o. &. de philosoof Pao Phoh (75) en de wijsgeer van het Zuiden van de Hwai-rivier (76) De beschrijving

dag van het Gravenfeest aangewend tot versiering van de huizen. ("") ## (") 12 # F
Een Taoist, die in de vierde eeuw van onze jaartelling schreef over alchemie, onsterfelijkheid, tooverij
enz. Zijn eigenlijke naam was Koh Hoeng ##.
(°C) 1 F. Zijn naam was Lioe Ngan

en zijne bespiegelingen betroffen hoofdzakelijk de Taoistische leer omtrent ontwikkeling in de schepping en de grondslagen, waarop het stoffelijk Heelal berust. Hij leefde in de tweede eeuw vóór Christus.

Onwillekeurig denkt men bij het lezen dier berichten van die oude Chineesche schrijvers omtrent den pijnboom aan de Californische reuzeboomen (Sequoia Gigantea), wier ontdekking ongeveer een dertigtal jaren geleden in de geheele beschaafde wereld het grootste opzion baarde. Zij ook behooren tot het geslacht der pijnboomen en cypressen, en zijn zeer na aan den ceder verwant. Ligt dus niet eenigzins het vermoeden voor de hand, dat de reuzeboomen van het Verre Westen eens hunne wedergade vonden in het Chineesche Rijk? Von Schlagintweit zegt in zijn werk Californien” (bladz. 152):

Professor Whitney hatte Gelegenheit an einem im Calaveras Haine umgehauenen Riesenbaume „durch Zählung seiner Jahresringe das Alter zu erkennen, das sich auf etwa 1300 Jahre belief „Wenn auch manche der Riesenbäume zur Zeit kaum viel älter sein dürften, so scheint es doch rausser allem Zweifel, dass einzelne ein Alter van über 2000 Jahren haben, und daher zur Zeit, als „Christus auf Erden wandelte, schon ganz stattliche Bäume waren. Die Annahme, dass einzelne dieuser Kolosse 3000 Jahre alt seien, ist eine Hypothese, die sich nicht leicht beweisen lässt; sicher ist nur, dass wir in verschiedenen Theilen der Welt Bäume antreffen, die entschieden ebenso alt wie „die californischen Riesenbäume sind. So gibt es in England Eiben, die aller. Wahrscheinlichkeit mnach das ehrwürdige Alter von 2500 bis 3000 Jahren haben.".

Men ziet dus, dat het zeker niet aangaat den berichten van Chinoesche schrijvers omtrent pijnboomen van ontzaglijken ouderdom alle geloofwaardigheid te ontzeggen, en dat in hetgeen zij in schrifte hebben neergelegd zeer zeker een kern van waarheid verscholen kan liggen. Waarom immers zouden zulke boomen niet even goed in China als in Californië kunnen bestaan?

Omtrent de levensvatbaarheid en taaiheid van die reuzeboomen – eigenschappen waaraan de ceders, pijnboomen en cypressen der Chineezen hunne rol als zinnebeelden van onsterfelijkheid en eeuwigheid te danken hebben, kan men zich een nog helderder denkbeeld vormen wanneer men in het aangehaalde werk van von Schlagintweit (bladz. 158) het volgende leest: „In der Absicht Geld "zu verdienen, hat im Jahre 1854 ein unternehmender Yankee einen Baum von seinem Boden bis zu neiner Höhe von 116 Fuss seiner Rinde beraubt, sie gegen Eintritt in verschiedenen Städten Amerrika’s zur Schau ausgestellt und schliesslich dem Crystal Palace zu Sydenbam bei London verkauft, Hwo sie während einer Feuersbrunst ihren Untergang fand. Der Baum bewährte jedoch eine so grosse Lebenskraft, dass er ungeachtet der ihm beigebrachten, scheinbar tödtlichen Verwundung bis heute w noch nicht abgestorben ist."

5

[ocr errors]
[ocr errors]

van den Soeng (77), een der vijf heilige bergen waarop de Chineesche Keizers der Oudheid aan den Hemel offerden (78), zegt, dat aldaar pijnboomen groeien, wier vruchten degenen die ze eet het eeuwige leven doen deelachtig worden. Hetzelfde zegt ook de beschrijving van het gebergte Loe (79) van de bladeren der pijnboomen die aldaar in de westelijke bergpassen groeien. Al deze fabelen zijn natuurlijke uitvloeisels van de eigenschappen van den boom, die inderdaad duizenden jaren oud wordt niet alleen, maar ook door het geheele jaar heen groen is, en dus weerstand bieden kan aan den geest des doods, die in den winter heerscht. „Als het koude jaargetijde wis gekomen en ijs en sneeuw zijn neergedaald, dan eerst valt mij het gebladerte van inde pijnen en cypressen op," zegt de wijsgeer Tsjoang Tsze (89) zeer terecht. En een spreekwoord luidt: „Evenals de pijnboomen en cypressen sneeuw en rijp trotsee»ren kunnen, evenzoo kan een helder verstand zich een weg door moeielijkheden en "gevaren banen" (81).

En niet minder dan voor de Chineezen is en was de cyprès met meer andere altijdgroene planten het symbool van onsterfelijkheid voor de Christenen. „Het dragen wvan klimop, lauriertakken, rozemarijn en andere immortellen in den begrafenisstoet mis het zinnebeeld van de onsterfelijkheid der ziel", zegt Bourne. Zeer algemeen is allerwege in Europa, vooral in België en Frankrijk, de gewoonte verspreid om immortellenkransen neer te leggen op de laatste rustplaats van den doode en rozemarijn te werpen in het graf voordat dit wordt gevuld, want evenals de plant, waarvan de takjes afgesneden zijn, wederom met nieuwe schoonheid zal ontluiken zoodra de lente zal zijn weergekeerd, evenzoo zal ook de ziel met het lichaam op den jongsten dag met nieuwe glorie uit het graf verrijzen. Ons gebeente”, zegt de profeet w zal bloeien als een plant."

(") Boven, bladz. 59, noot 131. (18) Men leest in de Sjoe-king, het oudste van de kanonieke boeken der Chineezen (verg. bladz. 96 noot 105), dat Keizer Sjoenen (2255—2205 voor Chr.) inspectiereizen ondernam naar de vier kanten van zijn Rijk, en op iederen berg, waar hij zijne tochten staakte, een offerande aan den Hemel bracht. Men kan deze bergen omschreven vinden in Legge’s vertaling van de Sjoe-king, bladz. 35 en volg., alsook in Mayer's „Reader's Manual”, II, No. 117 en 176. (*) Boven, bladz. 134 (1) # F. Zijn eigenlijke naam was Tsjoang Tsjow # J. Hij was een geleerd Taoist uit de vierde eeuw vóór Chr., en dus een tijdgenoot van Mencius, tegen wiens leerstellingen de zijne bijna lijnrecht waren gekant. Zie omtrent zijn leven en zijne werken : Mayers, „Reader's Manual” No 92, en Wylie, „Notes on Chinese Literature”, bladz. 174.

(*) Davis, „Chinese moral Maxims,” 110. Confucius sprak: wanneer het jaar koud wordt, dan weten wij hoe de pijnboomen en cypressen de laatste zijn om hun gebladerte te verliezen”, d. i. in den nood leert men de menschen kennen: – Loen-ju Ix, 27.

Aan die groote levensvatbaarheid van den pijnboom heeft de mosplant, die op zijn wortel groeit, de zoogenaamde Chinawortel of foe-ling # (Pachyma Cocos?) waarschijnlijk de genezende eigenschappen te danken, die haar worden toegekend. Want de Chineezen veronderstellen dat zij ontstaat uit het sap van duizendjarige pijnboomen, en dus als het ware de quintessence van dien boom des levens is. De Hindoes koesteren een dergelijke meening van de kruiden, die aan den voet van den Ficus Religiosa wassen (zie het slot van noot 71 van zooeven).

TER

Cyprestakken worden in den begrafenisstoet rondgedragen (82) en waren bij de meeste bekende volkeren der Oudheid het gelief koosde zinnebeeld der eeuwigheid. Volgens Layard (89) werd de boom als geheiligd beschouwd in Iran, China, Babylonië, Assyrië, Phoenicië, Arabië, Egypte en geheel Klein-Azië, verder in Griekenland, Rome en het gansche Romeinsche Rijk als het zinnebeeld van leven, onsterfelijkheid en eeuwigheid, en, op grond hiervan, allerwege geplant op grafsteden en tomben. Men stak de groene takken in de deuren en de vensters van sterf huizen (84) met hetzelfde doel waarmede men in Europa nog heden ten dage treurwilgen en cypressen op de kerkhoven plant en de Chineezen gedurende het Gravenfeest hunne woningen met een cypres-, pijn- of wilgetak versieren: --- men wilde daarmede den geliefden doode herdenken, die wel is waar deze aarde heeft verlaten, maar nog in de andere wereld voortleeft en een wakend oog op het lot van de nakomelingen slaat.

1

(*?) Come you whose Loves are dead,

And whilst I sing
Weepe and wring
Every hand and every head:
Bind with Cypresse and sad Ewe
Ribbands black and Candles blue,
For him that was of Men most true."

The Marrow of Compliments : va Mayden's Song for her dead Lover.”
("!) „Recherches sur le Culte du Cyprès pyramidal”, ap. Schlegel, „the Hung-League”,
Introd. XXXV.

(**) Brand, „Observations on popular Antiquities”, bladz. 449 en volg.

DERDE MAAND, DRIE EN TWINTIGSTE DAG.

GEBOORTEDAG VAN MA-TSOW-PO, DE PATRONES DER ZEELIEDEN.

van

§ 1. Legendarische levensloop van -Tsów-. Redenen waarom zij Godin der Zeelieden werd. Hare namen en titels. Hoe zij wordt vereerd. Zij is ook de patrones van kooplieden en rivierschippers, landverhuizers en kinderloozen. Hare af beeldsels. „De zoogenaamde memorieplank. De twee wachters of schildknapen van -Tsów-.

♡ 2. Algemeene tempelplechtigheden op feestdagen van afgoden. De „blootvoeters.” De hemelsche soldaten en legerbevelhebbers. Processies, die ten doel hebben een nieuw afgodsbeeld met een ziel te doen begiftigen. Het overbrengen van wierookasch van den eenen tempel naar den anderen. Het dragen van wierookasch bij wijze van amulet. Het openen der oogen enz. van de afgodsbeelden.

Het vervoeren een afgodsbeeld naar den tempel van de godheid, aan welke het zijn ziel heeft ontleend. De Groote God-Beschermer der Productie, wellicht de Zonnegod van Foehkjen. Esculapius, St. Rochus. Vuurtrappen in China in de derde maand ter eere van de zor. Het werpen met zout en rijst bij wijze van reiniging. Vuurtrappen in de lente, ook gebruikelijk in Frankrijk en Engeland. Zomervuren ter eere van de zon in Frankrijk, den Elzas en Lotharingen en in Hindostan. Vuurtrappen in Europa, Assyrië enz. De Zonnegoden Moloch en Apollon. Het verbranden van lijken. Suttiisme,

Toovenaars in China. Hoe zij zich kwellen en martelen. Processie ter eere van den Grooten God-Beschermer der Productie. Zelfkwelling, bij verschillende priesterkasten in gebruik. Het beklimmen van de messenladder en het passeeren van de messenbrug.

Het raadplegen van toovenaars in geval van zware ziekte, en het halen van geneesmiddelen met een afgodsbeeld. Het tooverpenseel. Somnambules, in China optredende als mediums bij het ondervragen van de dooden,

Nadere beschouwingen omtrent tooverij in verband met het Shamanisme in Siberië, op de Fidji-eilanden, op Bali, in Noord- en Zuid-Amerika, in Groenland enz. Fetichisme en Totemisme in China.

[ocr errors]

Onder al de godheden, die op Foehkjen's bodem zijn ontstaan, bezitten er vooral twee eene hooge mate van vermaardheid, namelijk Keh-Sing-ông, de beschermgod der provincie, en -Tsów-Pó, de patrones der zeelieden. Uit onze verhandeling over den 22sten van de achtste maand zal men het ontwaren, dat eerstgenoemde in Foehkjen eene vereering geniet waarop maar weinig goden of godinnen zich beroemen kunnen; doch zijn eeredienst strekt zich niet veel verder uit dan tot de grenzen dier

« PreviousContinue »