Page images
PDF
EPUB

TWAALFDE MAAND, ZESTIENDE DAG.
LAATSTE FEESTDAG TER EERE VAN DE AARDE.

[ocr errors]

Offerande aan de Aarde. Feestmaal ter onthaling van be lienden, handelsemployé's en schuldeischers. Offerande aan de Aarde op den 2den van de twaalfde maand.

Op bladz. 125 werd reeds aangestipt dat deze dag, de laatste in het jaar die nog speciaal aan de vereering van den Aardgod is gewijd, bée-gée of "laatste géedag" heet. Tevens werd ter zelfder plaatse een verklaring van dezen naam ten beste gegeven: wij kunnen dus hier met een enkel woord over de huisofferande van den dag volstaan.

De offergaven, die den Aardgod op den 16den der twaalfde maand aangeboden worden, zijn van hetzelfde gelalte als die welke op den 2den van de tweede maand op zijn offertafels verschenen (vergel. bladz. 124), doch het aantal der schotels is in den regel grooter. Dit komt doordien zij, althans in de woningen der meer geze en handelaars, na afloop van de plechtigheid, die op de gewone wijze in het werk gaat, dienen moeten om gasten te onthalen. Zooals reeds op bladz. 124 is gezegd, werd een feestmaal ook op den eersten géedag aangerecht, maar bepaalde men zich tven tot het uitnoodigen van de bedienden en ondergeschikten ; tbans echter, op den 16den van de twaalfde maand mag elke bekende die maar wil zonder invitatie binnenkomen , en wordt dus open tafel gehouden. De oorsprong van dit gebruik moet wellicht worden gezocht in de prijzenswaardige gewoonte der Chineezen om vóór het einde van het jaar zoo mogelijk alle schulden te vereffenen - een gewoonte, die van zelf medebrengt dat vanaf den laatsten géedag de schuldeischers rondloopen om te manen en natuurlijk goed dienen onthaald te worden, opdat zij nog eenige dagen uitstel van betaling geven. Op grond hiervan heet het dan ook veelal van of tegen een maner, dat whij aan de deur komt kloppen om het bée-géemaal te gebruiken:” phah múng tsiáh bée-geé (1).

Hebben de bedienden tot het einde toe aan den maaltijd deel kunnen nemen

[merged small][ocr errors][ocr errors]

zonder dat hun van den kant des meesters de dienst is opgezegd, dan achten zij zich stilzwijgend voor het volgend jaar op nieuw aangenomen. Voldeden zij echter niet in het loopende jaar, dan wordt hun met zoete, zachte woordjes en onder bedekte termen te kennen gegeven dat zij inrukken kunnen en dezen maaltijd als hun afscheidsmaal beschouwen moeten.

Ten slotte zij gezegd, dat sommigen ook den 2den van de twaalfde maand met een offerande aan den Aardgod vieren en dezen datum, in plaats van den 2den van de tweede maand, met den naam van thấo-gée (2) of neersten geedag” bestempelen. De laatste géedag, of de 16de van de twaalfde maand, heet ook wel toā-gée (3) of "groote geédag”.

[merged small][merged small][ocr errors][ocr errors]

TWAALFDE MAAND, VIER EN TWINTIGSTE DAG.

HEMELVAART DER HUISGODEN.

§ 1. Reis van den Keukengod en de overige huisgoden naar den hemel. Afscheidsmaal, hun aangeboden. Legende over den oorsprong der vereering van den Keukengod in de laatste wintermaand.

§ 2. Papieren paarden, voertuigen enz., voor de huisgoden verbrand. Het schoonmaken en herstellen van het huistabernakel. Ontvangst der tijdelijke plaatsvervangers van de huisgoden op den volgenden dag.

§ 1.

VEREERING VAN DEN KEUKENGOD.

Op bladz. 23 werd reeds aangestipt, dat volgens het Chineesche volksgeloof de huisgoden, en speciaal de Goden van de Stook plaats, op den 24sten van de twaalfde maand ten hemel stijgen om den Hemelgod verslag te doen over het gedrag hunner beschermelingen gedurende het bijna verstreken jaar (1). Geen wonder dus dat men, om hen gunstig te stemmen, vóór hun vertrek hun een overvloedigen maaltijd bereidt als hartsterking voor de reis.

Voor het tabernakel, waarin de huisgoden zijn opgesteld, wordt een reeks van offerspijzen geplaatst van hetzelfde gehalte als die, welke men op den 4den van de eerste maand, toen de goden van hun bovenaardsche reis terugkeerden, hun aanbood als welkomsmaal (zie bladz. 24). Een gedeelte echter zet men voor de stookplaats als extra offerande voor den Keukengod, die daar zijn zetel opgeslagen heeft. Zoodra het stereotype wierookbranden, knielen en buigen voor beide offertafels afgeloopen is, trekken de huisgenooten zich terug , ten einde de goden rustig te laten eten en brengen middelerwijl de artikelen in gereedheid, die dezen zullen dienen tot

(1) Den oorsprong van dit volksgeloof hebben wij reeds op bladz. 361 trachten te verkla. ren. De hedendaagsche Keukengod was immers oudtijds de God van het Vuur, en wel speciaal van de offervuren: - evenals Agoi der Brahmanen bracht hij dus de offeranden naar de Goden en was bij derhalve de natuurlijke bode tusschen de hoogere machten en den mensch.

middelen van vervoer en verdere benoodigdheden op de reis. Wij zullen hierop in de volgende § terugkomen.

In vroegere eeuwen vereerden, naar het schijnt, de Chineezen hun God van den Haard op den 8sten van de twaalfde maand. Althans, in den ouden Kalender van King-Tsjhoe staat geschreven, dat men rop dien dag ook met varkensvleesch en wwijn den God van de Stook plaats een offerande brengt”. Bij wijze van opheldering haalt de commentator hierbij een uitreksel van de volgende legende aan. Onder de Han-dynastie leefde te Nan Jang (2) een zekere Jin Tsze (3). Op den bewusten dag was hij des morgens bezig spijzen te koken, toen de God van de Stookplaats verscheen. Hij maakte rerscheidene buigingen om hem te begroeten, offerde een geien hond, zeggende dat het een geel schaap was, en sedert werd zijn familie zeer rijk. En dit zou, volgens gezegoen commentator, de reden wezen waarom het volk om strijd den Keukengod vereert. Ook in bet achtste hoofdstuk van den „Navorscher der Zeden en Gewoonten”, het werk uit de tweede eeuw, dat op bladz. 119 is genoemd, staat deze legende geboekt.

HEMELVAART DER HUISGODEN.

Zoodra de lares zich aan den maaltijd, in de vorige § bedoeld, naar het vordeel van de huisgenooten lang genoeg hebben te goed gedaan, verbranden deze papieren paarden, draagstoelen en dragers, strooien de asch in de lucht, doen papieren reisgeld opgaan in de vlammen, plaatsen water met gras en boonen aan de deur, in één woord, doen al hetgeen zij op den 4den van de eerste maand verrichtten, toen de goden van hun tocht naar den hemel terugkeerden naar de aarde. Wij verwijzen dus den lezer naar onze verhandeling over dien dag. En op het oogenblik van vertrek ontsteekt men mertjons aan de huisdeur, opdat alle kwaadaardige geesten, die den aftocht zouden willen verhinderen of den godenstoet lastig vallen, verschrikt uiteen zullen stuiven. De 2 tste van de twaalfde maand heet, op grond van dit alles, sàng-sien-dzjíet () of ,dag waarop men de goden uitgeleide doet."

Nu is ook meteen de gelegenheid schoon om het altaar en de af beeldeels der goden te reinigen en op te knappen, daar men niet behoeft te vreezen hunne rust te storen. De bloemen en versierselen, rondom en op de beelden aangebracht, worden weggenomen, verbrand en door nieuwe vervangen; men maakt het tabernakel schoon, verft het, zoo noodig, een weinig op en vernieuwt het papier, dat nabij de

(2) 5. Een stad van dien naam ligt in de provincie Honan. Lengte 110' 14' 35", breedte 33° 06' 15".

(o) Bab F.
(") m

stook plaats de beeltenis van den Keukengod vervangt (zie bladz. 366). Het oude vel werpt men tegelijk met de andere afgedankte voorwerpen in de vlammen. Den volgenden dag echter moet de grootste stilte heerschen in het huis. Want tijdelijke plaatsvervangers van de huisgoden dalen alsdan van den hemel neder, en men mag hen niet storen, noch hinderen, noch toornig maken door leven en gedruisch. Zij zijn immers gasten, en een gast is in China heilig, vooral een die van boven komt en bij zijn terugkeer slechte rapporten uit kan brengen over do familie. Men hakt derhalve geen hout, wascht geen kleederen, bekijft geen kinderen of bedienden, in één woord: men onthoudt zich van alle geraasmakende handelingen. De beleefdheid eischt ook nog, dat men de hemelgeesten in haalt met een maal van suikergoed en andere lekkernijen en een flinke hoeveelheid goud papier en wierook voor hen brandt. Men noemt zulks: „het inhalen van de hemelyeesten bij hunne nederdaling” tsieh thijen-sien -kàng (5). Men drijft echter de gastvrijheid niet zoo ver van hen met een speciale offerande uitgeleide te doen, wanneer de eigenlijke huisgoden na een tiental dagen terugkomen en de functiën van hunne tijdelijke plaatsvervangers wederom overnemen.

[ocr errors][ocr errors][merged small][merged small]
« PreviousContinue »