Page images
PDF
EPUB

provincie, en is lang niet zoo wijd en zijd over het gansche Rijk verbreid als die van zijn landgenoote -Tsów-. Beide godheden zijn geboortig uit dezelfde landstreek. Zij zijn dus uitgebroeid in het brein van een en hetzelfde volk met een en dezelfde taal en gelijksoortige zeden en gewoonten : Keh-Sing-óng in het departement TshuenTsjowfoe (1), waartoe Emoy behoort, en -T'sów-in het departement Hing-Hoafoe (), dat onmiddelijk daaraan grenst. En de mirakelen, waaraan beiden hunne reputatie hebben te danken, grepen in een en hetzelfde tijdvak plaats, namelijk gedurende de dynastie der Soeng (3), toen het Rijk, en daarmede naar het schijnt ook het godsdienstig bijgeloof des volks, het toppunt van zijn bloei bereikte. Ziehier wat de „Nasporingen omtrent de Goden”, het werk dat reeds in noot 9 op bladz. 29 is aangehaald, omtrent -Tsów-ten beste geeft.

Op tachtig mijlen afstands van de districtshoofdstad Pow-Tshâan (4), in het departement Hing-Hoa, ligt aan het zeestrand het eilandje Bi-Tsioe (5), de geboorteplaats der godin. Haar vader droeg den familienaam Lin () en haar moeder dien van Tsjhun (7). Eens droomde laatstgenoemde dat zij van de godín Kwan Jin der Zuidelijke Zeeën (8) een lotusbloem ontving en die opat; kort daarop werd zij zwanger en eerst na veertien maanden baarde zij een dochter. Dit geschiedde in het jaar 742 onder de dynastie der Thang, en wel op den 23sten van de derde maand. Een welriekende geur, die meer dan tien dagen duurde, verspreidde zich verder dan een mijl in den omtrek toen het kind geboren werd. In hare jeugd bezat het meisje eene buitengewone mate van scherpzinnigheid, ja, toen zij pas een jaar oud was en nog in den slendang werd rondgedragen, maakte zij reeds bewegingen met de handen naar de afgodsbeelden, als om deze te begroeten. En op vijfjarigen leeftijd kon zij reeds de heilige boeken ter 'eere van Kwan Jin prevelen. Er was toen ter tijde in dat gedeelte der provincie een aanzienlijk jongeling van de familie Woe (9) die haar wilde huwen, maar zij weigerde en trok zich voor het vervolg in afzondering terug. Hare vier broeders waren kooplieden, die steeds heen en weder voeren tusschen de eilanden van den Oceaan. Op zekeren nacht overviel de godin plotseling eene gewaarwording alsof handen en voeten haar begaven: zij lag meer dan twee uren lang met gesloten oogen en ontwaakte niet voordat hare ouders het geval bemerkten en, in de meening dat zij in een gewone bezwijming was gevallen, haar snel tot bezinning terugriepen. Zij ontwaakte en zeide op spijtigen toon: » Waarom hebt gij mij niet laten w begaan? Ik was bezig mijne broeders bij te staan en te beschermen in den nood !"

() Zie inleiding, noot 13. In het departement zelf wordt de naam Tsoán- T'sioe-Hóe uitgesproken. (9) ft H. De departementshoofdstad van denzelfden naam ligt op eene lengte van 116°57'20" en eene breedte van 25°25'22”. Zij is dus ongeveer even ver van de stad Tshuen-Tsjowfoe verwijderd als van Foeh-Tsjowfoe, de hoofdstad der provincie. () Zie noot 34 van onze vorige verhandeling. #H (2)林 (1) 陳

陳,
(*) Onze verhandeling over den 10den van de tweede maand.

men

om

nu

doch hare ouders begrepen de bedoeling dezer woorden niet en spraken er ook niet verder over, totdat kort daarop de broeders met volgeladen schepen uit zee terug kwa

en vol droefheid het volgende verhaalden. Drie dagen van te voren woedde er een hevige tyfoen; hoog sloegen de golven tegen den hemel op en de schepen der broeders werden van elkander afgedreven : de oudste geraakte in een wervelwind en ging met vaartuig en al te gronde. Toen de storm zoo plotseling opstak verscheen voor aller oogen een jonge vrouw. Met de handen greep zij de touwen en het want der masten en wandelde aldus als over een vasten bodem over de golven voort. Nu eerst begrepen de ouders de bezwijming van hunne dochter. Het was hare ziel, die het lichaam had verlaten om de broeders te hulp te snellen; maar den oudsten had zij niet kunnen redden, daar zij te vroeg was gewekt en hare ziel dus niet den tijd had gehad ook hem uit den storm te slepen. De droefheid en het zelfverwijt der ouders waren grenzeloos.

Toen -Tsów-— gaat onze schrijver verder – den huwbaren leeftijd had bereikt, zwoer zij dat zij nooit zou trouwen, plaatste zich niet lang daarna in zittende houding en stierf. Evenals op haren geboortedag verspreidde zich ook weder

een welriekende geur over mijlen in den omtrek, en sinds dien tijd werd iedereen die geene nakomelingen had en tot haar zijn toevlucht nam, terstond verhoord.

Het gebeurde onder de Soeng-dynastie dat twee personen, Loe Joen Tih (10) en Li Foe (11) naar Korea zeilden. Toen zij op de hoogte van Bî-Tsioe waren gekomen stak plotseling een woedende storm op: het schip werd overzij geworpen en bijna door de golven verzwolgen, doch plotseling verscheen een heldere glans aan het luchtruim en werd het wolkenfloers vaneen gescheurd. Een menschelijk wezen vertoonde zich in den mast ; het bewoog zich daarin heen en weder en hield vervolgens het roer , tot zoolang het gevaar geweken en het schip gered was. Toen den Keizer zulks ter oore kwam verhief hij -Tsów-tot godin, met den titel van Onze lieve Vrouw van Macht en Goedertierenheid (12). Hij liet op Bî-Tsioe een tempel bouwen tot instandhouding van haren dienst, en ieder van het volk bracht het zijne ertoe bij om dien te vergrooten, te versieren en uit te breiden.

Eindelijk gebeurde het nog onder Keizer Wun (13) van de thans regeerende Tsjhing-dynastie, en wel in het zevende jaar van zijn bestuur, dat Tsjing Ho (14) op zijne expeditie tegen de barbaren van het Zuidwesten (wellicht de Europeanen) in den tempel der godin zijne gebeden verrichtte en met volledig succes zijne plannen bekroond zag. Op grond hiervan kreeg hare dienst de Keizerlijke bevestiging en ontving de godin den wijdschen titel van „Koningin des Hemels, Beschermster vau het Rijk en » Hoedster van het Volk, die, begaafd met geheimzinnige wonderkracht , vervulling van usmeekgebeden geeft, eindeloos menschlievend is en allerwege hulp verleent" (15). .

()路 允迪("李富 (1) 靈夫人,

(") X Tin 1627-1644. () 鄭和()護國庇民妙靈 昭應宏仁普濟天妃,

Zelfs deed de Keizer een tempel voor haar oprichten in de hoofdstad, en sinds dien tijd is het geheele Rijk van hare vereerders vol.

Tot hiertoe de „Nasporingen omtrent de Goden", die een voldoend en vrij uitgebreid verslag geven van den oorsprong der godin (16). Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat er verschillende lezingen bestaan omtrent haren wonderlijken levensloop; doch alle komen ongeveer op hetzelfde ueer en wijken slechts in kleinigheden van elkander af. Sommigen plaatsen hare geboorte een paar eeuwen later, en wel onder Keizer Thai Tsjoe (17) van de Soeng-dynastie, in de laatste helft der tiende eeuw (18).

De meest gewone naam, waaronder de godin in China bekend staat, is Tsów-(19), zooals die in dat gedeelte van het Rijk, waar zij is ontstaan, wordt uitgesproken. Wij weten dezen naam niet beter te vertalen dan door „Voormoeder de Vrouw”, het woord voormoeder hier op te vatten in een dergelijken zin als voorvader. In Emoy noemt men de godin doorgaans bij verkorting alleen maar -Tsów. Misschien is de gissing wel wat al te gewaagd, maar geheel onmogelijk is het toch niet, dat men het toevoegsel , hetwelk roude vrouw, moedertje” beteekent, met voordacht achter haren naam heeft geplaatst omdat het is samengesteld uit golven" y en „meisje" , en dus meteen de wonderbare redding harer broeders in het geheugen roept waarbij zij zich over de golven bewoog, en die aanleiding gaf tot hare verheffing tot beschermgodin der zeelieden.

Het zijn ongetwijfeld en de groote populariteit der godin, en de hooge vlucht, welke hare eeredienst in China heeft genomen, die haar de hoogdravende titels hebben bezorgd, waarmede men haar in den loop der tijden heeft opgesmukt. Sommige van deze doen onwillekeurig aan de Maagd Maria van de Katholieken denken. Zoo bijv. „Heilige Moeder van de Hemelen hierboven“ (20) en „Vrouwe der Hemelen" (21). Op bijna ieder schip is hare beeldtenis te vinden, en wel in een open kastje aan het linkerboord, alwaar, naar Chineesche zienswijze, de voornaamste, de eereplaats is (22). Elken ochtend en elken avond brandt men aldaar wierook en kaarsen, en niet zelden wordt aan boord een groote offerande aan haar gebracht als men op het punt

te steken. Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat op den geboortedag der godin de havens vroolijk zijn opgetuigd met vlaggen en groen. Groote schepen laten alsdan haar ter eere comedie spelen op het water, en kleinere doen het

is om

in zee

(16) Het boek zegt, dat het heeft geput uit de Annalen van de landstreek Hing-Hoàng PE Beats en dus uit de naaste bron. Daarom hebben wij dit verhaal dan ook verkozen boven alle andere overleveringen, die omtrent Ma-T'sów-in omloop zijn.

("") # m. A. D. 960—976. (“) Zie Douglas, "Dictionary of the Amoy Vernacular”, bladz. 582, en Doolittle, „Social Life of the Chinese”, hoofdst. X. (19) 媽祖婆,

() F (*) C () Boven, bladz. 66, noot 5.

zelfde met onderlinge samenwerking, doch op alle vaartuigen zonder onderscheid wordt haar een offerande op grootere of kleinere schaal gebracht, al naar gelang van rijkdom en devotie der bemanning. En niet alleen is. -Tsów-de patrones der zeelieden: ook beurtvaarders en rivierschippers vereeren haar, en geen plekje zal men aan het zeestrand zien, of langs vaarten en kanalen waar schepen en schuiten gewoonlijk ophouden en vastgemeerd liggen, waar niet een tempel haar ter eere is opgericht. Allen die maar eenigzins met het water in betrekking staan vereeren haar, zelis de handelaren die goederen over zee verschepen, zoodat -Trów-ook nog godin der kooplieden is (23). Landverhuizers raadplegen hare beeldtenis voordat zij emigreeren; zij werpen

de wichelblokken in hare tempels teu einde de toekomst onthuld te zien (24), en dragen een zakje om den hals met asch van den wierook, die haar ter eere is gebrand. Het is dan ook met zulk een amulet, dat vele nieuwelingen uit China in onze koloniën belanden. Verder nog is -Tsów-de patrones der kraamvrouwen en wordt bijzonder aangeroepen door degenen die nakomelingschap verlangen: ook al ingevolge de wonderen, die zij, volgens verschillende legenden, wordt gezegd ten gerieve van kinderlooze vereerders te hebben gewrocht.

-Tsów-wordt gewoonlijk afgebeeld op de golveu of de wolken staande, en al dan niet met een kroop op het hoofd als zinnebeeld van hare waardigheid van Koningin des Hemels. In de handen draagt zij veelal een langwerpig, eenigzins krom gebogen tablet, een zoogenaamde tsùo-páan (25) of "memorieplank”, en wel als teeken van hare waardigheid van hooge godheid, die tot onder de oogen van den oppersten Heer des Hemels door mag dringen. In vroeger tijden, toen de dynastie der Ming (26) nog niet den troon beklommen had, hielden de hooge ambtenaren van het Rijk zulk een voorwerp

van bamboe of ivoor met beide handen voor de borst wanneer zij zich op audientie begiven. Het diende oorspronkelijk om er aanteekeningen op te maken, want men mocht de roekeloosheid niet zóó ver drijven van tot onder de vogen van Zijne Majesteit toe op zijn geheugen te vertrouwen, en gevaar te loopen van voor den troon met den mond vol tanden te staan. In later tijden werd het tablet eenvoudig

zinnebeeld van hulde, terwijl de tegenwoordige dynastie het geheel en al heeft afgeschaft.

Evenals de meeste godheden van eenigen rang en aanzien is ook -Tsów-P6 gewoonlijk vergezeld door een paar wachters, satellieten of volgelingen, die haar bij wijze van schildknapen ter zijde staan. Zij heeten Duizend Mijlen-oog (27) en Gunstige Wind-oor (28), en zijn waarschijnlijk geene wezens die werkelijk hebben bestaan,

(+3) Men vindt dus bij de Chineezen, dat volk van negotie bij uitnemendheid, niet minder dan drie godheden van den koophandel: den God van de Aarde als hoofdbron van den rijkdom; den God van den Oorlog als toonbeeld van moed, eerlijkheid en trouw; eindelijk de Godin van Zeeën als beschermster van het goederenvervoer over zee en langs rivieren en kanalen. (2) Verg. bladz. 42,

een

noot 59.

(5) Hoe (*) A. D. 1368—1628.
(27) 千里眼(?)順風耳,

maar vinnebeeldige voorstellingen van de zeevaartkunst. De „Uitvoerige Explicatie van de officieel erkende Godheden“ (2 9), een samenraapsel van allerlei legenden en mythen uit het leven van Woe Wang (30), den eersten vorst uit het huis der Tsjow (31) die Keizer Tsjow Sin van de Jin-dynastie (32) van den troon wierp, maakt reeds van hen beiden gewag (33). Onder de namen Kao Ming (34) en Kao Kioh (35) treden zij in dat werk op als twee broeders van een afschuwelijk voorkomen, die, toen Tsjow Sin reeds op den troon te wankelen zat, hem hunne hulp kwamen aanbieden in den strijd Den een, het Duizend Mijlen-oog, vindt men daar beschreven als een wezen met een indigoblauw gelaat en oogen als schitterende lichten, met een grooten mond, slagtanden en een machtigen en reusachtigen lichaamsbouw ; – de andere bad, zegt de „Uitvoerige Explicatie”, een gelaat als een pompoenschaal, een mond als een bloedpot, tanden als korte zwaarden, haar als vermiljoen en twee hoornen op het hoofd. Deze beschrijvingen stemmen vrij wel overeen met het voorkomen der beelden, die tegenwoordig worden gemaakt, de slagtanden echter uitgezonderd. Daar het boek de beide wezens inleidt als bezielde afgodsbeelden uit een zekeren tempel, bestaat er alle reden om te gelooven dat de schrijver, die tot den modernen tijd behoort, bij de samenstelling van zijn werk de reeds bestaande wachters van -Tsów-als welkome onderwerpen voor zijne phantasie in zijn boek heeft binnengehaald, ten einde zijn legendarisch verhaal te tooien en op te sieren.

De ware oorsprong van die beide wachters zal men echter niet te diep moeten zoeken: hoogstwaarschijnlijk zijn zij slechts eigenaardige voorstellingen van de twee grootste eigenschappen die den zeeman sieren, namelijk de kunst om het minste gunstige windje dadelijk te benutten en die van duizenden mijlen voor zich uit te zien, dat is, het kortste en voordeeligste vaarwater te kiezen en altijd zeker van zijn zaak en met volledige bekendheid met den waterweg te zeilen.

waterweg te zeilen. De hellebaarden, waarmede beide beelden in den regel zijn gewapend, zullen wel uitvloeiselen van de

of andere fabel wezen, die later op de twee wezens is gewrocht. Het Gunstige Wind-oor draait het hoofd half om en houdt de hand aan het oor als in aandachtig luisterende houding; het Duizend Mijlen-oog drukt de hand tegen het voorhoofd, als iemand die met scherpen blik den omtrek onderzoekt. Het kan ook wezen dat beide beelden slechts zinnebeeldige voorstellingen zijn van den gunstigen wind, dien MáTsów-geacht wordt uit te deelen, alsmede van hare beschermende hand en den scherpen blik, waarmede zij over duizenden mijlen de zeeën beheerscht; of dat zij als het ware de beschermengelen van den zeeman zijn, waarvan de een — het Duizend Mijlenoog - op bevel van de godin allerwege uitvorscht waar hulp en bijstand noodig is, en de andere belast is met het uitdeelen van gunstigen wind.

een

(1) 封神演義.
(30) Boven, bladz. 47, noot 72. (31) Loc. cit. (32) Loc. cit.
(*) In het 17de hoofdstuk. (30) Teen (1) 高覺,

« PreviousContinue »