Page images
PDF
EPUB

van Thoe Ju en Joch Loei een plaats in de mythologie van het oude China vond omdat hij de plaatsvervanger is van de spookverdrijvende zon, leveren de door ons aan den Kalender van King-Tsjhoe en bet werk van Keizer Juen Ti ontleende lezingen der legende van het broederpaar, die er een haan in plaatsen, kraaiende als het zoulicht daagt. Want de haan is mede niet aileen een zinnebeeld van de zon, wier opkomst bij met luider stem begroet, maar zoodra ziju schril gekraai de stilte van den nacht verbreekt dan vlieden ook alle demonen , en trekken de geesten der duisternis zich haastig voor het naderend zonlicht terug.

Dat de haan als spookverdrijver ook in Europa een artikel vormde in het credo van het volk, en zijn rol als zoodanig in Shakespeare's Hamlet in de duidelijkste bewoordingen staat geboekt, werd reeds op bladz. 181 aangestipt. Doch de groote tooneeldichter was lang de eerste niet, die dit staaltje van volksgeloof neerlegde in geschrifte:-- ook de Christelijke dichter Prudentius, die meer dan duizend jaren vóór hem leefde, maakte reeds van den haan als spookverdrijver gewag (78). Spenser's woorden-

„The morning-cock crew loud,
» And at the sound it shrunk in haste away,

"And vanished from our sight" — schetsen echter niet uitsluitend het Westersche volksgeloof; want ook in China vervult de haan de rol van spookverdrijver, en daarom werd hij tegen Nieuwjaarsdag bevestigd aan de ingangen der huizen. Zoover wij hebben kunnen nagaan, is dit gebruik thans te Emoy zoogoed als in vergetelheid geraakt, maar in de zesde eeuw was het, blijkens den Kalender van King-T-jhoe, in China nog in vollen bloei. Men leest namelijk in dit werk, »dat men (op Nieuwjaarsdag) geschilderde hanen boven nde deuren plaatste omdat de spoken daar bevreesd voor zijn”, of, zooals de commentator zegt: "men doodde hanen en bevestigde ze aan de deuren — een gebruik vom besmettelijke ziekten van het huis te weren.”

De reden waarom nu juist op Nieuwjaarsdag deze bezwering methode in praktijk werd gebracht, beboeft men waarlijk niet ver te zoeken. De haan is immers het zinnebeeld bij uitstek van den dageraad, en de lente is de morgen van het jaar en Nieuwjaarsdag de dageraad van dien morgen : zoogoed dus als aan het eerste gloren van den dag is hij aan den eersten dag des jaars gewijd. De nieuwjaarsrol van den haan in het huishoudelijk leven van het volk is overigens op bladz. 180 en 181 van dit werk besproken, en ook is ter zelfder plaatse reeds gewag gemaakt van een merkwaardig gebruik, dat alweder door tusschenkomst van den Kalender van King-Tsjhoe ter kennisse van het nageslacht gekomen is, namelijk om een kippenei te verzwelgen op Nieuwjaarsdag. Vogens den commentator van dit werk werd dit gedaan wom pestdampen af te weren”, m. a. w. om onzichtbare, wezens die (zie bladz. 255) onheil, ziekte en sterfte onder de menschheid brengen, zich uit het lichaam te houden; en

(?) Brand, «Observations on popular Antiquities”, bladz. 322.

inderdaad: evenals men, volgens denzelfden Kalender , in het oude landschap KingTsjhoe op Nieuwjaarsdag ook perziksoep, d. i. het aftreksel van den spookverdrijven- . den zonneboom, gebruikte, evenzoo verzwolg men, om een volmaakt analoge reden ongetwijfeld, op dien dag het barend beginsel, de quintessence van den spookverdrijvenden zonnevogel, met het doel nog buitendien zich met de zegenende en levengevende invloeden van het lentejaargetij te vereenzelvigen, van hetwelk de haan het zinnebeeld is.

III. Touwen als spookverdrijvers. De touwen van watergras, waarmede, volgens de legende, Thoe Ju en Joeh Loei de spoken bonden alvorens hen den tijgers voor te werpen als voedsel, gaven ook eenmaal geboorte aan een bezweringsmiddel ter verdrijving van kwade geesten en demonen. Men leest namelijk in den „Navorscher der Zeden en Gewoonten” (79), „dat ter herinnering aan en in navolging van

die gebeurtenis van vroeger dagen de districtsmagistraten steeds tegen en op den „laatsten van het jaar aan de deuren beeldjes van perzikhout plaatsten, aldaar tou»wen van watergras ophingen en tijgers schilderden, met het doel om onheilen af te weren”. En ook de Kalender van King-Tsjhoe zegt: „men plakt een geschilderden w haan boven de deur, hangt er touwen van watergras boven en plaatst bezweringssmiddelen van perzikhout aan de zijkanten ; want de spoken schuwen dat”.

Tegenwoordig echter nemen die touwen, voor zoover Emoy betreft, geen plaats meer in het kader van bezweringsmiddelen in ; althans, het is ons niet mogen gelukken ze aldaar ooit aan de deuren te zien. Maar geheel het tegendeel is waar ten aanzien van den tijger, den scherprechter der spoken, welke op den Berg der Perzikstad door het broederpaar ten doode werden gedoemd.

IV. De tijger als spookverdrijver. Blijkens hetgeen de „Navorscher der Zeden en Gewoonten” in de aanhaling van zooeven zegt, deden reeds oudtijds af beeldsels van tijgers aan de deuren dienst als spookverdrijvers : — ook heden ten dage nog ziet men ze allerwege in Chineesche steden aan vele tempels en aan de woningen der Mandarijnen prijken.

. Zij zijn aldaar òf in den vorm van twee steenen beelden links en rechts voor den hoofdingang geplaatst, òf, voor zoover magistraatsgebouwen betreft, op een witten muur tegenover den hoofdingang of op de deuren zelf in bonte kleuren afgeschilderd. Men heeft wel eens het vermoeden geopperd, dat zij zouden dienen om den Mandarijn, telkens bij het in- en uitgaan van zijn Jamun, het oog op die vraatzuchtige monsters te doen slaan en dus onwillekeurig met afschuw voor knevelarij en wreedheid te vervullen (80); — doch welke overheidspersoon zal zoo dwaas wezen zijn eigen paleis voorbedachtelijk met het zinnebeeld van vraatzucht te beschilderen en aldus tot mikpunt voor den bijtenden spot van het volk te maken? Veel aannemelijker is het zeker, dat de tijgers daar zijn afgebeeld ter afwering van kwaadwillige

(19) Hoofdst. VIII.
(*) „Notes and Queries on China and Japan”; II, bladz. 55.

geesten ; te meer zoo, daar steenen tijgerbeelden ook alom in het front van groote graftombes zijn te zien. Want hier toch valt voorzeker geen Mandarijn van wreedheid en roofzucht terug te houden, maar wel menige kwade geest te verdrijven , daar, volgens het ingeworteld Chineesch volksgeloof, spoken en demonen er vooral op uit zijn de dooden in hun rust te storen (81).

Tijgerbeelden van papier plaatst men als tijdelijke spookverdrijvers aan den ingang van tempels, waar Taoistische missen gelezen en offeranden opgedragen worden (bladz. 45 en 107). Men schildert tijgers op stukjes hout, graveert ze in metaal of vervaardigt ze op het Groote Zomerfeest uit artemisia (bladz. 268), ten einde ze als amuletten te dragen aan het lichaam; ja, bij het houden van processies prijkt veelal een tijgerbeeld vooraan in den stoet , om kwaad brouwende geesten van den weg te jagen, (zie bijv. bladz. 233). Op den dag van het Lantarenfeest drijft de Taoistische priester, voordat het vuurtrappen een aanvang neemt, de gevaarlijke invloeden van spoken en demonen uit de vlammen door er met een tijgerbeeld in de armen doorheen te gaan (bladz. 107) — in één woord : op alle plaatsen en bij bijna elke gelegenheid, waar men vrees voor de machten der duisternis koestert, treedt de tijger in het Rijk van het Midden als bezweringsmiddel op. Talloos zijn buitendien de toepassingen van zijn vleesch, haar, tanden en klauwen in de Chineesche geneeskunst, en blijkbaar houdt men hierbij steeds dit ééne, onveranderlijke doelwit in het oog: verdrijving van kwade invloeden en ziekten uit het lichaam, die er door onzichtbare wezens in worden neergelegd.

Ten slotte nog een enkel woord over de vermoedelijke reden, waarom de tijger voor de oude Chineezen zoo de spookverslinder bij uitnemendheid was. Ongetwijfeld ontleende hij deze waardigheid aan zijn grenzeloozen bloeddorst, vraatzucht en moordlust. De tijger is het meest gevreesde roofdier, dat men in China kent (82). In vroegere tijden, toen het Rijk nog niet zoo dicht bevolkt was en zij er dus ook stellig en zeker veel talrijker waren dan nu, speelden de tijgers natuurlijk een eerste rol in de verbeelding der bewoners; en gemakkelijk moet zich toenmaals de overtuiging hebben gevestigd dat die monsters, die des nachts op roof uitgaan, maar zich schuilhouden gedurende den dag, dezen leefregel volgden eenig en alleen om ook jacht te kunnen maken op de geesten van de duisternis. Het feit dat alle geheim

(1) Merkwaardig mag het zeker heeten, dat steenen tijger beelden ook veel voor de woningen van inlandsche hoofden op de eilanden van onzen Indischen Archipel prijken — inzonderheid op Java, alwaar echter, naar het schijnt, lang niet meer zooveel werk van deze soort van versiering wordt gemaakt als vroeger. Zouden zij misschien, evenals de Chineesche tijgerbeelden, oorspronkelijk bestemd zijn geweest om spoken te verdrijven?

(82) De tijger van de zuidelijke provinciën bereikt verbazende afmetingen. In 1877 weril er te Emoy een te koop aangeboden, die zonder den staart de respectabele lengte van vijf voet bezat en dus steliig niet voor het schoonste exemplaar koningstijger van Java behoefde onder te doen. In de. noordelijke provinciën leeft een witte tijger, waarin sommigen den naneef van den voorhistorischen Felis-speloea van Europa willen zien.

zinnige nachtelijke geluiden, die de nog weinig ontwikkelde mensch steeds geneigd is aan bovennatuurlijke wezens toe te schrijven, onmiddellijk verstommen wanneer het gebrul van den Koning van het Woud door het bosch weerklinkt, versterkte die overtuiging waarschijnlijk nog. Buitendien ging de tijger oudtijds voor een zonnedier door. „De tijger is een wezen van het principe van het licht (Jang) en het eerste monder de dieren”, zoo leest men in den „Navorscher der Zeden en Gewoonten (83)”; vandaar wellicht dat men hem dezelfde spookverdrijvende rol deed spelen als den haan: den zonnevogel, en den perzik: den zonneboom. Waarom nu echter de tijger aan het zonlicht was gewijd, dit hebben wij — wij bekennen het volmondig – nog in geen enkel Chineesch werk op bevredigende wijze verklaard gezien.

[ocr errors][merged small]

HET ZETTEN VAN HET OUDE JAAR IN HET NIEUWE.

Evenals wij Nederlanders, naar oud vaderlandsch gebruik , in gezellig gezelschap en onder het genot van spijzen en wijn het oude jaar in het nieuwe plegen te zetten, eveneens bekommeren de Chineezen bij de verwisseling des jaars zich weinig om hun bed, maar brengen den nacht liever in vroolijkheid met eten en drinken door. Alsdan huldigen zij ook eenige eigenaardige gebruiken, die wel de aandacht waardig zijn. Te Emoy plaatsen de burgers een pan met brandende houtskolen of een met brandend hout gevuld gewoon klein steenen fornuis, en wel liefst een nieuw, ergens op den vloer of onder tafel. Zij leggen er een twaalftal zilveren of koperen geldstukken rondom heen, ontsteken tal van kaarsen en olielampjes op het altaar van de huisgoden en zetten zich vervolgens aan tafel om zich aan een gemeenschappelijk familiemaal te goed te doen. Men noemt zulks oeí-lów (84): „het omringen van de stookplaats”.

Zoodra de maaltijd afgeloopen is en met het afsteken van een groote hoeveelheid ,crackers” aan de deur besloten , maakt men een vuurtje van offerpapier, vervangt de olielampjes van het huisaltaar door nieuwe en werpt de bamboe voetstukken van de oude lampjes in de vlammen (85). Met behulp van een tang rakelt men vervolgens uit de smeulende papierasch twaalf stukjes brandend bamboe op, legt die in een cirkel op den vloer, doet ze in de volgorde, waarin zij uit het vuur genomen zijn, elk een maand van het volgend jaar vertegenwoordigen, en ziet nauwlettend toe welke stukjes terstond uitdooven en welke voort blijven glimmen. De eerst bedoelde nu voorspellen regen en donker weder gedurende de betrokken maand, doch de voortsmeulende heldere lucht en zonneschijn, terwijl de gedeeltelijk beglommen en gedeel

(8) Hoofdst. VIII.
(**) .

(85) De gewone Chineesche olielampjes bestaan namelijk uit een eenvoudig voetstuk van bamboe met een open ijzeren oliebakje, waarin een pit van het merg van waterriet drijft.

telijk uitgedoofde stukjes elk op een maand van afwisselende vochtigheid en droogte wijzen. Deze eigenaardige methode van weervoorspelling noemt men sio ting-kão (86) v den aap (d. w. z. het voetstuk) van de lamp verbranden”.

Naar inlichtingen omtrent den oorsprong en de beteekenis van deze oudejaarsvuurtjes zochten wij tot nog toe in Chineesche werken te vergeefs. Het eenige wat deze ons leeren is, dat zij reeds in lang vervlogen eeuwen in het Rijk van het Midden ontstoken werden, en zelfs op zeer groote schaal. Men leest bijv. in de „Geschriften en Oorkonden der periode Tsjing-Kwan” (87) (A. D. 627- 50):

Ten tijde van Keizer Jang (88) plaatste men op Oudejaarsavond voor het pavleis aan alle zalen tientallen van vuurbergen, alle van het hout en de wortels van nde wierookplant (89). Iedere berg verteerde verscheidene wagenvrachten reukwerk. „En wanneer het vuur ophield te vlammen, dan begoot men het met slakken (90), wzoodat de vlammen verscheidene vademen hoog in de lucht gingen en de geur tien„tallen van mijlen zich verspreidde. In één nacht werd meer dan tweehonderd wangenvrachten wierookhout verbruikt en meer dan tweehonderd steen (91) slakken”.

Onwaarschijnlijk is het niet, dat die Chineesche oudejaarsvuren de zinciebeelden van de zonnewarmte des aanstaanden voorjaars zijn. Want de lente, het gedenkwaardig tijdstip van de wedergeboorte van de zon, staat immers voor de deur en Nieuwjaarsdag, de eerste dageraad dier lente, breekt reeds aan : -- het ligt dus voor de hand, dat men die heugelijke gebeurtenis herdenkt door het ontsteken van het element zel, waaruit zich de zon aan de menschheid kennen doet. De twaalf stukjes smeulend hout, genomen uit het vuur met het doel er het weder van de twaalf maanden van het volgend jaar uit te voorspellen, bewijzen dit; want ontegenzeggelijk vertegenwoordigen zij de betrekkelijke hoeveelheid zonnestralen, die elk dier maanden zal ontvangen. En zouden bovendien de twaalf geldstukken, rondom den vuurpot neergelegd, niet op de stoffelijke zegeningen wijzen, die men hoopt dat de Zonnegod, door het oudejaarsvuur zinnebeeldig voorgesteld, over alle twaalf maanden van het volgend jaar uit zal stralen ten bate der familie? Ten slotte nog een enkel woord over het oudejaarsavondmaal, waarvan in het voorbijgaan reeds gesproken is.

(89) K alentong

ap. Vermeerderde en verbeterde Schatkamer van allerhande Zaken”; hoofdst. VII, p.

en der meest door de geschiedenis gebrandmerkte souvereinen van het Chineesche Rijk. Hij regeerde van 605 — 18.

("") te ; garu-wood, agila or lign-aloes (Aquilaria agallochum), prized - for its fragrance”:- Williams, »Syllabic Dictionary”, bladz. 20. (oo)

; "a medical name for the operculum of snails”:- Williams, op. cit., bladz. 355.

Yol) Een steen is een Chineesch gewicht, variëerende tusschen 100 en 180 katti's ongeveer

« PreviousContinue »