Page images
PDF
EPUB

van

ieder jaar in den nacht van het midden van den herfst Cassiazaden nedervielen en door de priesters werden opgeraapt. Ook was er, volgens hetzelfde werk, tusschen de jaren 1023 en 1032 een lied in omloop, luidende, dat in het Ling-Jin klooster (127) zaden van den Cassia uit de Maan nedervielen, talloos als de regen en zoo groot als erwten (128).

Een kort historisch overzicht van den Maanboom der Chineezen levert het werk over Materia-Medica, dat reeds zoovele malen is aangehaald (129). Het luidt:

„Het verhaal een Cassia-boom in de Maan, die vruchten naar beneden » werpt, dateert uit den tijd van Keizerin Woe (1.30). Men vertelde toen elkander, dat een Hindoe-priester van het Condor-gebergte (131) uit Indië was komen aanvliegen, en er dientengevolge in de achtste maand in Indië steeds Cassia-zaden ne„dervielen (1 32). De Geschiedboeken van de Thang-dynastie zeggen het ook, dat in "de derde maand van het jaar 689 zaden van den Maan-Cassia in Thai-Tsjow (193) " nedervielen, hetgeen eerst na meer dan tien dagen ophield. In A. D. 1027, onder „de dynastie der Soeng, vielen er bij schoonen maneschijn en helderen hemel in den wacht van den 15den van de achtste maand zaden van den Maan-Cassia in het » Ling-Jin klooster van Hang-Tsjnw (134). Zij waren talloos gelijk regen , groot als verwten en als paarlen zoo rond. Er waren witte, gele en zwarte onder, zij hadden » hulzen gelijk die van de zaden van de waterlelie en waren bitter van smaak. Men » verzamelde ze om ze den hoogen ambtenaren aan te bieden, en de priesters van het „ klooster zaaiden ze en kregen er vijf en twintig boomen van.... Toen Tsjang Kiun „Fong (135) in het „klooster van de maanschijf" in Tshijen-Thang (136) verblijf vhield , vag hij zaden van den Cassia in zóó grooten getale nedervallen, dat het leek ,te rooken en te misten....

„Hieruit volgt" 00 spreekt thans de schrijver van de Materia-Medica zelf -w dat het werkelijk is alsof er boomen in de Maan bestaan: maar ik zeg, dat de Maan de ziel van het vrouwelijk beginsel is, en dat het geen zich in haar afteekent de wschaduwen van bergen en rivieren zijn Maar zoo er dus geen Cassia in de Maan

[ocr errors]

(1) 靈隱寺
(128) Spiegel en Bron van alle Onderzoek"; loc. cit.
(120) In het 34ste hoofdstuk; art. R.
(1:0) it ja. Zij begon hare regeering in A. D. 684.

("*') Nabij het tegenwoordige Giddore. Het speelt een gewichtige rol in de godsdienstige mythologie der Boeddhisten.

(132) Nadere bijzonderheden omtrent dien avontuurlijken tocht des priesters worden niet vermeld. Wij zijn dus niet in staat, des lezers nieuwsgierigheid op het punt te bevredigen.

(133) SH. Een departement in Tsjchkiang. De hoofdstad van denzelfden naam ligt op een breedte van 28°54' en een lengte van 118°49'24" ongeveer.

(184) Zie zooeven, bij noot 127.
(135) # # (136) Naam van een arrondissement en zijn hoofdstad in

» bestaat, wat zijn het dan voor dingen, die uit het luchtruim vallen? Allerwege » leest men in de gezamenlijke historische geschriften, dat er stof-, zand-, klei- en » steenregens zijn geweest ; dat het goud, lood, geld en cinnaber heeft geregend en merregens zijn gevallen van zijde en zijdestoffen , koren en rijst; dat het gras , boo» men, bloemen en kruiden, haren, bloed, visch en vleesch en allerlei soort van der" gelijke dingen heeft geregend.... derhalve worden de regens van Cassiazaden ook » door bovennatuurlijke oorzaken te weeg gebracht, en niet doordien zich Cassiaboomen v bevinden in de Maan”.

Gedurende de dynastie der Soeng (A. D. 960 - 1369) onderging de Maanboom der Chineezen, door invloed van buiten overvleugeld, nogmaals een gedaanteverwisseling. Uit dat tijdperk dateert namelijk zijn vereenzelviging met den zoogenaamden sâla (137) der Boeddhisten (138), dat wil zeggen met den gewijden tekaboom, welks gebladerte, volgens de legende, van de ontvangenis, geboorte en dood van Boeddha Sakyamoeni getuige was (139).

Dus is de Cassia voor de Chineezen het zinnebeeld geworden van de Maan, alsmede van het herfstseizoen, hetwelk steeds aan dit hemellicht gewijd was. Als zoodanig baande hij den weg voor een keur van poëtische bespiegelingen van de zijde der letterkundige klasse. De Cassia in de Maan, zoo redeneerde men, vertoont zich bijzonder duidelijk in het midden van den herfst. Zijn bloeiende takken overschadu

dan als het ware de bloem der natie, die op dat tijdstip naar de hoofdsteden der provincies stroomt om zich langs het moeielijke pad der staatsexamens den rang van wku-zjin" (140) te verwerven en dus den toegang tot de hoogste staatsbetrekkingen te banen: waarom zou hij dan niet het zinnebeeld wezen van den letterkundigen

een iegelijk naar streeft? Een „Cassiatak plukken in het paleis van de pad” werd op deze wijze een geliefkoosde uitdrukking voor het behalen van den tweeden graad. „De Cassia in het paleis”, zoo zegt een Chineesch schrijver , »bezingt "de faam der geleerden en edellieden en is het zinnebeeld van beroemde mannen ; , want de Cassia is een boom van uitstekende hoedanigheden en wordt in het paleis "geplant zooals de Keizer diegenen tot zijue rijksgrooten benoemt, die naam hebben nen lof verdienen. Daarom is hij tegenwoordig het zinnebeeld van geluk voor die "geletterden, wier roemrijken naam hij zal gaan rondbazuinen" (141).

wen

roem

waar

het departement Hang-Tsjowfoe, zooeven bij noot 126 genoemd. ( 137

Schorea robusta? ) , ”, . (139) Eitel, Handbook of Chinese Buddhism”, bladz, 111.

(140) De tweede letterkundige graad, reeds op bladz. 136 vermeld. Hij is slechts verkrijgbaar vor hen die reeds den derden of laagsten graad, dien van „sine-tshai”

秀才,

hebben behaald; en wel op examens die éénmaal in de drie jaren door hooggeplaatste, daartoe door den Keizer aangewezen, ambtenaren in de provinciale hoofdsteden omstreeks het midden van den herfst worden afgenomen.

141, „Vermeerderde en verbeterde Schatkamer van allerhande Zaken”; hoofdsi. LXXVIII: 桂,

Zoo verklaart het zich ook van zelf', waarom de Chineezen van Emoy de koeken, die zij, zooals reeds op bladz. 376 in het breede is besproken, op den 15den van de achtste maand aan de Maan ten offer brengen, elk met den naam van een der verschillende letterkundige graden bestempelen: en wel des te hooger, naarmate de koek in afmeting toeneemt. Somtijds is die naam in het deeg gebakken, of met verf op de bovenzijde aangebracht. Men kan de koeken stuk voor stuk in de winkels koopen, of bij een zekere hoeveelheid tegelijk bij wijze van stel; doch ook worden zij in de straten rondgevent en onder kinderen en koelies door de slijters verdobbeld. Des avonds geven zij, vooral in de huizen van rijken en aanzienlijken, aanleiding tot een eigenaardig hazardspel, waar zoowel jongelieden als volwassenen deel aan nemen. Men noodigt namelijk zijn vrienden en bekenden uit, koopt een stel van die letterkundige maankoeken in en verspeelt ze met behulp van een zestal dobbelsteenen onder elkander. Dengenen nu, die zoo gelukkig is den grootsten koek te winnen, wordt , althans 200 hij tot de studeerende klasse behoort , een flinke promotie op de ladder van den roem en de ambtelijke hiërarchie voorspeld; doch de door het geluk minder gunstig bedeelden betalen het gelag of, liever gezegd, den prijs der verdobbelde koeken. Zoo worden in hetzelfde huis op een enkelen avond dikwijls verscheidene stellen maankoeken achtereen verspeeld. Velen bedienen zich bij het spel ook wel van houten, beenen of ivoren staafjes, die, met de namen der literarische graden beschreven, dezelfde rol als onze fiches bij het kaartspel vervullen en later tegen koeken worden ingeruild.

Zonder twijfel symboliseert dit letterkundig dobbelspel de zoo straks genoemde staatsexamens van de achtste maand, waarop in den regel misschien meer nog toeval en geluk dan wel werkelijke kunde het eindsucces beheerscht. Eenige weken later maken de Mandarijnen den uitslag door aanplakking openbaar en zien de geslaagden zich de gelegenheid geopend om mede te dingen tot den allerhoogsten graad (142), die slechts in Peking kan worden verworven en tot de allerhoogste rijksbetrekkingen toegang geeft : geen wonder, dat men die gebeurtenis eveneens herdenkt door een letterkundig feest, en wel dat „van het omhoog klimmen”, hetwelk blijkbaar niet veel meer dan een zinnebeeldige voorstelling van dien vooruitgang op den weg naar de hoogste eer en roem beoogt. Wij zullen echter op dit onderwerp niet vooruitloopen , maar alleen maar in het voorbijgaan aanstippen, dat al wat in beide feestdagen op studie en ambtelijke promotie wijst niet veel ouder dau de zevende eeuw kan zijn, aangezien eerst toen het tegenwoordig nog in zwang zijnde stelsel van staatsexamens door de Keizers van de Thang-dynastie werd ingevoerd.

Thans blijft nog ten slotte het laatste der levende wezens, die in de maanschijf wonen, ter behandeling over, en wel de houthakker, wiens fabelachtige geschiedenis misschien meer nog dan het reeds behandelde Maanoudje en het Vrouwtje in de Maan naar onze eigene Europeesche volksmythe voert,

Namelijk die van etsin-sji”; zie hladz. 136, noot 46.

F. DE HOUTHAKKER IN DE MAAN.

nen

was

Men leest in de „Mengelingen van Jioe-Jang" (143), die in de achtste eeuw geschreven werden:

„In de Maan bevindt zich een Cassiaboom van vijfhonderd vademen hoog. Daaronder staat een man, die zonder ophouden er de bijl in slaat; doch zoodra er reen kerf in den boom komt, gaat die weder dicht. Deze man heet Woe Kang (144)

een persoon uit Si-Ho (145). Zich toeleggende op de (deugden der) Genii w beging hij een misslag, en ontving tot straf de opdracht om den Cassia te vellen" (146).

Ziehier alles wat Chineesche geschriften omtrent den houthakker in de Maan ten beste geven ; want nadere bijzonderheden over oorsprong of ontwikkeling der legende bevatten zij, voor zoover wij weten, niet. Alleen vonden wij nog in het hoofdwerk over Materia-Medica der Chineuzen (147) aangeteekend, dat zij voor het eerst onder de fabelen van de dynastie der Soei en die der Thang (A. D. 589–907) hare verschijning maakte, hetgeen echter volstrekt de mogelijkheid niet uitsluit, dat zij reeds in vroegere tijdperken in den mond des volks kan hebben geleefd. Merkwaardig intusschen mag het zeker heeten, dat onze eigene sprookjes eveneens spreken over een houthakker in de Maan, die, als Woe Kang, wegens een godsdienstig vergrijp naar dit hemellicht gebannen werd.

Eeuwen geleden , zoo luidt immers de Germaansche legende, ging op een Zondagmorgen een oud man naar het bosch om hout te hakken. Toen hij met zijn takkenbos over den schouder naar zijne woning terugkeerde, werd hij aangesproken door een man in Zondags-kleedij, die zich naar de kerk begaf. Weet gij niet”, zoo zeide deze, „dat het thans Zondag op aarde is, en iedereen van den arbeid rust ?”

Zondag op aarde of Maandag in den hemel”, antwoordde de houthakker met een spottenden lach, whet is mij geheel onverschillig !” — Draag dan uw takkenbos tot in der eeuwigheid !”, sprak de vreemdeling; ven daar gij den Zondag op aarde niet eerbiedigt, daarom zal de uwe een altijddurende Maandag in den hemel zijn. Eeuwig zult gij in de Maan vertoeven, als een waarschuwing voor alle Sabbathschenders !” Hierop verdween de vreemde man, en de houthakker werd met takkenbos en al opgenomen in de Maan, waar hij thans nog staat (148).

("") Zie bladz. 300.

(10) June (106) PL . Deze naam werd gedurende de dynastie der Thang aan een gedeelte der tegenwoordige provincie Sjansi gegeven.

(146) Vermeerderde en verbeterde Schatkamer van allerhande Zaken”, hoofdst. 1, art. 月, en hoofdst. LXXVIII, art. t; alsmede -Spiegel en Brou van allo Onderzoek”, hoofdst. II, .

(197) Hoofdst. XXXIV, art. t.

(148) Baring Gould, Curious Myths of the Middle-Ages", bladz. 191. De lezing, dat het Mannetje in de Maan de op bevel van Mozes gesteenigde Israëliet zou zijn, die op Sabbath hout Daar aan beide kanten nog altijd de gegevens ontbreken, die tot ontdekking van den oorsprong van beide bovenstaande oude legenden zouden kunnen leiden, is het natuurlijk vooralsnog niet uit te maken, of zij uit een gemeenschappelijke bakermat afkomstig zijn. Alleen moge het de aandacht niet ontgaan, dat de Chineezen hun houthakker doen geboren worden in de hedendaagsche provincie Sjansi , dat wil zeggen, in den noordwestelijken uithoek van het vroegere Chineesche Rijk. Kan dit op een Westerschen oorsprong van de legende van Woe Kang wijzen ? (149)

Oude Chineesche geschriften spreken nog van een drie- of viertal andere maanbewoners, die den gang van het hemellicht door het Heelal besturen zouden; doch zij zijn blijkbaar reeds lang uit het geheugen van het gewone volk gewischt en spelen dus in het dagelijksch leven der Chineezen volstrekt geen rol. Derhalve gaan wij ze met stilzwijgen voorbij. Het zij genoeg, dat de lezer door bovenstaand overzicht van de wezens, die de Maan bewonen, in staat gesteld is niet alleen de maankoeken in al hunne vormen en geheel hun voorkomen te begrijpen, maar ook volkomen weet wat het zeggen wil, wanneer de Chineezen hem mededeelen, dat zij op den feestdag van het midden van den herfst offeranden brengen aan hun Mannetje en Vrouwtje in de Maan. Men wete namelijk, dat het onderdeel van den onverbasterden Natuurdienst, hetwelk zich in maanvereering uit, zich in China bijna geheel oplost in afgodische vereering der mystieke wezens, die de Maan bewonen, en dat de tegenwoordige bewoners van Emoy niet nederknielen voor de Maan als Godin des Hemels en opperste Koningin des Nachts, maar veeleer aan het Maanoudje en Hung Ngo hunne offeranden brengen, op wie men in den loop der eeuwen de attributen, die oorspronkelijk slechts aan de eigenlijke Maangodin toekwamen, wederrechtelijk heeft doen overgaan.

§ 3.

HET KIJKEN NAAR DE MAAN EN HET RAAD

PLEGEN DER TOEKOMST.

Zijn de offerplechtigheden ter eere van de Maangodin op den 15den van de achtste maand behoorlijk verricht en de maankoeken onder veel gelach en leedvermaak ten koste der verliezers tot den laatsten toe verdobbeld, dan gaat men buiten

gesprokkeld had (Numeri XV: 32–36), is blijkbaar niet veel anders dan een kind van de zucht, om een oorspronkelijk Heidensche leger de met een eenigszins Christelijk kleed te tooien. Want de Joodsche geschriften spreken volstrekt niet van de verhuizing van hun Sabbathschender naar de Maan.

(169) Het Europeesche Mannetje in de Maan, dat wij vroeger hebben doen optreden, werd (zie bladz. 382) mede om een godsdienstig vergrijp naar de Maan gebannen.

« PreviousContinue »