Page images
PDF
EPUB

het reeds voor jaren door Mayers (57) geopperde gevoelen over te hellen en met dezen aan te nemen, dat de naam Hung Ngo, en daarmede de geheele legende, uit Indië afkomstig is.

„In all the range of Chinese mythology", zegt deze te vroeg aan de wetenschap ontvallen Sinoloog, "there is, perhaps, no stronger instance of identity with the - traditions that have taken root in Europe, than in the case of the legends relating rthe moon; and, luckily, it is not difficult to trace the origin of the Chinese belief in rthis particular instance. The celebrated Liu Ngan, author (in part, at least) of the »writings known as Hwai-nan-tsze, is well known to have been the patron of travelled "philosophers, under whose guidance he studied and pursued the cabalistic practices » which eventually betrayed him to his death; and the famous astronomer Chang Heng " was avowedly a disciple of Indian teachers (58). That the writings, derived from two such hands, are found giving currency to an Indian fable is, therefore, not sur"prising: and there seems to be ground for suspicion that the name Ch’ang-ngu (or, was the dictionaries assert, more properly Heng-ngo) appearing in their treatises, may » be the corrupt representation of some Hindoo sound, rather than connected with the » doubtful title of an office, obscurely mentioned in times long anterior to the dates vat which they wrote. ... In its etymological bearings, the legend is well worthy -of further investigation.”

De Hindoesche oorsprong van de fabel van llung Ngo verraadt zich buitendien

nog uit de reeds aangestipte legendarische verandering der heldin in een pad. Want de vereenzelviging van de Maan met dit dier, of, juister gezegd, met den daar

verwanten kikvorsch, is zulk een eigendommelijke karaktertrek van de fabelleer der oude Hindoes en komt daarentegen zóó schaarsch in de mythologie der oude Chineezen voor, dat men er bijna niet aan twijfelen kan of de schrijver, die haar voor het eerst op Chineeschen bodem overplantte, putte aan een vreemde bron. Het onderwerp is echter belangrijk genoeg om een afzonderlijk punt van bespreking uit te maken.

aan

C. DE PAD IN DE MAAN

De eerste Chineesele schrijver, die van het bestaan van een pad in de maanschijf melding maakt, is alweder Lioe Ngan, dezelfde die ook de legende van Hung Ngo het eerst heeft geboekt. Daar nu, zooals zooeven werd gezegd, op goede gronden mag worden veronderstell dat vijne mystieke bespiegelingen niet vrij van vreemde inmengselen waren en het buitendien zeker is, dat de vereenzelviging van de Maan met een pad of kikvorsch reeds eeuwen vóór hem in de heilige boeken der Brahmanen

(57) In Notes and Queries”, deel III, bladz. 124.

(68) Een bewijs dat hij inderdaad stellingen verkondigde en dingen deed, die buiten de sleer lagen van de begrippen van zijn tijd, mag men atleiden uit het feit, dat hij tegen het einde van zijn leven nog als toovenaar werd ontmaskerd en bij zijn vorst in ongenade viel: Mayers, » Reader's Manual”, 13.

werd gepredikt: daarom mag men met recht veronderstellen, dat de prioriteit van uitvinding in deze aan de oude Aryers toekomt.

De Rigveda (59) bevat een lofdicht, hetwelk Max Müller in zijn » History of ancient Sanskrit Literature” (60) voor een gedeelte aldus vertaalt :

„Afterlying prostrate for a year, like Brahmans performing a vow, the frogs have emitted their voice, roused by the showers of heaven. When the heavenly , waters fall upon them as upon a dry fish lying in a pond, the music of the frogs wcomes together, like the lowing of cows with their calves.

When, at the approach of the rainy season, the rain has wetted them, as w they were longing and thirsting, one goes to the other while he talks, like a son to „his father, saying, akkhala.

, One of them embraces the other, when they revel in the shower of water, wand the brown frog jumping after he has been ducked, joins his speech with the "green one.

"As one of them repeats the speech of the other, like a pupil and his teacher, nevery limb of them is as it were in growth, when they converse eloquently on the wsurface of the water.

, One of them is Cow-noise, the other Goat-noise, one is brown, the other "green; they are different though they bear the same name, and modulate their voices win many ways as they speak. Cow-noise gave,

Goat-noise gave, the Brown gave, and the Green gave us treasures. The frogs who give us hundreds of cows, lengthen our life in the rich wautumn."

In zijn klassiek, streng wetenschappelijk werk over de dieren in de Indo-Germaansche mythologie (61) zegt Angelo de Gubernatis, naar aanleiding van dit lied:

» Mir scheint der Hymnus, wenn er von Fröschen spricht, nicht auf die Fröwsche der Erde sondern auf die Wolken, die Wolken-Frösche anzuspielen, welche von „dem regnerischen Monde angezogen werden, wenn der Sturm seine Höhe erreicht.... Die Hymnen 101 und 102 des siebenten Buches sind zu Ehren (des blitzenden und dondernden Gottes) Indras gesungen; der Hymnus 103 ist ebenfalls ihm zu Ehren "gesungen, jedoch von den Wolken des Himmels selbst, von den himmlischen Frö» schen, da der Frosch, welcher quakt, an den Himmel versetzt, nichts Anderes ist als die donnernde Wolke; in der That hat im Sanskrit das Wort bheka, welches Frosch » bedeutet, auch die Bedeutung Wolke.... Der Frosch kündet, gleich dem Donner, das nahende Gewitter an.... Wenn Indra und Zeus ihre Arbeit in der himmlischen „Wolke gethan haben, wenn die Wolke zerstreut ist, wenn die Frösche von Wasser , betrunken sind, hören sie auf zu quaken..... Sie quaken unaufhörlich, bevor der „Regengott ihren Wünschen genügt, bevor es regnet: der Donner lässt sich immer

(•) Mandala VII, 103. ("*) Hoofdst. III, bladz. 494.
P!! Duitsche vertaling, deel III, hoofdst. IV, bladz. 623 en volg.

»vor dem Regen und beim Ausbruch des Gewitters hören; daher wird im Rigveda -selbst Indu, der Mond, als Regenbringer (oder der Regen selbst) angefleht, zu eilen rund mit Indra, dem Regengott, über die Befriedigung des Wunsches der Frösche zu "verhandeln. Hier ist es also speciell Indu, welcher dem Verlangen der Frösche mnach Regen genugthut. Indu als Mond bringt oder verkündet den Soma, den Regen: und in diesem Punkte wird der Frosch, den wir zuerst mit der Wolke identificirten, rauch mit dem regnerischen Monde identificirt. Ein anderes Characteristikum des „Frosches machte diese Identificirung noch natürlicher, nämlich seine grüne Farbe » (harit). Harit (d. h. grün sowohl als gelb) bezeichnete im Sanskrit den gelben „Mond, den grünen Papagei und den Frosch."

Bovenstaande regelen, aan een der grootste geleerden van den tegenwoordigen tijd ontleend, toonen duidelijk hoe de Maan in de fabelleer der oude Indiërs optrad als regengevende macht vereenzelvigd met den kikvorsch, die, zoals het heette, door zijn kwaken regen brengt. Als men nu ook ziet, dat in China sinds de oudste tijden de Maan eveneens als regenbrengster niet alleen, maar zelfs als hoogste vertegenwoordigster van het element water in het algemeen optrad, dan wordt het duidelijk waarom het geloof in de nauwe verwantschap tusschen dit hemellicht en het zooeven genoemde regenverwekkende waterdier ook daar op eenmaal wortel schoot, zoodra de kiemer van uit vreemden bodem er op het veld der volksmythologie slechts was nedergeleyd.

Een enkel woord over de denkbeelden zoowel der oude als moderne Chineezen omtrent de betrekking tusschen de Maan het water dient hier dus, tot beter begrip van ons betoog, vooraf te gaan.

Zooals reeds op een vroegere bladzijde van dit werk (62) werd gezegd, verdeelen de Chineezen het Heelal in een mannelijk en een vrouwelijk gedeelte, dat wil zeggen in een actief beginsel Jang en een passief Jin, door wier werking op elkander alle verschijnselen der Natuur ontstaan. Zij beschouwen het vuur des Hemels, de zon, buiten welke niets wat ademt kan groeien, leven of bestaan, als de voornaamste werkende kracht in het Heelal en bijgevolg als het type van den Jang; zoodat licht en leven, dag en warmte, die met de zon aan de schepping en productie werken, mede tot het mannelijk principe behooren, doch duisternis en dood, nacht en koude, als zijnde van een passsieve natuur die niets voortbrengt of in het leven roept, van zelf komen te vervallen onder Jin. Het hemelruim bevrucht de aarde steeds door zijne malsche regens en warmen zonneschijn, en deelt haar ieder jaar het vermogen mede om planten en dieren voort te brengen: derhalve is het vereenzelvigd met Jang; doch de aarde, die daarbij steeds een lijdende rol vervult en zonder bevruchting door den hemel niets vermag, wordt gerangschikt onder Jin.

Daar dus de zon, volgens de Chineesche cosmologen, de voornaamste zetel is van het mannelijk beginsel des Heelals, en de Maan om de uiterst verklaarbare rede

en

[ocr errors]

(2) Bladz. 45, noot 72.

nen, die op bladz. 374 en volg. werden ontvouwd, voor hen steeds de natuurlijke echtgemoote van dat hemellicht was, zoo kon het ook niet anders of de Koningin des Nachts moest in hun oog wel de hoogste vertegenwoordigster wezen van het vrouwelijk principe, te meer daar haar macht en invloed voornamelijk op den voorgrond treden gedurende de duisternis, die immers het tijdperk is der koude, van den dood, in één woord van de Jin. Zoo verklaart het zich dan ook, waarom men in de Geschiedboeken van de Han-dynastie geschreven vindt, dat «de Maan het hoogste is van alles wat tot het vrouwelijk beginsel der Natuur behoort" (63) en Lu Poeh Wej, de schrijver uit de derde eeuw vóór onze jaartelling, in bewoordingen, die reeds op bladz. 102 werden aangehaald, de Vlaan voor den grondslag verklaart van alle werkingen van het vrouwelijk principe.

Een element, dat in hooge mate aan den invloed van de warmte onderworpen is en dus in de eerste plaats van een passieve natuur mag heeten, is het water. Door de werking van de zon laat het zich omzetten in mist, wolken en regens, waaraan de bodem zijn vruchtbaarheid en levengevende kracht ontleend; en daar het dus slechts een lijdende rol vervult in de handen van den Grooten God des Levens, daarom brachten de Chineezen met bet gansche vrouwelijk gedeelte des Heelals ook het water onder de heerschappij der Maan), de Koningin der Jin. Het is alweder Lioe Ngan, die het bestaan van dit oude volksbegrip in het China van zijn tijd bewijst doordien hij in zijne vermaarde geschriften deze aanteekening heeft geboekt: „de koude adem w van het opeengedrongen beginsel Jin vormt water, en de quintessence van het wateri"ge element is de Maan" (64).

Het zal waarschijnlijk wel nooit zijn uit te maken, of deze overoude vereenzelviging van de Maan met het water haar eerste ontstaan aan de bekendheid des volks met eb en vloed te danken had. Want daar het juiste tijdstip, waarop zij een artikel in de wijsgeerige geloofsbelijdenis der Chineezal werd, zich niet bepalen laat, zoo is het ook onmogelijk om te weten te komen, of de voorvaderen der hedendaagsche

van het Rijk van het Midden destijds reeds ver genoeg in de richting van het zeestrand waren afgezakt, om met eb en vloed bekend te kunnen wezen. Doch wat hiervan zij: zeer aannemelijk is het zeker, dat de oude ingewortelde begrippen in dien geest ten zeerste zullen zijn versterkt geworden toen het volk, hetwelk ze koesterde, eenmaal de werking van de Maan op het getij te aanschouwen had gekregen. Koh Hoeng, de wijsgeer uit de vierde eeuw, die in dit werk voor het eerst op bladz. 204 werd aangehaald, bevestigt dit. De quintessence van de Maan beheerscht het water“ zou zegt hij in zijne philosophische bespiegelingen, die onder den naam van Pao-phoh

voorname plaats onder de literatuurschatten van China innemen r het is daarom, dat bij volle maan de vloed hoog is" (65).

zonen

tsze 109

(en

[ocr errors]

(68) Ter plaatse, zoo straks in noot 23 aangehaald.
(64) Awai-nun-tsze, hoofdst. III.
(65) „Vermeerderde en verbeterde Schatkamer van allerhande Zaken“, hoofdst, 1. .

Hoogst merkwaardig mag het zeker heeten, dat de volkeren van onze Westersche oudheid begrippen koesterden omtrent de betrekking tusschen Maan en water, die zoo goed als in geenen deele van die der oude Chineezen verschilden. Dupuis, de beroemde stichter van de school, die den voornaamsten grondslag van allen godsdienst zoekt in de oude vereering der Natuur, vereenigde eenige resultaten zijner studiën op het punt in zijn meesterwerk, dat een der glanspunten van het tijdperk der Fransche revolutie heeten mag en waaruit wij het volgende ontleenen (66).

On avait attribué au soleil la sécheresse et la chaleur du jour; on attribua à » la lune la fraîcheur et l'humidité de la nuit, qu'elle éclairait, au lieu d'y voir tout »simplement l'effet de la retraite du soleil et celui des vapeurs, qu'il avait élevé le "jour et qui retombaient la nuit. La lune fut humide, comme le soleil était chaud ; et co wétait le principe humide, qui, mêlé à la chaleur ou au principe ignée, organisait tous les corps, dont la terre fournissait la matière. La lune fut donc associée au soleil dans le grand ouvrage des générations, et tint en commun avec lui le sceptre de la » Nature.... Telle est l'origine de la grande fortune, que la lune a faite dans "]' opinion des anciens peuples, et dont elle conserve encore quelques traces dans l’ "esprit du peuple, et surtout de l' habitant des campagnes, qui lui attribue au moins vautant d'influence qu'au soleil. Cette opinion, qui n'est plus aujourd'hui qu'un -préjugé de l'ignorance, faisait autrefois partie de la science des Philosophes ou des „Sages de l'antiquité.

Sa nature est le froid-humide. Elle est „la reine et l'arbitre souveraine des nuits.

Elle exerce

sa puissance sur les mers, dans le flux et le reflux. Suivant qu'elle croît, ou qu'elle décroît, les corps soumis và son action éprouvent les mêmes alternatives. Elle est une des trois planètes, qui » distribuent les pluies, et qui décident de l'abondance ou de la stérilité de la terre. Elle influe sur la formation des foetus des animaux et de l'homme, depuis le pre"mier mois de la conception jusqu'au septième..

Pline lui attribue „la propriété de résoudre en rosée autant de vapeurs, que le soleil par l'action de

rayons en absorbe. Ainsi on voit qu'il lui contie l'administration du principe „humide végétatif, qui entre dans l'organisation des corps, et qu'elle dispense par son "action douce et moins forte que celle du soleil.

celle du soleil. Cette idée s'accorde absolument "avec celle que donne Plutarque (67) de l'action de la lune comparée avec celle du »soleil. Aussi Pline appelle-t-il la lune (68) un astre féminin, et d'une molle énergie, "qui s'alimente des eaux douces des fontaines (69), tandis que le soleil se nourrit des veaux salées de la mer. Aussi l'effet de l'action de la lune, selon lui (70), est de - résoudre l'humidité, de l'attirer, et non de la détruire.... Le soleil au contraire "(71) a une action plus mâle, dont l'effet est de brûler et d'absorber tout.

(66) Origine des Cultes”, boek II, hoofdst. 3, bladz. 166 en volg.
(67) De Isid., p. 367.
(68) Historia Naturalis, II, 103.
(69) Plutarchus, op. et loc. cit.
(70) Plinius, II, 101. (71) Ibid., c. 100,

1 ses

« PreviousContinue »