Page images
PDF
EPUB

ACHTSTE

MAAND, TWEE EN TWINTIGSTE DAG.

TWEEDE FEESTDAG VAN KEH-SING-ONG.

Keh-Sing-óng's geschiedenis heeft nog weinig door den tand des tijds geleden. Zijne feestdagen. Hoe hij wordt afgebeeld.

§ 1. Geschreven berichten omtrent den god. Oorsprong van zijn eeredienst. De oproerling Thang King. Hoe de afgod een brand bluschte in het Keizerlijk paleis. Invallen der Japaneezen, door hem gestuit. Bergvestingen in Foehkjen. Sophistische redeneering van een orthodox Chineesch schrijver.

§ 2. Volkslegenden omtrent Keh-Sing-óng. Invloed van de ligging van een graf op het geluk en de toekomst der nakomelingen. De uwind-en-water-meesters". Geboorte van den afgod en oorsprong van zijn eeredienst. Zijn huwelijk na zijn dood. Toovermacht van een Taoistisch priester, door zijn tusschenkomst gefnuikt.

§ 3. Bedevaarten naar den tempel van Keh-Sing-óng. Offeranden, hem aldaar gebracht. Huisofferanden ter eere van den god. Zijn namen en titels. Vergelijking tusschen bedevaarten in China en elders.

Nu de lezer met het wezen en de geschiedenis van de Godin der Genade, den God van den Rijkdom en den Hertog-Keukenprins is bekend gemaakt, en hem dus de rol van drie der op bladz. 8 van dit werk opgesomde huisgoden van de Emoy-Chineezen is onthuld, blijft ons nog slechts het een en ander over de vierde aldaar genoemde godheid in het midden te brengen, die, zooals reeds op bladz. 207 werd aangestipt, naast de Patrones der Zeelieden de eenige hoofdgodheid van zuiver Foehkjeneeschen oorsprong is. Het is vooral om deze reden dat de geschiedenis van zijn ontstaan, die betrekkelijk nog zeer weinig door den tand des tijds geleden heeft, niet mag ontbreken in dit werk, hetwelk immers mede aan de beschrijving der hoofdgoden van een gedeelte der bevolking van Foehkjen is gewijd ; te meer zoo, aangezien zij een merkwaardig voorbeeld aan de hand doet van de wijze, waarop in China afgoden ontstaan en tot eer en aanzien geraken

De twee hoofdfeestdagen van Keh-Sing-ống vallen respectievelijk op den 22sten van de tweede en den 22sten van de achtste maand. Een van beide moet de dag van zijn geboorte wezen, en de andere die van zijn dood; doch daar de Chineezen immer beide datums dooreenwarren is het ons niet mogen gelukken te weten te komen, welke nu eigenlijk de geboorte- en welke de sterfdag van den afgod is. Trou

wens ,

met de feestdagen van andere godheden, als den Keukenprins, de Godin der Genade en den Oorlogsgod is het niet veel beter gesteld, zooals op bladz. 366, 159 en 97 werd aangestipt.

Keh-Sing-ông wordt altijd voorgesteld met het eene been omhoog getrokken en op of tegen de dij van het andere geplaatst. In den loop van deze verhandeling zal de reden hiervan blijken. Wij zullen er thans toe overgaan een kort overzicht van de geschreven geschiedenis van den afgod en van de overleveringen en legenden te geven, die omtrent hem in den mond des volks in omloop zijn, en vervolgens iets over de bedevaarten in het midden brengen, die naar zijn tempel in de achtste maand worden ondernomen Deze pelgrimstochten zullen den lezer doen zien, dat ook China zijn Kevelaar, Salette of Lourdes heeft, en dus ook in dit opzicht niet bij onze Europeesche naties achterstaat. , De tienduizend volkeren gelijken elkander” zeggen de Chineezen.

[ocr errors][merged small]

Buiten de noordelijke poort der districtshoofdstad Lâam-Oan (1), op ougeveer een dagreis afstands, ligt een tempel van hoogen ouderdom, „de tempel van afschrik en bescherming" (2) geheeten. Het volk noemt hem echter veelal „tempel van (den afgod) Keh" (3). De volgende berichten, die, al zijn zij nog al sterk met legendarische bijzonderheden opgesmukt, toch voorzeker tot op zekere hoogte vertrouwen verdienen, zijn getrokken uit de «Boeken van Min" (4) en de „Kronieken van TshuenTsjowfoe" (5).

Keh-Tiong-Hok (6), of Keh de Getrouwe en Gelukkige, was geboortig uit eene familie, die reeds eeuwen lang aan den voet van het gebergte met der woon gevestigd was geweest. Natuur had het jongmensch met een diepzinnig, om zoo te zeggen bovennatuurlijk karakter begiftigd, en hem bovendien met schranderheid en moed bedeeld. Toen hij zestien jaren oud was, nam hij een aarden kan met wijn, voerde zijn koe aan touw naar de bergen, zette zich daar neder op den hoogsten top op. eenige zware rottingplanten en stierf met de beenen naar omlaag. Toen hij in dezen toestand werd gevonden, was de wijnpot geheel en al ledig en niets meer van de koe overgebleven dan de beenderen. In hunne droomen door hem aangezocht , richtten de dorpelingen weldra een tempel ter zijner eere op, en spoedig verspreid

een

(') . Op een klein uur afstands ten Westen van de departements-hoofdstad Tshuen-Tsjowfoe: zie Inleiding XI.

(3) 威鎮廟 ()郭廟,

( W. Het hedendaagsche Foelkjen heette oudtijds Min, een naam, die ook thaus nog wel in den deftigen stijl aan de provincie wordt gegeven.

()泉州府志(1) 郭忠福,

om

de zich zijn roem heinde en ver; want steeds had hij vertrouwbare antwoorden ten beste voor elkeen , die hem kwam bezoeken en raadplegen.

Onder de Soeng-dynastie, en wel in het jaar 1130 van onze jaartelling, werd er in de omstreken van den tempel verschrikkelijk huisgehouden door een berucht roover en oproerling, Thang King () geheeten. Het volk wilde zich gereed maken

te vluchten en raadpleegde den afgod over dit plan; doch daar de wichelblokken een ontkennend antwoord gaven, besloot men te blijven, en zie: den volgenden morgen vielen er zulke zware regens, dat de gezwollen wateren der rivier het overtrekken voor de roovers ondoenlijk maakten. Plotseling verscheen een ruiter in het wit gekleed en op een wit paard gezeten. Hij bracht de roovers op een dwaalweg, deed daardoor al hun oorlogstuig in den stroom verloren gaan en maakte dat vele hunner hoofdlieden verdronken. Natuurlijk werd sinds dien tijd de afgod de vertrouwde schutsheilige van het geheele district; de naam „tempel van afschrik en bescherming" werd aan het hem gewijde godsgebouw gegeven en hijzelf met verscheidene eeretitels begiftigd. Onder dien van Kóng-Tik 1soen-ống (), d. i. verwaarde

ông °Vorst van verstrekkende goedgunstigheid” wordt hij heden ten dage nog het meest in de provincie aangeroepen.

In de periode Sjao-Hing (9) verleende Keizer Kao Tsoeng (10) van de Soengdynastie zijn officiëele sanctie aan den dienst van den afgod, en wel op grond van een ander wonder, dat men beweerde door hem te zijn gewrocht. Een zekere Woe Teh (11), een vurig vereerder van Keh-Sing-óng, bevond zich namelijk in de hoofdstad met een klein zakje wierookasch uit den tempel van zijn lievelingsgod bij wijze van amulet op de borst, toen er plotseling brand uitbrak in het Keizerlijk paleis ; -doch op hetzelfde oogenblik verscheen Keh-Sing-óng in eigen persoon en bluschte de vlammen door eenvoudig een wit vlaggetje heen en weer te zwaaien. Natuurlijk schreef elkeen dit wonder aan de wierookasch toe; de tempel ontving ter belooning de Keizerlijke wijding, en de stukken, hierop betrekkelijk, werden bewaard in het huis van een zekere familie Hwang (12), die in de nabijheid woonde.

Het was onder de dynastie der Ming in de jaren 1561 en 62, dat de Japaneezen invallen deden in dit gedeelte van het Rijk. De oproerige en roofzieke clan van den familienaam Lu (13), die in het arrondissement Ing-Tsjhoen ( 4) woonde, maakte met eenige andere woelzieke stammen uit den omtrek gemeene zaak met hen en hielp hen de landlieden belegeren, die zich in een versterkt kamp ten Noorden van den tempel ten getale van drie of vierhonderd hadden teruggetrokken (15). Al

(1) 湯(2) 廣澤尊王(1) A. D. 131-1163. (1)高宗,

(") () (13) (+) # De hoofdplaats van denzelfden naam is gelegen in het centraal gedeelte der provincie; lengte 116" 08', breedte 25' 18'.

(15) Een versterkte legerplaats vindt men in Foehkjen in de nabijheid van bijna elk dorp van eenig belang. De gewone constructie is een eenvoudige ringmuur van steen, waarbinnen man

en kinderen zich met have en goed terugtrekken wanneer rooverbenden naderen, of als men zich in tijd van oproer tegen een vijand te verdedigen heeft. Meestal gelegen zijnde op den

nen,

vrouwen

[merged small][ocr errors]

1

dichter en dichter drong de vijand op en gebrek aan water begon zich te doen gevoelen; doch een driehonderdtal gewapende lieden uit een nabijgelegen fort deden in het holst van den nacht in alle stilte een uitval op de Japaneezen, joegen hen geheel uiteen en stelden de belegerden in de gelegenheid niet alleen om zich van water te voorzien, maar ook om meer dan tien hunner vijanden te dooden. De aanvallers schenen toen te begrijpen, dat hun tegenspoed aan Keh-Sing-ông te wijten was. Zij staken daarom zijn tempel in brand, vernielden het gebouw tot op den grond en keerden toen weder naar het fort terug, ten einde de dorpelingen op nieuw te belegeren. Groot gebrek aan water en levensmiddelen deed zich nu gevoelen; maar zie: gedurende den ganschen nacht vielen er hevige regenbuien. Het buskruit, waarmede de vijand mijnen liet springen, vatte vlam en verkeerde nutteloos in rook, en schrik voor de macht van den afgod sloeg den Japaneezen om het hart :- zij trokken haastig af, doch haalden eerst nog de Keizerlijke bewijzen van heiligverklaring uit het huis van de familie Hwang en vernielden ze. De dorpelingen keerden weer naar hunne haardsteden terug, en herstelden binnen korten tijd den tempel in al zijn glans en glorie van weleer.

Meer wetenswaardigs leveren de twee Chineesche werken niet ; doch de schrij

van de Kronieken van Tsjuen-Tsjowfoe treedt aan het einde van zijn verhaal in een echt Chineesch sophistisch betoog over de bovennatuurlijke macht van den afgod. „Inderdaad”, zegt hij — nop een afstand van verscheidene duizenden van mijvlen een brand te blusschen in het Keizerlijk paleis is een mirakel van de eerste

soort ; maar hoe komt het, dat de god niet eens het vuur kon blusschen op een "paar voet afstands van zijn eigen zetel? En wel kon hij bewerken, dat die roovers "van de Soeng-dynastie af moesten trekken, waardoor de dorpelingen uit hun lijden » werden verlost, doch niet was hij in staat de invallen van de Japaneezen te keeren, „die toch immers eerst aftrokken nadat zij aan hun roof- en plunderzucht tot het reinde toe hadden botgevierd! Ook kon hij niet beletten dat de dorpelingen, door » met hen te heulen, de medeplichtigen van roovers werden en den goeden naam van » het landvolk in het algemeen zeer benadeelden. Hoe laten zich deze tegenstrijdig» heden verklaren ???

En nu ruimt de schrijver op zijn manier op eenmaal alle moeielijkheden uit den weg door te verzekeren, dat de macht van een god zich niet naar zijne verkrachting van den natuurlijken loop der dingen af laat meten, maar wel naar de wijze waarop hij het volk beschermt, hetwelk zich aan zijn zorg heeft toevertrouwd. „Afschuw»wekkende en uitstekende daden”, zegt hij, wzijn, zoo goed als voor- en tegenspoed ,

ver

top van een heuvel, is de gewone volksnaam in het Zuiden der provincie soan-tsee Lof , bergfort”. - De wreedheden, bij bovenbedoelde invallen door de Japaneezen gepleegd, schijnen zulk een diepen indruk op het volk te hebben gemaakt, dat nog heden ten dage de uitdrukking ok kào nár-ee-nieh A B C DE 1200 slecht als een Japanees" te Emoy algemeen gebruikt wordt om den hoogsten graad van wreedheid en barbaarschheid aan te duiden.

wslechts uitvloeisels van den Hemel (d. w. z. van den natuurlijken loop der dingen), wen kunnen als zoodanig door geen godheid worden gewijzigd : – doch zoo nachtelijke wregenbuien of ontploffingen van buskruit het leven van drie- of vierhonderd personen wredden, dan kan zulks aan niets anders worden toegeschreven dan aan de goden. Bovendien, dat de woelzieke oproerlingen van den clan Lu en de dorpelingen, die wden misslag begingen van zich bij hen te voegen, in zulk een kort verloop van tijd wten onder werden gebracht: wie is in staat te bewijzen , dat zulks niet het werk w van den afgod was?"

$ 2.

DE VOLKSLEGENDEN.

Nu aldus de geschreven oorkonden betreffende Keh-Sing-ông geraadpleegd zijn, d enen nog noodzakelijk de legenden behandeld te worden, die omtrent hem in den mond des volks bewaard zijn gebleven. Want deze in de allereerste plaats oefenen invloed op de bedevaarten uit, die men hem ter eere houdt: ja, zij zijn het, die veel meer nog dan de geschiedkundige verhalen, welke maar weinig gelezen worden en dus niet, zooals de mondelinge overleveringen, aan iedereen bekend zijn, den eeredienst van den afgod bestendigen en steunen. En een onderlinge vergelijking kan meteen doen zien, dat de neiging om de geschiedenis binnen een kort tijdsverloop te verdraaien tot een rapsodie van wonderverhalen niet alleen den Javanen, maar ook in niet geringe mate den Chineezen eigen is, en dat de geschiedenis van dit volk bijgevolg thans ongetwijfeld even waardeloos als de Javaansche babads wezen zou , zoo de geleerde klasse niet altijd ijverig tegen corruptie had gewaakt. Keh-Sing-ông was, zegt het volk, de zoon

van een slaaf. Op zekeren dag ontving de meester van dezen een waarzegger in zijn huis als gast, en zóó tevreden was deze man over de wijze waarop de slaaf hem bediende, dat hij hem bij zijn vertrek een belooning aanbood en hem vroeg wat hij begeerde. „Een wierookvereering voor mijne nakomelingen van tienduizend generaties” (16), luidde het antwoord.

Nu trok de waarzegger het gebergte in, zocht een geschikte plaats uit om een graf te maken en beval den slaaf daar het gebeente zijns vaders ter aarde te bestellen. „Wacht”, zoo zeide hij "totdat gij een voorbijganger zult zien met een ijzeren hoed op het hoofd, en een buffel rijdende op een kind, en begraaf op dat geluk aanbrengend oogenblik de beenderen van uw vader: dan zal roem en voorspoed over uw familie komen" (17).

bijgeloo Vige

(10) Hot ('') Deze regelen vereischeu toelichting. Men wete dat de

Chinees niets doel, geen huis bouwt of verbouwi, geen graf maakt, in het kort, niet het geringste van eenig belang onderneemt, alvorens zich eerst van de gelukkige invloeden van het terrein te hebben verzekerd. Het zou ons te ver voeren hier te willen nagaan welke de vereischten zijn, waaraan een terrein alzoo beautwoorden moet, of op hoedanige wijze men zich van de goede of slechte eigenschappen van den bodem vergewist. Het zij genoeg gezegd, dat de beslissing hier

« PreviousContinue »