Page images
PDF
EPUB

vuurtje, dat de offerpapiertjes verteert. Ten slotte worden de amuletten wederom aan den hals der kinderen gehangen, die nu natuurlijk zeker kunnen zijn het gansche jaar door de hoog gewaardeerde bescherming van de godin te genieten.

Mannen geven zich zoo goed als nooit met deze godsdienstige praktijken of; doch het behoeft wel niet gezegd te worden dat de kleinere jongens, op aandrang of bevel van moeder en zusters, veelal wel deelnemen aan de plechtigheid en met de vrouwelijke leden van het gezin ijverig voor de godin knielen en buigen.

Het ligt in den aard der zaak dat de Weefgodin, behalve om nakomelingschap, gelukkig huwelijksleven en zegen over de kinderen, ook nog bij het offeren in den avond van den 7den der zevende maand om bekwaamheid in de vrouwelijke handwerken wordt gesmeekt Dit noemen de Chineezen van Emoy khiet-kháo (8) of „ bedelen om vaardigheid". En wanneer de offerande afgeloopen is, stellen de vrouwen op eene eigenaardige wijze de uitwerking van hun gebed op de proef. In het maanlicht, hetwelk in de eerste helft van elke Chineesche maand steeds van den bemel schijnt, of, zoo de lucht bewolkt is, bij het schijnsel van een brandend wierookstokje, trachten zij namelijk draden door het oog van een naald te halen ; want, zoo zeggen zij, wie zulks het beste gelukt, die geniet blijkbaar het meest den bijstand van de patrones en zal de grootste bekwaamheid bekomen. De ingeoogle malden worden daarop bij wijze van tropee, of om dankbaarheid te toonen, in de vruchten gestoken, die op de offertafel gereed staan, en blijven daar totdat de spijzen opgeruimd en onder de kinderen of vriendinnen rondgedeeld worden. Er zijn ook wel vrouwen, die dadelijk na de offerande eenige steken in het een of ander naniwerk doen, vast overtuigd als zij zijn dat daardoor de zegen, die de godin, door haar smeeken bewogen , zoo juist over hare vaardigheid heeft uitgestort, voor den duur van het gansche jaar over haar werk hestendigd zal worden.

De vereering van de Godin van de Weefstoel schijnt door alle eeuwen heen in het Chineesche Rijk zeer populair te zijn geweest; althans in een groot aantal werken, zoowel van den ouderen als nieuweren tijd, vindt men er melding van gemaakt. Zij uitte zich echter lang niet altijd en overal onder dezelfde vormen. leert ons het boek der „Vergeten Zaken van de periode Thijen-Pao" ("), een soort

aanvullingsgeschiedenis op het tijdperk 742–56, dat men toen ter tijde aan het Hof niet alleen veelkleurige zijdestoffen uitspande en bloemen, vruchten, wijn en lekkernijen gereed zette ter offering aan den Koeherder en het Weefmeisje, maar ook spinnen in kleine metalen doosjes sloot en deze met het aanbreken van den dag opende, om uit de meerdere of mindere dichtheid van het spinneweb de mate van bekwaamheid af te leiden, die men (in het weven) zou verkrijgen. De hofdames namen bovendien naalden met negen oogen (19) en draden van vijf verschillende kleuren ,

van

(9) 乞巧,
(o #Ü (10) Wellicht wegens het aantal sterren, die volgens sommige

naar

en

en

keerden zich

het maanlicht trachtten de draden in te vogen: vast overtuigd dat zij, wie zulks gelukte, bekwaamheden zou b komen. In het landschap King-Tsjhoe spanden de vrouwen en meisjes eveneens doeken van allerlei kleur in de huizen uit. Het is de meergenoemde Kalender van de zeden en gebruiken van die streek, die zulks verhaalt, en er buitendien nog bijvoegt dat men er naalden met zeven gaatjes (11) inoogde, die soms van goud en soms van zilver of kopererts vervaardigd waren,

er, evenals thans nog te Emoy geschiedt, meloenen en andere vruchten in het voorhuis plaatste om vaardigheid van de Godin van het Weefgetouw af te bidden.

„Op den 7den van de zevende maand", zoo zegt het boek der „Aanteekeningen op de plaatselijke Gebruiken” (12) — " zette men onder den open hemel maaltijrden klaar van wijn, vleesch en vruchten van het seizoen , en smeekte daarmede de „Weefgodin om rijkdom, lang leven en nakomelingschap". En een eigenaardig gebruik besloot, volgens een ander schrijver, die plechtigheid. Het volk vervaardigde » namelijk kinderbeeldjes van was, liet die spelenderwijze op het water drijven en trok daaruit voorspellingen ten aanzien van het bevallen der vrouwen. Men noemde zulks w invloed uitoefenen op het baren" (13). Dat echter die praktijken niet immer onder alle klassen van

van Chineezen toejuiching vonden, bewijst het puntdicht, waarmede de poëet Jang Phoh (14) de vereering van het Weefmeisje hekelt en dat wij tot besluit hier aanhalen:

„Wat verlangt men, tegen dat zij zich met den Koeleider vereenigt?
„ Men wil het Weefmeisje uitnoodigen de metalen weefspoelen te doen werken.
„Jaar aan jaar smeekt men haar den menschen toch vaardigheid te verleenen,
» Maar er wordt niet gemeld, hoeveel er werkelijk vaardig worden!”

Het feest van den zevenden avond wordt ook in Japan gevierd. Men vereert aldaar hetzelfde Weefmeisje en denzelfden Koeherder, die bij de Chineesche vrouwen 200 in aanzien staan, met bloemen, confituren, vruchten en toiletartikelen ; ja, men wijdt het goddelijk echtpaar zelfs dichtstukjes, inzonderheid bruidzangen en minneliedjes. Ongetwijfeld hebben de Japaneezen, die toch reeds zoo vele godsdienstige gebruiken en zelfs het grootste gedeelte van hunne beschaving aan hunne westelijke naburen ontleenden, ook dit feest aan de bewoners van het Bloemenrijk te danken.

astronomen in beide groepen te onderscheiden zijn. De „Sterrencanon", in noot 7 op bladz. 129 genoemd, zegt dat het Weefmeisje uit drie en de Koeherder uit zes sterren is samengesteld.

(1) Een toespeling wellicht op de omstandigheid, dat de feestdag valt op den 7den van de zevende maand ?

() In noot 55 op bladz. 181 aangehaald.

(13) Zie de Vermeerderde en verbeterde Schatkamer van allerhande Zaken”, hoofdst. VI, t . (14) ##

op

Ten slotte zij nog aangestipt, dat sommige studenten en geletterden den 7den der zevende maand een offerande aan de Goden der Letterkunde brengen, en wel in het bijzonder aan Khwej Sing, wiens monographie in onze verhandeling over den 3den van de tweede maand is opgenomen.

ZEVENDE MAAND, VIJFTIENDE DAG.
TWEEDE FEESTDAG VAN DE HEEREN DER DRIE WERELDEN.

Vermoedelijke beteekenis van dezen dag, alsmede van den -goán. Familie-offerande aan de voorouders. Eendvogels in de zevende maand. Offerande aan de Godin-Moeder.

een

Een laatste feestdag in de zevende maand, die nog te behandelen overblijft, is de zoogenaamde tiong-goân (), de geboortedag van den geest die de aardkracht bestiert. Wat deze geest, tee-koan (?) geheeten, waarschijnlijk te beteekenen heeft, werd reeds op bladz. 5 eenigszins toegelicht, terwijl ook in de eerste regelen der verhandeling over het Lantarenfeest het

en ander over den oorsprong en de beteekenis van den naam tiong-goán werd gezegd. Er blijft ons derhalve niets anders over dan aan te stippen dat, zoo goed als de geboorte van den thijen-koan of den geest die de hemelkracht bestiert, in de eerste lentemaand wordt geplaatst, omdat alsdan die kracht zich in de herlevende Natuur begint te openbaren (3), men den feestdag van den tēe-koan in den aanvang van den herfst viert, omdat op dat tijdstip alle voortbrengselen tot rijpheid beginnen te komen en, als door een daartoe aangestelden aardgod, worden verdeeld en rondgestrooid. Deze geest, de tēe-koan, doet zich dus eerst door zijne werken kennen in de zevende maand: hij wordt, zooals de Chineezen zeggen, geboren. Vandaar dat de 15de van die maand, evenals de 15de van de eerste, door hen onder den naam van saam kài-kong sing (4) of „geboortedag der drie We. reldheeren” wordt aangeduid.

Resumeerende, volgt dus uit het bovenstaande in verband met hetgeen op de aangehaalde bladzijden van dit werk is gezegd, dat de tiong-goán zooveel als het middelste der drie tijdstippen is, waarop het scheppende beginsel der Natuur in zijn jaarlijkschen kringloop het meest op den voorgrond treedt. De beteekenis van de twee eerste dier tijdstippen laat zich dus gemakkelijk verklaren ; doch moeielijker valt het rekenschap te geven van het derde, den zoogenaamden -goán (3). Deze valt, zooals reeds op bladz. 100 is gezegd, op den 15den van de tiende maand, en vertegenwoordigt dus het tijdstip waarop zoowel het voortbrengend als het rijpmakend beginsel der Natuur den winterslaap ingaan om niet voor het volgende voorjaar te ontwaken; maar wat de soei-koan of de op bladz. 5 genoemde geest van den dampkring en het water

(") Zie bladz, 100, nool, 7. () Bladz. 5, noot 17. (3) Vergel. bladz. 100.
(4) Bladz. 100, noot 5. 6) Zie bladz. 100, noot 8.

met dien dag te maken heeft, is, wij bekennen het volmondig, ons lang zoo duidelijk niet. Wellicht hebben de Chineezen uit zucht naar regelmaat zijn feestdag op den 15den van de eerste wintermaand geplaatst, daar immers ook de thisen-koan en de tee-koan respectievelijk op denzelfden datum van de eerste lente- en herfstmaand worden vereerd. Het is echter ook mogelijk, dat de verwarring met den dzjien-koan of den geest die het menschelijk noodlot regeert, van wien op bladz. 5 melding is gemaakt, daarvan de oorzaak is. Want duidelijk is het zeker, dat bij een landbouwend volk zooals de Chineezen zijn en sinds de hoogste Oudheid zijn geweest, het individueel geluk of ongeluk hoofdzakelijk bepaald wordt door de grootere of kleinere hoeveelheid grondvoortbrengselen, die men in het afgeloopen jaar heeft kunnen oogsten, en bijgevolg de geesten, die het menschelijk noodlot in handen hebben, reeds in den aanvang van den winter zich beginnen te doen kennen, of om zoo te zeggen, geboren worden. Inderdaad bestempelen dan ook de Chineezen van Emoy den -goán, evenals den siõng-goán en den tiong-goándag, met den naam van saam każ-kong sing of "geboorte der drie Wereldheeren” (6).

De wijze waarop de offerande aan den tēe-koan op den 15den der zevende maand in haar werk gaat, behoeft hier niet vermeld te worden, aangezien zij slechts eene herhaling is van de offerande, die men op den dag van het Lantarenfeest aan den thijen-koan opdraagt en op bladz. 100 en volg. beschreven is. Wel echter dienen wij te wijzen op de groote offerande, welke dien dag gebracht wordt aan de voorouders, die in de tabletten op het altaar huizen.

Het laat zich begrijpen dat een maaud, die aan de voeding en verlossing van de afgestorvene zielen in het algemeen gewijd is, niet mag voorbijgaan zonder dat ook elk in het bijzonder zijne eigene afgestorvenen van het noodige voorziet. En tot dit doel is de vijftiende dag bestemd. Men wachte zich echter wel te gelooven, dat de hier bedoelde offerande, evenals het voedingsfeest ten behoeve van de preta's, een vrucht is van een Boeddhistischen boom. Integendeel bestond zij reeds onder de dynastie der Tsjow (1122—255 vóór Chr.), en dus lang vóór Sakyamoeni's naam ooit in China was gehoord. llet is het Boek der Ritualen van die dynastie, de zoogenaamde Tsjow-li waarvan op bladz. 169 het een en ander is gezegd, hetwelk dit bewijst: getuige een passage die ons leert, dat men aan de overledene vorsten hulde bracht door offeranden in de lente, den zomer, den herfst en den winter. Volgens de commentaren werden die in de eerste maand van elk dier vier jaargetijden opgedragen).

(6) In tempels, waar het groote voedingsfeest ten behoeve van de zielen op den 15den van de zevende maand wordt gevierd, plaatst men dikwerf een papier of bord met het opschrift: drie bestuurders Groote Goden” (vergel. bladz. 103, noot 20) op een voor elkeen zichtbare plaats, opdat de vereerders en offeraars zich voor dien vertegenwoordiger van de eerstaanwezende godheden op dien avond zullen nederbuigen en wierook branden, alvorens zich met den tempelafg preta's te bemoeien.

(7) Op. cit, hoofdst. » Ambte naren van de Lente”, * 14. Biot's vertaling, I, bladz. 423.

en de

« PreviousContinue »