Page images
PDF
EPUB

aan

[ocr errors]

te rechten, ten einde haar gunstig voor de nakomelingschap te stemmen (36). Ook door de oude Romeinen werden doodenfeesten gevierd, niet alleen onmiddellijk na de begrafenis, maar ook later ter herimmering aan de gezamenlijke overledenen : feesten, waarop niet zelden de geheele gemeente werd onthaald en schouwspelen en kampgevechten van gladiatoren tot opluistering strekten. De Mexicanen plaatsten geregeld om de tachtig dagen voedsel en bloemen op de rustplaatsen van de dooden, de Peruanen hielden gemeenschappelijke maaltijden met hunne mummies (37), en de Javanen van den huidigen dag vieren geregeld telken jare hunne maand Roewah met oflermalen, die nu eens als offers aan, dan weder als offers voor de zielen der afgestorvenen worden opgevat (38). In Servië houdt het volk mede een jaarlijksch doodenmaal (3.9); en dat de eeredienst der aderen, zich kenmerkend door zulke geregeld terugkomende feestmalen waaraan levenden zoowel als dooden deelnemen, in Europa den invloed van het Christendom het hoofd heeft geboden tot op heden, moge het volgend uittreksel uit Spencer's meesterwerk bewijzen (*): „When the time of All „Souls is approaching

in every house a light is kept burning all night; a door, or at least a window, remains open, and the supper is left on the table, weven with some additions; people go to bed earlier, - all to let the dear little vangels enter without being disturbed. Such is the custom of the peasants of the „Tyrol, Old Bavaria, Upper Palatinate, and German Bohemia" (**).

Om naar den voorvaderlijken tempel der Chineezen terug te gaan : Wailneer de offerande afgeloopen is en de deelnemers terugkeeren naar hunne woning, dan nemen zij elk een deel der offerwaren mede om te huis toe te bereiden en op te eten. Niemand twijfelt er aan of deelneming aan het maal moet het huisgezin met kinderen zegenen.

Het is immers in het belang van de dooden dat de nakomelingschap groot zij, opdat telken jare voor nieuwe offeranden worde gezorgd ,- zouden zij dus, na door het genot van zulk een overvloedigen maaltijd gunstig gestemd te zijn, niet terstond over de levenden, die hen zoo ruim hebben bedacht, een zegeni uitdeelen welke niet alleen door deze ten zeerste wordt gewaardeerd, maar ook den zegenenden zelf ten goede komt?

De dag van het wintersolstitium is niet de eenige, waarop een gemeenschappelijke offerande in de voorvaderlijke tempels wordt gebracht: ook de een of andere dag van de lente is daartoe aangewezen. Verder zijn er nog onbepaalde dagen van vereering, doch meer naar aanleiding van de omstandigheden of naar willekeur door de familie ingesteld. Zoo offeren sommigen met meer of minder praal en

nu

plechtigheid

(36) Spencer, Principles of Sociology," hoofdst. XX, $ 150.
(*?) Spencer, op. cit., lioofdst. XII, § 85.

(38) Boven, bladz. 193. (39) Jankovitch en Grouïtch, "les Slaves du Sud ou le Peuple Ser. be," bladz. 1] 2.

(4) Op. cit., hoofdst. XX, § 153.
(“) Rochholz, «Deutscher Glaube uud Brauch”, I, bladz. 323-4.

ook nog in den herfst, of op den sterfdag van een groot donateur of den stichter van den tempel, alsook bij meer gelegenheden, die hier niet behoeven opgesomd te worden. Echter mag niet onvermeld blijven, dat het beeld of de naam

van den Aardgod-Beschermheer der Graven (zie bladz. 188) meestal mede in de voorouderlijke tempels is te vinden en er ook zelden het beeld van Khwej Sing, den letterkundigen Sterregod (zie bladz. 1.37 en volg), ontbreekt, indien de literarische faam der familie nogal groot is. Beide godheden krijgen op elken offerdag ter eere van de dooden mede een aandeel in de offergaven. En ten slotte zij nog aangestipt, dat de viering in den winter van de voorouderlijke tempelplechtigheden, waaraan, ingevolge de gewoontewet, de vrouwen geen deel mogen nemen, te Emoy bekend staat onder den

van tsòi-tang (42), „den winter vieren,” of tsèe-tang (43), uden winter offeren”. Het houden van het doodenmaal heet tsiáh-tang (44), „den winter(maaltijd) eten”.

naam

§ 3.

WAAROM MEN DE DOODEN IN DEN WINTER VEREERT.

eens

Een gewichtige vraag blijft ten slotte nog te behandelen over: hoe komt het dat in China juist het midden van den winter bij uitstek aan de vereering der afgestorvenen is gewijd ?

Zoogoed als voor alle beschaafde volkeren, die op den huidigen dag de aarde bewonen, bestond er voor de Chineezen een tijd waarin nog geen rijk, geen natie zich gevormd had, maar de verschillende groepen onafhankelijk als even zooveel kleine republiekjes naast elkander leefden. Zulk een toestand beheerschte het overgangstijdperk, dat de opkomst van den Staat voorafging, en liet nog hoogstens de vereeniging van eenige groepen, dorpen of gehuchten toe onder een gemeenschappelijk hoofd, tot vorming van een clan voor onderlinge hulp en steun. Hij moet zich hebben gekenmerkt door eindelooze twisten, veeten en krijg. „The state of hostility," zegt Mac Lennan (45), vis a theme which requires no research to illustrate it...... „In the lower stages of society we recognize war as a condition of the rise of govern"ments and of the subordination of classes.

Whoever is foreign to a group mis hostile to it. Whoever is not with them is against them – a rival in the "competition for food, a possible plunderer of their camp and ravisher of their women. » Lay out the map of the world, and wherever you find populations unrestrained by »the strong hand of government, there you will find perpetual feud , tribe against tribe wand family against family. The state of hostility is the normal state of the

[ocr errors]

(1)做冬("祭 冬()食冬,
(*) Primitive Marriage,” hoofdst, VI.

[ocr errors]

» race in early times; it is incidental to the separation and independence of men in small communities."

In meer noordelijke streken, waar de jaargetijden zich in al hun vormen deden kennen, met der woon gevestigd, genoten de Chineesche stammen van dien tijd echter jaarlijks een vrij lang tijdperk van verademing en rust. Het was wanneer de voorraad, opgestapeld in het afgeloopen jaar, zichtbaar begon in te krimpen en de leden van elken stam tot nieuwen lentearbeid in de velden dwong; wanneer het zomerjaargetijde gewapende waakzaamheid vorderde tegen altijd dreigend gevaar voor balddadige vernieling van het gewas; eindelijk, wanneer in den herfst de oogst alle banden in beslag nam en alles in de weer was om de producten binnen te krijgen voor en aleer de roofzicke naburen aanrukten om ze weg te nemen of te vernietigen.

Doch wauw was de oogst geëindigd, of de oorlogskreet klonk op nieuw in vlakte en woud. De jaarlijksche tooneelen van roof en moord herhaalden zich; bloedveete, wrok en haat, opgekropt totdat geun arm meer voor den landbouw noodig zou zijn en alles zich ter beschikking zou kunnen stellen van den krijgsdemon, werden ontketend en alle geleden beleediging en smaad zncht bevrediging in moord en strijd. De winter trad dus in de allereerste plaats op als tijdperk van den krijg.

Zulk een ouden maatschappelijken toestand vindt men, merkwaardig genoeg, beschreven in het zoo belangrijke document, hetwelk wij reeds zoo dikwijls als het „ Boek der Ceremoniën" of Li-ki voor den lezer hebben opengelegd. Ofschoon het gezegd wordt elf eeuwen ongeveer vóór onze jaartelling te zijn gecompileerd (46), bevat het werk toch vele overleveringen uit een tijd toen nog geen historie werd geschreven, en wel overleveringen omtrent zeden, instellingen en gebruiken, die waarschijnlijk reeds eeuw aan van mond tot mond en van geslacht op geslacht waren overgebracht vóór zij in een geschreven vorm in het werk belandden, waarop wij thans opnieuw de aandacht van den leer vestigen. Vooral is in dit opzicht merkwaardig het hoofdstuk over de „Maandelijksche Voorschriften"-- een kleine code van instructies voor het hoofd van den Staat en zijne ondergeschikten, waarin de bedoelde beschrijving van het maatschappelijk leven des Chineeschen volks, voor en aleer het Rijk zich had gevormd, opgenomen is.

Die Maandelijksche Voorschriften zijn in vier gedeelten gesplitst, die ieder respectievelijk op een der jaargetijden betrekking hebben. Noch de voorschriften betreffende de lente, noch die van den zomer behelzen belangrijke toespelingen op krijg en strijd tusschen de stammen, doch bijna uitsluitend wordt er in gesproken over landbouw, ceremoniën om de goden gunstig te stemmen, ploegtijd Evenmin vindt men in de voorschrifien van de eerste herfstmaand veel wat op een oorlogstoestand slaat; maar in zijne bespreking van de tweede en derde maand van dit jaargetijde verandert de geheele strekking van den code en wordt bijna anders dan krijgstoerustingen gewaagd. Het volgende uittreksel moge dit in het daglicht stellen.

eeuw

en oogst.

van viets

(") Zic bladz. 71.

ep

In de laatste maand van de lente beval de Zoon des Hemels (47) het hoofd vvan zijne werklieden deze de vijf wapenkamers te doen nazien, opdat er niets in oslechten staat verkeeren zou”. Zeer natuurlijk trouwens; wint vóór de bewuste mand was aangebroken kon geen tijd gevonden wor len om te herstellen hetgeen in de krijgstochten van den laatsten winter was gebroken en beschadigd, daar het ploegen zaaiseizoen

in de twee eerste lentemaanden beslag legde op alle armen en handen. » En op den dag van den aanvang van den herfst voerde de Zoon des Flemels "zelf zijn rijksgrooten en edellieden aan, om den herfst te gaan inhalen in de wesmtelijke velden (48). Teruggekeerd, beloonde hij in het hof de bevelhebbers van zijn

troepen en de krijgers, en beval daarop den aanvoerders moedige keursoldaten te zoeken naar helden van beproefde dapperheid uit te zien, en die te disciplinee"ren.... Hij beval zijn ambtenaren de paleizen en huizen te herstellen, wallen en „muren bij te werken en de verdedigingswerken weder in goeden staat te brengen....

En de middelste maand van den herfst diende om verdedigingswallen op te werpen, neen hoofdkwartier te vestigen, onderaardsche graanschuren te delen en de voorraad„ kamers te herstellen. Hij (de Zoon des Hemels) beval dan zijn beambten het volk naan te zetten tot oogsten en inzamelen en zich te beijveren voor de inzameling van "groenten, opdat er veel zou worden opgestapeld en bijeengebracht.....

„En in de laatste maand van den herfst gaf de Zoon des Hemels onderricht nin den wapen handel door op jacht te gaan, alsook in het opstellen der ruiterij. Hij beval zijn slaven en zijn zeven stalmeesters gezamenlijk de vaandels en banieren op de strijdwagens te plaatsen, ze te verdeelen met inachtneming van rang en positie men ze, na gereedgemaakt te zijn, te plaatsen buiten den schutsmuur (voor de poort , van het kampement). De ambtenaar van instructie stak zich daarop een knods in den gordel en deelde aan de noordzijde instructies uit. En de Zoon des Hemels, nontzag inboezemend uitgedost, greep den boog en hield den pijl en ging zoo op de w jacht; en hij beval zijn offerpriester de (geschoten) vogels aan de vier hemelstreken ute offeren.....

„En drie dagen vóór den aanvang van den winter waarschuwde de Groote An» nalist den Zoon des Hemels met de woorden: „dien en dien dag zal de winter naanvangen”....en de Zoon des Ilemels vast te dan. En op den dag van het begin

("") De tekst spreckt steeds van den # F, «Zoon des Hemels”, een titel die thans nog aan de Keizers van China wordt gegeven, doch in dit gedeelte van het „Boek der Ceremoniën" blijkbaar op het stamhoofd of den aanvoerder van een vereeniging van stammen doelt. Het is dan ook niet onmogelijk, dat hij werkelijk in die overoude tijden door de stam-of clanhoofden werd gedragen en later, toen het Chineesche Rijk zich vormde, van zelf op den Keizer, het machtigste clanhoofd van hen allen, overging; doch het zou ook kunnen wezen dat, nu ongeveer dertig eeuwen geleden, de compilators, bij het samenstellen van de Li-ki uit oude overleveringen, den toenmaligen Keizerlijken titel Zoon des lleniels” in de plaats stelden vau clanhooft, ten einde die tradities in overeenstemming met de bestaande toestanden te brengen.

(**) Het Westen was aan den herfst gewijd, evenals het Zuiden aan den zomer, het Oosten aan de lente en het Noorden aan den winter: - Zie bladz. 373.

des winters voerde hij zelf zijn rijksgrooten en edellieden aan, om den winter te montvangen in de noordelijke velden. Bij zijn terugkomst beloonde hij (met eereutitels ?) degenen die in den dienst (des lands) gestorven waren en ondersteunde hunne 1 weezen en weduwen....Hij beval zijn ambtenaren zorgvuldig den oogst onder dak te w brengen, en zegde zijn beambten aan om rond te gaan en op te stapelen en in te vzamelen, opdat niets onopgeborgen zou blijven; - men versterkte de verdedigingswwallen', bewaakte de poorten der dorpen, herstelde de afsluitingen en zag nauwletntend op de sluitingswerktuigen toe. Sterk verzekerde men de grenzen en men nam voornzorgsmaatregelen ten opzichte van deze; men werkte de gewichtige schansen af, be»waakte passen en bruggen en versperde de eenzame paden en wegen. ... De Zoon des „Hemels smeekte daarop (om zegen) voor het volgende jaar tot de werkkrachten des Hemels (49); men slachtte vele dieren en offerde die aan de gezamenlijke goden van whet land en van de dorpen. Hij ging vervolgens op jacht, bracht (van de vangst) »vijf offeranden aan de overledene voorouders, droeg den landlieden werkzaamheden wop om hen tot rust te brengen en beval zijn legeraanvoerders de krijgsaangelegen w heden te bespreken en oefeningen te houden in het boogschieten.... En in de middelste maand van den winter werd al hetgeen de landlieden niet geoogst, opgebor"gen, opgestapeld en ingezameld hadden, met de paarden, runderen en huisdieren, „die men los liet loopen, in beslag genomen en kon niet teruggevorderd worden."

Kan men duidelijker schildering verlangen van een landbouwenden volksstam, die, door roofzieke naburen omringd, gedurende het winterjaargetijde gestadig in spanning en angst verkeerde voor invallen van vreemde horden? De herfst was voorbij en de oogst was binnen, alle werkzaamheden waren afgeloopen, en niets bleef den krijgszuchtigen stammen over dan door roof en plundering aan te rullen hetgeen hun ten gevolge van mindere bekwaamheid op het stuk van landbouw of gebrek aan ijver te kort kwam. En de welgevulde korenschuren hunner naburen waren het aangewezen doelwit hunner tochten. Doch ook deze zaten niet stil. Het vee werd uit het veld gehaald en gestald, de producten werden opgeborgen en een onderzoek werd ingesteld of dit alles wel behoorlijk had plaats gehad, opdat de vijandige horden toch vooral geen levensmiddelen zouden vinden, maar uit gebrek genoodzaakt zouden wezen af te trekken. Wallen en schansen werden hersteld en in staat van verdediging gebracht, poorten en bruggen onderzocht en van wachtposten voorzien, de aanvoerders hielden oefeningen in het boogschieten en drilden de landbouwers, die tijdelijk bij de krijgsbenden werden ingelijfd. De kleine landbouwkolonie van den zomer veranderde dus als door een tooverslag in een versterkte legerplaats gedurende den winter. En nog eer men berekenen kon dat de vijand gereed zou wezen een inval te doen, voerde het hoofd van den stam zijne lieden naar buiten in het veld ,

de oogst zoo juist was binnengehaald, en oefende hen door de jacht in krijgskunst en paardrijden. Was dan eindelijk de winter behoorlijk in de noordelijke velden bin

vanwaar

(49) D. 2, zon, maan, sterren en sterrenbeelden.

« PreviousContinue »