Page images
PDF
EPUB

sen wie de milde gevers zijn. De hoegrootheid der ingeschreven bedragen wordt achter elken naam ingevuld en de lijst besloten met een gebed tot het heil van de vrome gevers, alsmede met de vermelding van den datum waarop de plechtigheden zullen geschieden. Dit plakkaat heet tsiò-púng (69) of „mislijst.” Het wordt na afloop van de plechtigheid verbraud, en op deze wijze aan den Hemelgod ter hand gesteld ter inzage. En om te voorkomen dat vreemde geesten in den tempel sluipen en zich een gedeelte der offerwaren, die hun niet toekomen, steelsgewijze toeëigenen, worden twee papieren poppen vervaardigd, soms ter grootte van een volwassen man, en van een woest en vreesaanjagend uiterlijk. Men plaatst die als tempelwachters links en rechts van de deur. De een is gezeten op een tijger en de andere op een monster dat den kop en het lichaam heeft van den eenhoorn (bladz. 13, noot 28), den stàart van den draak en de pooten respectievelijk van een olifant, tijger, luipaard en een leeuw. Men veronderstelt dat dit monster de woeste kracht van al die dieren in zich vereenigt, en dus uiterst geschikt is om voor duivelverschrikker te dienen ; men noemt het "soèpoet-siong (50) of (het monster wiens) vier (pooten) ongelijk (zajn)”. Na afloop van de mis wordt eveneens onder bijvoeging van papiergeld een vuurtje van die tempelwachters gemaakt. En eindelijk nog versiert men de deurstijlen met het reeds vermelde kow-tai-tsi" (+1).

De mis begint meestal zeer vroeg in den morgen. Met den staart om het hoofd gerold en voor het oog verborgen onder een zwarte baret, begeven de priesters zich door de straat op weg naar den tempel. Zij dragen elk een tot op den grond afhangend opperkleed van roode zijde met gouddraad geborduurd en oppervlakkig veel gelijkend op het miskleed, hetwelk de priesters van de katholieke Kerk bij sommige gelegenheden dragen. De oudste priester zal de hoofdrol bij de plechtigheden vervullen. Op den rug, tusschen de schouders, draagt hij de graphische voorstelling van het cosmogonisch Eerste Beginsel, omringd door de acht diagrammen of symbolen, die de grondslagen voor het stelsel van cosmogonie en wijsbegeerte der oude Chineezen zijn (72). Het ceremoniekleed vertoont dus, meestal fraai geborduurd, ongeveer de nevensgaande

figuur.

(o te thote (") PY .

(") Zie de noot op bladz. 16, VIII. (+2) Voor hen die niet met het systeem der Chineesche cosmogonie bekend zijn zij hier ter loops aangestipt, dat als cerste beginsel der Natuur wordt aangenomen de Thai-Kih * rhet Groote Opperste” hetwelk geboorte gaf aan Jang en Jint , of het mannelijk en het vrouwelijk principe, de „beide regelaars” at

Wie der Natuur. De Hemel, de vader van het Heclal, vertegenwoordigt dat mannelijke, en de Aarde, die door hem met warmte en regen wordt bevrucht en dus het aanzijn geeft aan de levende Natuur, het vrouwelijke beginsel, evenals bij de Grieken en Romeinen. De zon is vereenzelvigd det sang, en de maan met Jin, en warmte en koude, licht en duisternis, in het kort, alle werkingen

Natuur, worden zoo veel mogelijk tot deze twee principes teruggebracht. Zij vertegenwoordigen

Pend

[graphic]

Niet zelden echter is de voorstelling van het Eerste Beginsel, hetwelk ThaiKih heet, vervangen door de letterteekens * te waarmee dit woord geschreven wordt. En de twee trawanten van den hoofdman verraden evenals deze hun beroep van Natuurpriester, want zij dragen de letterteekens en zon en maan, op den

dan ook den Ormuzd en Ahriman der Perzen, den Osiris en Typhon der Egyptenaren, den Boaz en Jachin der vrijmetselaars, Coyan en Potoyan van de Papoeaas, den Christus en den Satan der Christelijke mythologie, enz. En de eenwige strijd tusschen die twee beginselen wordt door de Chineezen voorgesteld door het symbool hetwelk het centrum van bovenstaande figuur beslaat, terwijl de buitenste cirkel van dat zinnebeeldige teeken den Thai-Kih verbeelden moet.

De fabelachtige keizer Foeh Hi H (2800 vóór Chr.) opent de lijst der Chineesche dynastiën en was, naar men zegt, de eerste, die Jang en Jin voorstelde door zichtbare teekenen. Hij gebruikte daartoe twee lijnen, een geheele en een gebrokene, en combineerde die te zamen tot vorming van de vier gedaanten” py , die volgens de leer der Chineesche cosmologen uit de werking van Jang en Jin geboren werden. Zij werden aldus geschreven :

Door het aantal strepen nog met eene te vermeerderen vervaardigde Foeh Hi de in bovenstaande figuur voorgestelde combinatie van de acht symbolen of de . Van boven af te berug als onloochenbare sporen van den ouden, maar nog in volle glorie bestaanden dienst der Natuur, waarop het Taoistische godsdienstsysteem is opgetrokken.

Het is opmerkelijk, dat de oude Joodsche priesters eveneeens zich bij het verrichten der godsdienstige ceremoniën kleedden in de symbolen der Natuur: in navolging van de opperste Godheid zelve, die ook getooid is in het schoone kleed des Heelals. „La tunique du souverain sacrificateur,” zegt Dupuis (73), «signifie aussi la rterre; l'hyacinthe, qui tire sur la couleur d'azur, représente le Ciel. L'éphod (74), rtissu de quatre couleurs, représente de même toute la Nature, et j'estime que l’or y na été ajouté pour représenter la Lumière. Le Rational, qui est au milieu, représente Haussi la terre, qui est au centre du monde. Les deux sardoines, qui servent d'agraffes, v marquent le Soleil et la Lune, et les douze autres pierres précieuses, les mois, ou "les douze Signes, figurés par le cercle, que les Grecs appellent Zodiaque" (75). Dezelfde uitlegging van de versierselen van het priesterkleed wordt gegeven door Clemens, bisschop van Alexandrië (76), en ook door Philon, in zijn werk over Mozes (TM). De oude Joodsche priesters kleedden zich dus, evenals de Taoistische van den huidigen dag,

ginnen en rechts omgaande stellen deze respectievelijk voor hemel, wind, water, bergen, aarde, donder pour en laagland, allen geboren uit de „vier gedaanten" die wellicht niets anders zijn dan de jaargetijden, de wezenlijke vier gedaanten der Natuur, voortgebracht door de werking van warmte en koude, licht en duisternis.

De uitvinding van het stelsel der Chineesche cosmogonie, waarvan hierboven een kort begrip is, gegeren, wordt toegeschreven aan meergenoemden Foch Hi. En later werd de basis van berekening door zijn opvolger Sjun Noeng Tilbehden patroon van den landbouw, nog verbreed doordien hij het oorspronkelijk getal van acht symbolen tot vier-en-zestig uitbreidde. Een feudaalvorst Wun Wang

☆ I van den laatsten Keizer uit de dynastie der Jin B, Tsjow Sin *t (12de eeuw vóór Chr.), wijdde zich, toen hij in staatsgevangenschap verkeerde, aan de studie der symbolen, en zijne aanteekeningen, gevoegd bij die van zijn zoon Woe Wang ut , den eersten Keizer uit het huis der Tsjow , benevens bij den commentaar van Confucius, vormen het „Boek der Metamorphosen” de Jih-king 3. het eerste van de vijf zoogenaamde heilige boeken der Chineezen. Dit werk vormt niet alleen den grondslag voor de orthodoxe wijsbegeerte van vroeger en later tijd, maar wordt zelfs beschouwd als de basis van alle metaphysische wetenschappen en geheimenissen der Natuur; doch de sleutel van het mystieke boek is nog steeds door de Chineezen niet gevonden, al is het aantal commentaren, door hen geschreven, legio.

Hij die iets meer omtrent de cosmogonische begrippen der Chineezen wil te weten komen, en kennis wil maken met de poging van Dr. G. Schlegel om de grondtrekken van de Jih-king uit de astronomic te verklaren, leze de dissertatie van dezen geleerde over het sterrenbeeld «de Mensch” N , opgenomen in zijn werk over den oorsprong van de sterrebeelden : „Uranographie Chinoise", bladz. 242 en volg. Het is ons genoeg er op gewezen te hebben, dat de Taoistische priesters bij het verrichten hunner ceremoniën duidelijk de zinnebeeldige voorstelling van het Heelal en zijne wording op de kleederen dragen, en dus als het ware zelven te kennen geven dat zij Natuurpriesters zijn en niet veel anders.

(1) Origine des Cultes”, Livre I, chap. III, pag. 58. (*“) Opperkleed.
(") Josephus, „de Antiq. Jud.”, Boek III, hoofdst. 8.
(°) Clem. Alex. Str., Boek V, p. 563. ("?) „De Vita Moysis", Boek III.

bij het optreden in den tempel als een wereld in het klein, en maakten zich daardoor tot levende zinnebeelden van die groote Natuur, waarvan zij zelve de dienaren waren. De Magiers der oude Perzen tooiden zich bij hunne godsdienstige plechtigheden met de teekens van den dierenriem, en in de Katholieke kerk dragen de priesters bij sommige gelegenheden het Lam Gods op het kruis, omgeven door een stralende zon, op het opperkleed, en wel als symbool van de voorjaarszon die in het begin onzer jaartelling op Paschen, wanneer na dag- en nachtevening de nachten korter beginnen te worden dan de dagen, haar overwinning vierde op den geest der duisternis, en wel in het sterrenbeeld Ariës, het Lam, waar het kruispunt was van meridiaan en zonsweg.

Op hun weg tempelwaarts houden de priesters, onder het uitdeelen van papieren amuletten, aan het huis van ek der inschrijvers een oogenblikje stil, ten einde de geschreven gebeden in ontvangst te nemen, waarmede het gezin zijne wenschen en behoeften aan den Hemelgod wil kenbaar maken. De namen en voornamen van de leden der familie, de datums van geboorte en de plaats waar het huis is gelegen : dit alles moet er met de grootste nauwkeurigheid in staan uitgedrukt, ten einde den Hemelgod het zegenen en het uitdeelen van genade gemakkelijk te maken. Dikwijls zijn de priesters vergezeld door een man, die een mand draagt waarin de papieren kunnen geworpen worden. De bestemming van deze vreemdsoortige gebeden is om in den tempel, nadat zij den Hemelgod zijn voorgelezen, te worden verbrand. Zij heeten sòw (78) of siú-sów (*'); of ook wel in meer deftigen stijl sòw-boén (80). In den tempel aangekomen pleatst de priester ze in het midden van de andere artikelen, die reeds in grooten getale door de goede zorg van den beheerder op de offertafel zijn klaargezet.

De mis vangt aan met het inviteeren van den god :tsjhicne-sien , een plechtigheid die wij bij noot 46 van deze verhandeling reeds hebben vermeld. Zij bestaat verder grootendeels uit bidden, prevelen en zingen onder accompagnement van instrumenten en trommen. De maat der muziek wordt niet door de muzikanten aangegeven, maar door een der priesters, en wel met behulp van den zoogenaamden khók (8'), een hol, houten instrument van een bolvormig voorkomen, dat met een houten klopper wordt geslagen. Men gebruikt ook wel een bundel houten plankjes, die aan de eene zijde tezamen zijn geregen, en tegen elkander worden geklopt. Bij afwisseling knielen de priesters neder en staan overeind onder hartverscheurend bidden en zingen, of wel, zij loopen op de maat der muziek door den tempel en rond de offertafel heen en weder in allerlei zigzag bewegingen, bochten en kronkelingen. Nu en dan gaan zij daarbij over in snellen pas, en terwijl de muziek al vlugger en vlugger speelt en de maat al sneller en sneller wordt geslagen, verschilt ten laatste hun gang niet meer van een volslagen draf. Bij tusschenpoozen worden de oflerkleeren uitgetrokken en houdt men eenige oogenblikken rust.

In den loop van de mis haalt de hoofdpriester met de noodige bezweringen en gebeden een groot papier voor den dag, waarop de namen zijn geschreven van den (?

(*) ti ☆ (*) HIF.

tempelbeheerder, de hoofdlieden, de vromen die offerwaren hebben ingebracht en de voornaamste inschrijvers, somtijds ook met een algemeene vermelding van alle bewoners van de buurt er bij. Nadat dit voor den Heinel en de in den tempel aanwezige goden is afgelezen en de zegen van omhoog over de milde gevers is afgesmeekt, worden ook de papieren gebeden, die door de bewoners van de buurt zijn ingebracht en langs de huizen zijn opgehaald, door de priesters afgepreveld, doch zoo er vele ingediend zijn vergeet men er in de haast wel eens eenige. Deze plechtigheid heet thákSòl (82) of lijem-sów (83), „het lezen of mijmeren van de geschreven gebeden”. Is zij afgeloopen, dan rijzen de tempelbestuurders, die altijd ten getale van een of meer bij de mis tegenwoordig zijn, uit hunne demoedige, knielende houding op en vangt de eigenlijke offerande aan, die tusschen elf en een ure wanneer de zon het hoogste staat en de Hemel, dien men bezig is te vereeren, dus het glansrijkste is, gehouden wordt.

Dit hoofdpunt in de plechtigheid heet hijèn-king (34), „het aanbieden der offerande”. Onder het spelen der muziek neemt de hoofdpriester een der schotels op, steekt die omhoog als om ze den Hemelgod aan te bieden, en overhandigt ze vervolgens aan den tempelbeheerder, die dezelfde manoeuvre herhaalt en de schotel wederom op de offertafel plaatst. Natuurlijk worden hierbij de noodige formulieren gepreveld of gezongen en vele vreemdsoortige gebaren gemaakt, die den ongeloovigen toeschouwer dikwerf een glimlach op de lippen jagen. Nadat al de schotels op deze wijze achtereenvolgens zijn opgedragen, vangt in den namiddag het prevelen, bidden en zingen wederom aan, en wordt met korte tusschen poozen van rust voortgezet tot in den avond. De geheele mis is gewoonlijk ingedeeld in zeven perioden, drie vóór en drie

op het planetenstelsel der Ouden (85), zulk een groote rol heeft gespeeld in alle mythologiën en godsdiensten van het Oosten en het Westen. De plechtigheden houden niet zelden aan tot zonsondergang toe. Tegen het einde wordt een groote hoeveelheid offerpapier gebrand en een vuurtje gemaakt van de tempelwachters, de inteekenlijsten en de papieren gebeden, niet zelden nog onder toevoeging van een papieren pop, die verondersteld wordt de gebeden naar de andere wereld en onder de oogen van den Hemel-god te brengen.

In het voorhof of de nabijheid van sommige tempels wordt 's avonds nog co

Ra t e () A F (**) Tre () De Ouden kunnen niet in gebreke zijn gebleven op te merken, dat de vijf planeten met de zon en de maan, door den langeren of korteren duur hunner bewegingen door den hemel, zich op grooteren of kleineren afstand van de aarde voortbewegen. Saturnus, die meer dan dertig jaren voor een kringloop noodig heeft, staat het verst: de maan het dichtst. Mercurius en Venus gebruiken minder dan een jaar, Mars en Jupiter meer, — en bijgevolg staat de zon als Koning, als ziel van het Heelal in het midden van de sferen der planeten. De zeven hemelen der Ouden; de zeven scheppingsdagen; de zevenarmige godslamp der Joden, met de zon, den Zoon des Menschen, in het midden (Apocalypsus I, 12 en 13); het boek (der Natuur) met zeven sloten (ib. V, 1); de zeven koren der Engelen van de Christenen: -- in het kort, dat geheele egio van godsdienstige combinaties hebben het heilige getal der planeten, en niets anders dan dat, ten grondslag.

« PreviousContinue »