Page images
PDF
EPUB

en

zware

gesproken taal van Emoy leeft de krokodil of kaaiman nog altijd in de herinnering des volks voort onder den naam van gók-(70).

De historische werken der Chineezen hebben al weinig, zeer weinig overleveringen omtrent den alligator der zuidelijke provinciën voor het nageslacht bewaard. Het voornaamste bericht, dat ook in het Keizerlijk Woordenboek van Khanghi is opgenomen, leveren nog de officiëele Geschiedboeken van de Thang-dynastie (71), en wel in het hoofdstuk: „Overleveringen betreffende Han Ju (72)". Deze staatsman, dichter en wijsgeer, meer bekend nog onder den naam van Han Wun Koeng (18), leefde tusschen A. D. 768 en 824. Als Gouverneur in de toenmaals nog half-barbaarsche landstreek Tsjhao-Tsjow (74), in het noordoostelijk gedeelte der tegenwoordige provincie Kwangtoeng of Canton geplaatst, wijdde hij een groot gedeelte van zijn leven aan de beschaving zijner onderdanen en verloste hun land van de alligators, die er de bevolking kwelden en teisterden. Toen hij - zoo luidt de overlevering – in het landschap Tsjlao belandde, vond hij het volk diep ter neer geslagen en klagende over de krokodillen, die er menschen en vee verslonden. Hij wierp daarop een schaap een zwijn, bij wijze van offerande in de rivier, en zie, des avonds staken

winden en hevige onweersbuien op; verscheidene dagen achtereen stonden dientengevolge de rivieren geheel en al droog, en sinds dien tijd werd TsjhaoTsjow nimmer meer door alligators geteisterd.

Dit half-legendarisch verhaal lijkt ons in een kleed van fabelen een kiem van waarheid te bevatten, en niet veel anders dan een door den tand des tijds verbasterde oorkonde te wezen aangaande een laatsten verdelgingskrijg, tegen die vraatzuchtige monsters gevoerd. De letterteekens voor het woord Ngoh, zoo even in nout 69 weergegeven, zijl, voor zoover wij hebben kunnen nagaan, in geen enkel werk van vóór de Thang-dynastie (A. D. 618 – 905) te vinden. Klaarblijkelijk dateeren zij dus uit betrekkelijk modernen tijd en doen zij gelooven, dat de schrijvers der Geschiedboeken van de Thang-dynastie zich reeds niet meer van de identiteit van Draak en alligator bewust waren, daar zij anders, met de gewone Chineesche voorliefde tot alles wat naar oudheid zweemt, ongetwijfeld het eeuwen oudere letterteeken voor Loeng, in plaats van het nieuw voor Ngoh uitgedachte, in hunne geschriften zouden gebezigd hebben. Aan den anderen kant behoeft de uitvinding van het nieuwe karakter echter volstrekt niet te bewijzen, dat de beide dieren niet nauw aan elkander verwant zouden zijn. Immers, ten Noorden van het stroomgebied van de Jangtsze-kiang, hetwelk eeuwenlang de uiterste grens van het Chineesche Rijk en de Chineesche beschaving heeft uitgemaakt, kon de reuzen-sauriër reeds lang uitgestorven en als Loeng naar het rijk der mythen zijn verbannen geweest, toen de eerste berichten omtrent den Ngoh van zuidelijker streken in de eigenlijke bakermat van de Chineesche letterkun

(°) 鱷魚 (1) 唐書(“,韓愈(7) 韓文公()潮 潮 IH, het vaderland van de in onze koloniën welbekende Tió-Tsioe- of zoogenaamde Hoklo

Chineezen.

dige wereld belandden ; – en geen wonder dan ook dat de geletterden van het Noorden, die het monster zelf niet zagen en nog veel minder hun eigen Draak ooit hadden aanschouwd, zich niet aan eene identificatie waagden, maar liever den zuidelijken naam Ngon ook in geschrifte behielden. Toch werd reeds door een schrijver in de zevende eeuw (75) geboekstaafd, dat volgens de bewoners van Kwangtoeng „de geest rvan den Ngoh donder en bliksem, wind en regen maken kan, hetgeen hem naderen w doet tot de bovennatuurlijke wezens, als den Draak en consorten".

Het feit nu dat de Draak of krokodil, die reusachtige vorst der stroomen en rivieren, zich bij voorkeur in het water ophoudt en oudtijds gedurende de in China zoo droge wintermaanden zich aldaar verschool in de moerassen, werd waarschijnlijk de gereede aanleiding tot zijne verheffing tot zinnebeeld van het vochtige element. Doch was het winterjaargetij voorbij en waren de eerste regens neergevallen , dan kwam hij uit zijn winterslaap te voorschijn en kondigde aldus, met de nieuwe lentezon, ook de verkwikkende voorjaarsregens aan (76). Ziehier dus den Draak als regenbrenger, en den oorsprong der tallooze toespelingen, als zoodanig door Chineesche schrijvers op het dier gemaakt. Zijn adem vormt wolken (77); hij is een dier van het natte elewment, en wanneer hij te voorschijn komt dan wordt de vochtigheid dampvormig ren vormt wolken" (78). Zoo verhaalt Lioe Ngan (79), de vermaarde wijsgeer van het Zuiden der Hwai-rivier die in de tweede eeuw vóór Christus leefde, in het zesde hoofdstuk van zijn werk, dat Nu Kwa (80), de opvolger of opvolgster van den fabelachtigen Foeh Hi die de rij der Keizers opent (2852 vóór onze jaartelling), een zwarten Draak doodde om de overstroomde landstreek Ki (81) te hulp te komen ; want, 200 voegt een commentator er bij: vde zwarte Draak is de quintesscence der wateren, men derhalve doodde men hem om den regen te doen ophouden”. Ontelbaar inderdaad zijn in de Chineesche geschriften de toespelingen op den Draak als regenmaker, en nog heden ten dage wordt, wanneer een overstrooming is bedwongen of een rivier binnen hare oevers teruggebracht, officieel aan den Keizer gerapporteerd, dat de

(19) Namelijk Li Sjoen Foeng , een vermaard historieschrijver, astronoom en wiskundige; en wel in zijn werk getiteld to, dat in den vSpiegel en Bron van alle Onderzoek” (hoofdst. 93) is aangehaald.

(1) Men leest in von Humboldt's »Ansichten der Natur; ueber Steppen und Wuesten”: «Somtijds ziet men aan de oevers der moerassen van Zuid-Amerika het natte slijk zich langzamervhand verheffen, en met een plotselingen knal wordt als bij eene uitbarsting van kleine slijkvulkanen rde aarde tot een groote hoogte in de lucht geworpen. Hij die het verschijnsel kent neemt de vlucht; want een reusachtige waterslang of een gepantserde krokodil komt uit den kuil te voorschijn, ontmwaakt als hij is uit zijn lethargischen slaap door de eerste regens. Zie Schlegel, « Uranographie Chinoise", bladz. 52.

(") Materia Medica”, loc. cit.
(*) Zie „Gesprekken en Geschriften” er van 1 Tsjhwen # JI.
(1) Bladz. 204, noot 76. (*) Zie bladz. 72, noot 14.
(*) Een der negen landschappen, waarin China in de eerste historische tijden was

[ocr errors]

Draak gevangen en bedwongen is (82). Ook het volk gelooft nog altijd stellig en zeker, dat de verschijning van een exemplaar van het drakengeslacht, al is het dan ook maar, bij gebrek aan een werkelijken Draak, een „kiao-loeng” (zie noot 26), regens, vloeden en zware onweersbuien brengt. Het onderstaande, aan de China-Review (VII, bladz. 351) ontleend, moge het bewijzen.

... Raise the crocodile” (83) means "deluges" or "disastrous foods.” The watery » phenomena, known as ,crocodiles” are said to occur only in the interior provinces, vand to be especially frequent in Hu Nan. The "crocodile” takes several years to vincubate, and during this period lies concealed deeply imbedded in a gently undu„lating mound, which is never covered with snow. If, therefore, it is observed that rany given spot is not covered with snow when the rest of the ground is so covered, u notice is taken of the fact, and persons are sent annually to make examination of w the spot, and observe if the absence of snow is repeated. If the spot be uncovered during three successive years, the ,crocodile” is unmistakably there, and must be ndug out. At a great expenditure of time and labour this is accordingly done, and „the animal (whose appearance as described answers to that of a small alligator), is » carefully conveyed to the sea. If he is not dug out, when he himself comes forth

he speeds like a blight all over the land, cutting through every obstacle, and carrying behind him a huge rtidal wave.” All this too in the interior!"

In Canton schrijft het volk de hevige windvlagen gedurende een tyfoen alge

aan vliegende Draken toe; ja, sommigen geven zelfs voor, bij zulke gelegenheden die monsters door het luchtruim te zien schieten. De beter ontwikkelde klassen hechten echter aan die verhalen niet, maar bezigen toch altijd nog de uitdrukking „kortstaartige Draak” (84) wanneer zij van een hoos of zware bui gewagen (85). Te Emoy heet een wolkbreuk in de volkstaal ling tsóei (86), d. i. „de Draak wringt water.”

Ook de Neptunus der Chineezen draagt den naam van Drakenkoning der Zeeën (87) en heeft, zoo hij al niet geheel en al aan het Boeddhisme is ontleend, dan toch in den vorm, waaronder hij thans in het Rijk van het Midden wordt vereerd, aan een nauwe samenweving van den ouden Draak met den uit Indië af komstigen Sagara zijn ontstaan te danken. Door den hoogen graad van heiligheid, waartoe laatstgenoemde godheid zich heeft opgewerkt, is hij - zoo luiden de godsdienstige legenden – tot de volmaaktheid van Bodhisattva (88) geraakt, en is ook zijn invloed zegenend en weldadig. Hij is het die de wolken aan het luchtruim spant en de regens over het aardrijk nederzendt, daar waar die voor de behoeften van het menschdom noodig zijn.

wand rrages,

meen

97

verdeeld. Het omvatte de tegenwoordige provincie Sjansi, en gedeeltelijk ook Tsjihli.

(**) Dennys, „Folk-lore of China", bladz. 108.

(*) 起 蚊(C)斷尾龍 (1) „Notes and Queries on China and Japan," deel II, bladz. 122.

(9) Lotet * (*') Boven, bladz. 156, noot 50.
(*) Zie bladz. 144, 147 en volg.

Een tallooze menigte van draken of naga's heeft hij in zijn gevolg, en alle zijn uit een ei, of door transformatie, of uit vochtigheid ontstaan. Brandende winden en zandige plekken, die de zonnewarmte verhit, worden door hen geschuwd; want deze verschroeien hun hoornachtig geraamte en de ornamenten, waarmee zij zijn bedekt. Het is altoos met angst, dat zij hunne paleizen verlaten om zich in de golven te gaan verlustigen; want steeds is de vogel Garoeda er op uit om van hunne afwezigheid gebruik te maken en hun jongen te verslinden” (89). Duidelijk herkent men in deze schildering den krokodil of alligator: hetzelfde monster waarop Varoena of Pratcheta, de godheid van de Hindoes die den Oceaan, de meren

en rivieren bewoont en het aardrijk bevrucht, in zittende houding wordt afgebeeld (9).

Om nu op de verschijning van den Draak in het lentejaargetij terug te komen : het was, volgens Dr. Schlegel (o?), naar aanleiding van zijn wedergeboorte in het voorjaar, dat de oude Chineesche astrologen, bij het samenstellen van een natuurlijken kalender voor het volk, dat gedeelte van den Hemel hetwelk ten naastenbij onze sterrenbeelden Virgo, Libra en Scorpio omvat, bestempelden met den naam van Hemelsblauwen Draak (92). Deze heeft zich tot nu toe in de Chineesche oorkonden staande gehouden en komt reeds in hunne alleroudste sterrenkundige werken voor. Eens inder

eeuw waarin Spica in de Maagd, de ster die onder de Chineezen voor den kop van dien Blauwen Draak doorgaat, in den aanvang van de lente tegelijk met de zon aan den horizon verscheen; een tijd waarin gedurende dit jaargetijde successievelijk al de lichaamsdeelen van dat hemelsche monster tegelijk met den God des Dags aan den gezichteinder werden gebracht; een tijd eindelijk die, op grond van de precessie der equinoxen, door Dr. Schlegel naar ongeveer 160 eeuwen vóór onze jaartelling wordt teruggebracht en, volgens hem, aan de thans nog grootendeels bestaande benamingen der verschillende deelen van de Chineesche sfeer geboorte gaf. Indien zijne hypothese juist is, dan moet aan de astronomische overleveringen van het Verre Oosten, en dus ook aan het thans nog levende Chineesche ras, een oudheid worden toegekend even groot, of wellicht grooter nog, dan die van den anti-diluvialen mensch in Europa !

Het is hier de geschikte plaats om onze belofte, op bladz. 112 afgelegd, te vervullen en nog eens op de aldaar aangeroerde voorjaarsoptochten terug te komen, waarin de Draak een hoofdrol speelt. Door die in verband te brengen met hetgeen in bovenstaande regelen is aangevoerd, hopen wij er eene verklaring voor te vinden.

daad was

er

een

(89) Clavel, Histoire des Religions,” boek II, hoofdst. 2; alsmede «Spiegel en Bron van alle Onderzoek,” boofdst. 90.

(*) De Brahmanen bezingen telkens in hunne hymnen Indra, den God des Hemels, als den weldoenden geest wiens bliksem de wolken splijt, en die den demon of draak versiaat, welke de bevruchtende wateren des Hemels gevangen houdt: Koeppen, „Religion des Buddha,” bladz. 4.

() Uranographie Chinoise," bladz. 55 en volg.

(") # Loft Blauw beschouwen de Chineezen als de eigendommelijke kleur van de lente: verg bladz. 71.

Een verbazend groot af beeldsel van het monster, vervaardigd uit linnen, bamboe en papier en zoodanig ineengezet, dat het op lange staken in kronkelende bewegingen kan worden voortbewogen, ziet men in de eerste maand van het jaar, doch vooral op den avond van het Lantarenfeest, meermalen rondvoeren door de straten. Kaarsen en lantarens verlichten inwendig het lange gevaarte, en voorop gaat een man met een bolronde lantaren van papier, welke eveneens van binnen helder is verlicht en dus geheel en al het voorkomen van een vuurbal heeft. Waarheen dit voorwerp, boven op een stok bevestigd, wordt bewogen, daarheen draait zich ook de kop van den Draak; want de dragers doen het voorkomen alsof het monster steeds pogingen aanwendde om den vuurbal te verslinden. Zou die verlichte bal ook wellicht die voorjaarszon van vóór 18000 jaren voorstellen, waarvan wij zooeven spraken, en die linnen Draak den Hemelsblauwen Draak van de Chineesche sfeer, wiens kop, nabij Spica gelegen, in dien onpeilbaren nacht der Oudheid in den aanvang van de lente tegelijk met de zon op- en onderging? Het was toen ter tijde inderdaad alsof de Draak aan den Hemel steeds de zon achtervolgde, meer en meer achterhaalde en eindelijk verslond; en indien men in die hedendaagsche processie werkelijk eene navolging van dat verschijnsel van vervlogen eeuwen heeft te zien, van welk een ongeloofelijke oudheid moet zij dan dateeren! Een dergelijke navolging der Natuur, doch blijkbaar van veel jonger dagteekening, hebben wij op hetzelfde Lantarenfeest in den vuurdoop van het tijgerbeeld (bladz. 108) meenen te herkennen: -- wij gelooven niet, dat voor beide gebruiken eene bevredigende verklaring is te vinden zonder raadpleging van dat eenige onuitwischbare, onvergankelijke boek der sterren, waarin de voorhistorische mensch ongetwijfeld vele episoden uit zijn leven in vurige karakters neergeschreven heeft.

Hierin ligt dan ook wellicht meteen de oplossing van de vraag, waarom de Chineezen sinds hooge oudheid den Draak beschrijven als dragende een parel in het voorhoofd of den bek. Misschien stelt dit kostbare voorwerp wel de lentezon voor, die zich eertijds, in den onpeilbaren nacht der eeuwen, in den kop van den Hemelsblauwen Draak bevond, en werd de parel dáárom tot zinnebeeld van het zuivere , reine Hemelvuur der lente gekozen, omdat zij onder de Chineezen voor het zuiverste en reinste kleinood doorgaat, dat men op aarde kent. Ten slotte nog een enkel woord over den Draak als zinnebeeld der Keizerlijke waardigheid.

Hoewel de voorgaande regelen wel is waar nog niet rechtstreeks ophelderen om welke redenen liet monster in het Keizerlijk blazoen werd geplaatst , zoo bieden zij toch eenige gegevens aan, waaruit eene oplossing van de vraag zich af laat leiden. Zeer begrijpelijk is het, dat een landbouwend volk, zooals de Chineezen bij uitnemendheid zijn en zeer zeker sinds eeuwen en eeuwen zijn geweest, groote waarde aan bevruchtende

hecht. De Draak nu is de gever van den regen en dus de grootste weldoener van het volk: meer zelfs nog dan een Keizer, die — in theorie althans zijn leven uitsluitend aan het welzijn zijner onderdanen wijdt. Verklaarbaar is het dus dat de Zonen des Hemels, hetzij om te toonen dat zij zich van hunne roeping waren bewust, hetzij uit een zeker soort van eigenwaan, zich met dien

regens

« PreviousContinue »