Page images
PDF
EPUB

nachtverblijf opslaan en koelies hun dolce-far-niente houden, in afwachting dat er iemand komt om hen te huren. Den ganschen dag zijn luiaards en dagdieven er aan het dobbelen en kaartspelen onder eeuwig twisten en geschreeuw, en niet zelden loopt het er uit op vechtpartijen en bloedstorting. De barbiers, koks en varkens zijn er nog de meest vreedzame wezens, maar men kan zich lichtelijk voorstellen dat zulk een tempel meer gelijkt op een kroeg van het laagste kaliber dan op een gebouw aan den ceredienst gewijd.

Natuurlijk worden niet alle tempels zoo ontheiligd, maar zij worden het zonder onderscheid, indien hunne ligging medebrengt dat zich leegloopers en koelies in de nabijheid ophouden. De tempel van de godin -Tsów-(6) de patrones der schippers en zeelieden, gelegen aan de zeezijde van de stad Emoy, mag hier als sprekend voorbeeld gelden. De priesters of de tempelbewaarders schijnen volkomen onverschillig voor de schending hunner heiligdommen: ja, niet zelden heb ik hen in eigen persoon mee zien dobbelen en zich in de vechtpartijen mengen. Op het land en in de dorpen is het niet beter gesteld, want ouk dààr koestert het volk zeer eigenaardige begrippen op het punt van tempelschennis. Op onze reizen door de provincie Fohkjen namen wij elken avond als het ons goeddacht zonder plichtplegingen den dorpstempel in beslag om er ons nachtverblijf te vestigen; want herbergen zijn niet overal aanwezig, en waar zij zijn doet men best ze te vermijden zooveel men kan, uithoofde van het vuil en het ongedierte. Wij spreidden onze matten op de offertafel uit, rolden ons in onze dekens en sliepen als op een praalbed vlak onder het oog der goden en godinnen. Het toegestroomde volk sloeg natuurlijk al onze bewegingen met de grootste nieuwsgierigheid en aandacht gade, maar niemand dacht er ooit aan ons ons nachtverblijf te bet wisten, of ons de schending van het altaar kwalijk te nemen ; integendeel: wij ondervonden in elk dorp eene hooge mate van voorkomendheid en hulpbetoon, al werden wij door de meerderheid stellig voor niets beters aangezien dan voor doellooze landloopers. Een honderd cash (+ 25 cents), elken morgen vóór ons vertrek neergelegd in den aschpot: zoo het heette als geld voor wierook en offerkaarsen, doch in werkelijkheid als fooi voor den tempelbewaarder, dienden om een goeden indruk achter te laten en een dergelijke gorde ontvangst te bereiden voor mogelijke opvolgers. Een Chinees die in Europa het platte land bereist, en het eens beproeven mocht zijn vermoeide leden uit te strekken op het altaar van een dorpskerk, zou een geheel andere behandeling ondervinden! Zelfs zóó groot is de onverschilligheid in China tegenover de tempels, dat het ons wel overkomen is dat wij op het einde van een dagreis het gebouw reeds in beslag genomen vonden door eenige runderen, aldaar tijdelijk door een der boeren van het dorp gestald bij gebrek aan betere huisvesting (!).

(6) Beli T zie onze verhandeling over den 23sten van de derde maand.

(“) Te Cheribon, en stellig ook wel elders in onze koloniën, worden de Chineesche tempelsl gebruikt voor de dobbelspelen, die met autorisatie van Regeering of Bestuur gehouden worden. We een bewijs dat de eerbied voor een godsdienstig gebouw bier niet veel grooter dan in China is.

Om nu na deze uitwijding op de vereering van den Hemelgod op diens geboortedag terug te komen: als de tempel geen fondsen genoeg bezit om de Taoistische plechtigheden te bekostigen, dan worden door den beheerder inschrijvingen geopend onder de bewoners der buurt. Het zijn de hoofdmannen, die voor de geregelde circulatie der lijsten zorgen. Voor het ingezamelde bedrag huurt men priesters en koopt men offerwaren, maar dikwijls is het geld onvoldoende en moet de offerande worden voltallig gemaakt door samenwerking der beheerders. Deze nemen aan elk voor zich een gedeelte te leveren, en halen na afloop van de plechtigheid ieder hun ingebracht aandeel weder terug. Ook menigwerf worden andere van de meer welgestelde bewoners der buurt in deze overeenkomst opgenomen, of brengen, om aan hun vroomheidsgevoel lucht te geven, uit eigen beweging offerwaren bij. Iemand die zwaren rouw draagt wordt nooit toegelaten tot de inschrijvingen, want zijn naam zou schromelijk onheil kunnen aanrichten onder de andere inteekenaren, wier namen met den zijnen op de lijsten zouden staan; bovendien, er kleeft ongeluk aau hem en alles wat het zijne is, en zijne bijdrage zou dus nadeel aanbrengen in plaats van geluk. Daarom wordt zijn naam zorgvuldig van de lijsten geweerd en zijn geld, al wou hij mededoen, niet aangenomen.

Voor de ingeschreven som worden dus offerwaren gekocht en in den tempel opgesteld, en een, drie of vijf priesters gehuurd al naar gelang van het bijeengebrachte geld. In de meeste gevallen zijn de priesters drie in getal. De plechtigheid, die het nu gelden zal, heet tsiò (62), een woord hetwelk men gewoonlijk vertaalt door „Taoistische mis”, waarvan het opdragen tsùi-tsiò (63) genoemd wordt. Het letterteeken voor tsiò bevat de elementen 5 wijnpot, i vogel en

100 vuur, en doet dus denken aan

een offerande van wijn en een brandoffer van eenden, kippen of andere vogels, tenzij het teeken vuur op het verbranden van offerpapiertjes doelt. De Taoistische missen zijn velerlei. Alle stemmen, wat uiterlijke plechtigheden aangaat, vrij wel met elkander overeen, maar de uitgesproken gebeden verschillen, en ziju geregeld naar het doel waarmede de ceremoniën worden verricht. Zoo heeft men de howtsiò (64) of wregenmis” tot dankzegging voor gevallen regen; de hée-tsiò (65) of -vuurmis”, opgedragen na een brand ten einde verder gevaar van de buurt af te wenden; de tsoéi-tsiò (66) of "watermis”, opgedragen op het water ter verkwikking van de zielen der verdronkenen; de hów-tsiò (67) of rtijgermis” om tijgers uit de buurt te weren

En die welke op den 9den van de eerste maand worden opgedragen heeten Thi"-Kong-tsià (68), of wmissen ter eere van den Hemelgod".

Zoodra de inschrijvingen gesloten zijn worden de namen van de inteekenaars in sierlijke karakters geschreven op een lijst en aldus aan de frontzijde des tempels tentoongesteld opdat èn menschen èn geesten èn Hemelgod zich kunnen vergewis

enz.

(1) 熊 (1)做瞧,
()雨 藤()火酷(*) 水 熊 (1) 虎 藤() 天公瞧,

sen wie de milde gevers zijn. De hoegrootheid der ingeschreven bedragen wordt achter elken naam ingevuld en de lijst besloten met een gebed tot het heil van de vrome gevers, alsmede met de vermelding van den datum waarop de plechtigheden zullen geschieden. Dit plakkaat heet tsiò-púng (69) of " mislijst.” Het wordt na afloop van de plechtigheid Verbraud, en op deze wijze aan den Hemelgod ter hand gesteld ter inzage. En om te voorkomen dat vreemde geesten in den tempel sluipen en zich een gedeelte der offerwaren, die hun niet toekomen, steelsgewijze toeëigenen, worden twee papieren poppen vervaardigd, soms ter grootte van een volwassen man, en van een woest en vreesaanjagend uiterlijk. Men plaatst die als tempelwachters links en rechts van de deur. De een is gezeten op een tijger en de andere op een monster dat den kop en het lichaam heeft van den eenhoorn (bladz. 13, noot 28), den stàart van den draak en de pooten respectievelijk van een olifant, tijger, luipaard en een leeuw. Men veronderstelt dat dit monster de woeste kracht van al die dieren in zich vereenigt, en dus uiterst geschikt is om voor duivelverschrikker te dienen ; men noemt het 180èpoet-siong (59) of ,(het monster wiens) vier (pooten) ongelijk (zijn)”. Na afloop van de mis wordt eveneens onder bijvoeging van papiergeld een vuurtje van die tempelwachters gemaakt. En eindelijk nog versiert men de deurstijlen met het reeds vermelde kow-tai-tsin (*1).

De mis begint meestal zeer vroeg in den morgen. Met den staart om het hoofd gerold en voor het oog verborgen onder een zwarte baret, begeven de priesters zich door de straat op weg naar den tempel. Zij dragen elk een tot op den grond afhangend opperkleed van roode zijde met gouddraad geborduurd en oppervlakkig veel gelijkend op het miskleed , hetwelk de priesters van de Katholieke Kerk bij sommige gelegenheden dragen. De oudste priester zal de hoofdrol bij de plechtigheden vervullen. Op den rug, tusschen de schouders, draagt hij de graphische voorstelling van het cosmogonisch Eerste Beginsel, omringd door de acht diagrammen of symbolen, die de grondslagen voor het stelsel van cosmogonie en wijsbegeerte der oude Chineezen zijn (72). Het ceremoniekleed vertoont dus, meestal fraai geborduurd, ongeveer de nevensgaande figuur.

(
°)離 榜 (") 四不像,

(") Zie de noot op bladz. 16, VIII. (+2) Voor hen die niet met het systeem der Chineesche cosmogonie bekend zijn zij hier ter loops aangestipt, dat als eerste beginsel der Natuur wordt aangenomen de Thai-Kih * the whet Groote Opperste” hetwelk geboorte gaf aan

en Jin B, of het mannelijk en het vrouwelijk principe, de „beide regelaars” le der Natuur. De Hemel, de vader van het Heclal, vertegenwoordigt dat mannelijke, en de Aarde, die door hem met warmte en regen wordt bevrucht en dus het aanzijn geest aan de levende Natuur, het vrouwelijke beginsel, evenals bij de Grieken en Romeinen. De zon is vereenzelvigd met Jang, en de maan met Jin, en warmte en koude, licht en duisternis, in het kort, alle werkingen der Natuur, worden zoo veel mogelijk tot deze twee principes teruggebracht. Zij vertegenwoordigen

Jang

[graphic]

Niet zelden echter is de voorstelling van het Eerste Beginsel, hetwelk ThaiKih heet, vervangen door de letterteekens # t waarmee dit woord geschreven wordt. En de twee trawanten van den hoofdman verraden evenals deze hun beroep van Natuurpriester, want zij dragen de letterteekens en , zon en maan, op

den

dan ook den Ormuzd en Ahriman der Perzen, den Osiris en Typhon der Egyptenaren, den Boaz en Jachin der vrijmetselaars, Coyan en Potoyan van de Papoeaas, den Christus en den Satan der Christelijke mythologie, enz. En de eenwige strijd tusschen die twee beginselen wordt door de Chineezen voorgesteld door bet symbool hetwelk het centrum van bovenstaande figuur beslaat, terwijl de buitenste cirkel van dat zinnebeeldige teeken den Thai-Kih verbeelden moet.

De fabelachtige keizer Foeh Hi # (2800 vóór Chr.) opent de lijst der Chineesche dynastiën en was, naar men zegt, de eerste, die Jang en Jin voorstelde door zichtbare teekenen. Hij gebruikte daartoe twee lijnen, een geheele en een gebrokene, en combineerde die te zamen tot vorming van de nvier gedaanten” BY , die volgens de leer der Chineesche cosmologen uit de werking van Jang en Jin geboren werden. Zij werden aldus geschreven :

-Door het aantal strepen nog met eene te vermeerderen vervaardigde Foeh Hi de in bovenstaande figuur voorgestelde combinatie van de acht symbolen of de 1 h. Van boven af te be

rug als onloochenbare sporen van den ouden, maar nog in volle glorie bestaanden dienst der Natuur, waarop het Taoistische godsdienstsysteem is opgetrokken.

Het is opmerkelijk, dat de oude Joodsche priesters eveneeens zich bij het verrichten der godsdienstige ceremoniën kleedden in de symbolen der Natuur: in navolging van de opperste Godheid zelve, die ook getooid is in het schoone kleed des Heelals. „La tunique du souverain sacrificateur,” zegt Dupuis (*3), signifie aussi la rterre; l'hyacinthe, qui tire sur la couleur d'azur, représente le Ciel. L'éphod (74), rtissu de quatre couleurs, représente de même toute la Nature, et j'estime que l'or y na été ajouté pour représenter la Lumière. Le Rational, qui est au milieu, représente maussi la terre, qui est au centre du monde. Les deux sardoines, qui servent d'agraffes, » marquent le Soleil et la Lune, et les douze autres pierres précieuses, les mois, ou rles douze Signes, figurés par le cercle, que les Grecs appellent Zodiaque" (75). Dezelfde uitlegging van de versierselen van het priesterkleed wordt gegeven door Clemens, bisschop van Alexandrië (79), en ook door Philon, in zijn werk over Mozes (++). De oude Joodsche priesters kleedden zich dus, evenals de Taoistische van den huidigen dag ,

ginnen en rechts omgaande stellen deze respectievelijk voor hemel, wind, water, bergen, aarde, donder Fuur en laagland, allen geboren uit de „vier gedaanten" die wellicht niets anders zijn dan de jaargetijden, de wezenlijke vier gedaanten der Natuur, voortgebracht door de werking van warmte en koude, licht en duisternis.

De uitvinding van het stelsel der Chineesche cosmogonie, waarvan hierboven een kort begrip is, gegeren, wordt toegeschreven aan meergenoemden Foch Hi. En later werd de basis van berekening door zijn opvolger Sjun Noeng Tilbeh, den patroon van den landbouw, nog verbreed doordien hij het oorspronkelijk getal van acht symbolen tot vier-en-zestig uitbreidde. Een feudaalvorst Wun Wang * I van den laatsten Keizer uit de dynastie der Jin Tsjow Sin kit # (12de eeuw vóór Chr.), wijdde zich, toen hij in staatsgevangenschap verkeerde, aan de studie der symbolen, en zijne aanteekeningen, gevoegd bij die van zijn zoon Woc Wang & I, den eersten Keizer uit het huis der Tsjow , benevens bij den commentaar van Confucius, vormen het „Bock der Metamorprosen” dc Jih-king , het eerste van de vijf zoogenaamde heilige boeken der Chineezen. Dit werk vormt niet alleen den grondslag voor de orthodoxe wijsbegeerte van vroeger en later tijd, maar wordt zelfs beschouwd als de basis van alle metaphysische wetenschappen en geheimenissen der Natuur; doch de sleutel van het mystieke boek is nog steeds door de Chineezen niet gevonden, al is het aantal commentaren, door hen geschreven, legio.

Hij die iets meer omtrent de cosmogonische begrippen der Chincezen wil te weten komen, en kennis wil maken met de poging van Dr. G. Schlegel om de grondtrekken van de Jih-king uit de astronomie te verklaren, leze de dissertatie van dezen geleerde over het sterrenbeeld wde Mensch” 1, opgenomen in zijn werk over den oorsprong van de sterrebeelden : „Uranographie Chinoise”, bladz. 242 en volg. Het is ons genoeg er op gewezen te hebben, dat de Taoistische priesters bij het verrichten hunner ceremoniën duidelijk de zinnebeeldige voorstelling van het Heelal en zijne wording op de kleederen dragen, en dus als het ware zelven te kennen geven dat zij Natuurpriesters zijn en niet veel anders.

(") Origine des Cultes”, Livre I, chap. III, pag. 58. (**) Opperkleed.
(") Josephus, rde Antiq. Jud.”, Boek III, hoofdst. 8.
(*) Clem. Alex. Str., Boek V, p. 563. ("') „De Vita Moysis", Boek III.

« PreviousContinue »