Page images
PDF
EPUB

vallen,

Emoy de toovenaars door den geest die in hen is, naar de plek gedreven worden, waar medicijnen voor een zieke te bekomen zijn, en zich bij het uitoefenen van die vreemdoortige geneesmethode liefst doen vergezellen door de godheid zelf, wier ziel in hen is gevaren. Tevens werd (bladz. 234) beschreven, hoe die godheid zich ook wel van hun arm bedient om de namen der geneesmiddelen neer te schrijven : vindt men dus in die toovenaars niet de Medicijn-mannen 'der Indianen terug, die ook niets anders dan duivelbanners waren?

Daar die klasse van toovenaars dus onder de onontwikkelde volkstammen te huis behoort en zich desniettemin in de Chineesche maatschappij heeft weten te handhaven tot op heden, zou men er al licht toe komen laag op de natie en hare beschaving neer te zien.

te zien. Doch men zij niet al te voorbarig in zijn vordeel. Vooreerst houde men rekening met de spreekwoordelijke taaiheid van de zeden en gebruiken in het Rijk, en verder met hetgeen reeds op bladz. 235 ter verontschuldiging van de Chineezen werd aangevoerd, namelijk dat in hoofdzaak slechts de lagere volksklasse de diensten der toovenaars inroept, en dan nog slechts in wanhopige ziektegewanneer dus de angstige verwanten

niet meer

voor al hunne daden mogen aansprakelijk gesteld worden. Bovendien lette men op den balk in ons eigen oog! Want blijkt niet uit het formulier, op bladz. 270 weergegeven, dat duivelbannerij ook een rol speelde in de Christelijke Kerk, zelfs tot in de zestiende eeuw ? » Exorcism”, zegt Spencer (2), „still exists in the Roman Catholic Church, which has v specially-ordained exorcists (3); and it was daily practised in the Church of England down to 1550, when infants were exorcized before baptism, in the words — I » command thee, unclean spirit, in the name of the Father, of the Son, and of the Holy Ghost, that thou come out and depart from these infants". Occasional exorncism continued till 1665, if not later: a clergyman named Ruddle, licensed to vexorcize by the Bishop of Exeter, having then, according to his own account, "succeeded in laying the ghost of a woman, by the use of the means appointed for n dealing with demons - magic circle, pentacle, etc. Nor is this all. It has been an necclesiastical usage, lasting down to Protestant times, to exorcize the water used in „divine service: a practice inplying the primitive notion that invisible demons swarm reverywhere around."

Buitendien moet het op de creditzijde van het gezond verstand der Chineesche natie worden geplaatst, dat zij zich nooit tot onze domme en menschonteerende heksenprocessen heeft verlaagd. Want nimmer ontwikkelde zich in haar boezem het oude, natuurlijke geloof in duplicaten, geesten, zielen, spoken, demonen of wat dies meer zij, onder de hand van een heerschzuchtige priesterkaste tot een dogma van den zoo machtigen duivel, die, in staat geacht binnen het menschelijk lichaam te varen en met behulp hiervan groote onheilen te berokkenen , zooveel onschuldig heksenbloed heeft

() Principles of Sociology"; hoofdst. XVIII, $ 132,

() De zeven klassen van kerkbedienaars zijn namelijk: de Deurwaarders, de Lezers, de Bezweerders, de Misbedienaars, de Sub-diakenen, de Diakenen en de Priesters.

van

doen vloeien en zooveel ellende heeft gesticht. Welke zijn nu verder de middelen, die de Chineesche toovenaars bezigen om kwade geesten uit te drijven?

Zij trachten die te verschrikken door zich zoo woest toe te takelen als maar mogelijk is. Hunne lange haren laten zij vrij fladderen over de schouders en den rug; half naakt en met zwartgemaakt aangezicht loopen zij onder het maken van woeste gebaren heen en weder; slangen laten zij zich kronkelen om den hals en zelfs overdekken zij hun gansche lichaam met wonden, zoodat het bloed tot op den bodem druipt. Dit alles is reeds op bladz. 226 en volg. beschreven. Zóó verjagen zij den demon krankheid uit de zieken (bladz. 232); zóó verdrijven zij de kwade. geesten bij het vieren van het vuurfeest uit de vlammen en van het tempelplein (bl 221); zóó helpen zij in de processies , welke veelal ten doel hebben straten en wijken van de heillooze invloeden der spoken te zuiveren, deze onzichtbare wezens naar heinde en ver verstrooien (bl. 228).

Ziehier dus een redelijke verklaring voor het vreemde gedrag en de zelfkwelling der Chineesche duivelbanners. Haar juistheid wordt gestaafd door hetgeen bij andere min beschaafde volkeren geschiedt. „Generally", zegt Spencer (*), "the exorcist tries to alarm » the mischievous tenant by shouts, and gesticulations, and fearful faces. Among the Ca»lifornian tribes, the doctor squats down opposite the patient and barks at him after the » manner of an enraged cur, for hours together”; and a Koniaga-doctor has a female assistant who does the groaning and growling.... As a type of such processes may y be taken that ascribed by Herrera to the Indians of Cumana : wif the disease increased, - they said the patient was possessed with spirits, stroked all the body over, used » words of enchantment, licked some joints, and sucked, saying they drew out spirits ; »took a twig of a certain tree, the virtue whereof none but the physician knew, » tickled their own throats with it, till they vomited and bled, sighed , roared , quakred, stamped, made a thousand faces, sweated for two hours, and at last brought up va sort of thick phlegm, with a little, hard, black ball in the middle of it, which those that belonged to the sick person carried into the field , saying

„Go thy way, , Devil”.”

Niet onmogelijk echter is het, dat zelfverwonding door de Chineesche toovenaars wordt te baat genomen om hun bezieling in de hand te werken. Reeds werd op bladz. 241-2 aangestipt, dat vasten zoowel in China als onder min-beschaafde volkeren voor de spookbezweerders een onmisbaar vereischte is om tot godsbezieling te geraken, daar het, zonder dat de patient het zelf begrijpt, tot overspannen verbeeldingskracht, ridées fixes” en zinsbevanging leidt (5). Zou nu echter zelfpijniging,

(4) Op. et loc. cit.

(5) Ook Spencer zegt: We may again take the ideas of the Amazulu, which have been so carefully vascertained and clearly specified, as typical of the ideas originally framed. Mark, first, that bodily deranngement, leading to mental perturbation, is the usual preliminary. Fasting is requisite. They say othe conrtinually-stuffed body cannot see secret things.” Moreover, ra man who is beginning to be an Inyanga does not sleep... his sleep is merely by soatches, he becomes a house of dreams.” Mark, next, that mental pertur.

waar

varen

en

en de daarmede van nature gepaard gaande opwinding, niet veel sneller brengen tot het beoogde doel? Een tweede klasse van bezielden vormen de somnambules, die de lezer op

bladz. 235 en volg. aan het werk heeft gezien.

Deze laten niet, zooals de duivelbanners van zoo straks, de ziel, die in hen is, spoken van minder groote macht uit anderen drijven, maar sturen haar naar de Onderwereld om met andere zielen samenkomsten te houden. Het ligt voor de hand, dat men gelooft dat duplicaten in de lichamen van vreemden kunnen

zich daaruit doen verjagen, ook gemakkelijk de overtuiging wortel moet schieten dat zij de lichamen, waarin zij eigenlijk te huis behooren, kunnen verlaten ; en derhalve zijn de somnambules dan ook naast de duivelbanners in het Rijk van het Midden geheel op hun plaats. Zooals wij op bladz. 236 aanteekenden, worden zij te Emoy hoofdzakelijk geraadpleegd omtrent het lot der dooden; doch dit neemt niet weg dat men hen ook wel voorspellingen laat doen over familieaangelegenheden van allerlei aard, waaromtrent men de opinie van een overleden vriend of huisgenoot wenscht te hooren; ja, zelfs roept men hunne hulp wel bij zware ziekte in, ten einde door hun tusschenkomst van de dooden te weten te komen welke middelen ter genezing men heeft aan te wenden.

Tot een eenigszins andere categorie behooren de op bladz. 238 beschreven "poppetantes”, die een kinderziel aan zich onderwerpen en uit een houten beeldje laten spreken. Zij vergrijpen zich door tooverkunst aan het leven van een ander, en zijn derhalve tooverheksen in den echten zin van het woord. Een korte toelichting omtrent hunne praktijken zal hier niet misplaatst wezen.

· Het is een uitgemaakte zaak, dat ongeveer alle wilde volkstammen de meening zijn toegedaan dat de eigenschappen der wezens huizen in elk gedeelte van hun lichaam.

Vandaar bijv. het zoo algemeen gebruik om het vleesch van verscheurende dieren, ja zelfs van verslagen vijanden en machtige tegenstanders, te verdeelen en te eten, opdat hun kracht in de overwinnaars overga. Een schaduw hiervan leeft nog altijd in China voort. Meermalen namelijk wordt er de gal - d. w. z. het orgaan waarin, volgens de algemeene opvatting, de moed gevestigd is – van een ter dood gebrachten roover of oproerling als kracht- of levengevend geneesmiddel en wel om geen andere reden dan die het volk bijv. in de gal van den beer een zeer versterkend medicijn doet zien. Reeds Lioe Ngan verhaalt; dat men het vleesch van beeren at om krachtig te worden (6).

Toeëigening van een stuk van iemands lichaam staat dus gelijk met toeëige

rbation, rising to a certain point, is taken as proof of inspiration. Where the evidence is not strong, osome dispute and say, „No. The fellow is merely mad. There is no Itongo (ancestral ghost) in him”. Others say, 10, there is an Itongo in him; he is already an Inyanga.” And then mark, vfurther, that the alleged possession is proved by his success”..... „Principles”; cap. cit., § 131.

(6) Hwai-nan-tsze; hoofdst. XV.

men

van

een

om

er

ning van iemands kracht en macht. Doch de onbeschaafde gaat nog verder. Zelfs het bezit van een afbeeldsel geeft, volgens hem, invloed op het individu, en evenzoo bekendheid met den naam; vandaar het opmerkelijk verschijnsel, dat een wilde over het algemeen zooongaarne zijn portret laat maken en met zooveel tegenzin zijn naam onthult. Thans nog verandert de Chinees bij ziekte of tegenspoed slag op slag van naam, en herdoopt hij altijd zijne dooden onmiddellijk na het overlijden :een overblijfsel blijkbaar van het oude volksgeloof, hetwelk allen invloed van kwaadgezinden op de zielen van levenden en dooden daardoor meende te bemoeielijken Het bewijs dat dit geloof in het China van eertijds werkelijk bestond, levert de in de noot op bladz. 7 aangehaalde autoriteit, volgens wien de boschspoken van Foehkjen geen kwaad kunnen doen indien men slechts hun naam noemt. Bezit dus het afbeeldsel

mensch, dan heeft men

ook macht over zijne ziel: ziehier het beginsel, waarop de praktijken der Chineesche poppetantes zijn gebaseerd. Zij vervaardigen het houten afbeeldsel van een kind, weten door tooverij de ziel van het wicht te dwingen dat te betrekken en doen vervolgens die ziel, telkens wanneer het bun goedduukt, naar andere streken gaan de dooden .

te ondervragen. Dit alles werd reeds op bladz. 238 met eenige uitvoerigheid beschreven, en kan dus hier met stilzwijgen worden voorbijgegaan.

Nauw in verband met het beginsel, waarop de poppetantes werken, staat waarschijnlijk de vreemdoortige spookbezwering met behulp van de zoogenaamde lijfvervangers, op bladz. 263 van dit werk beschreven. Immers — is het geloof aan de mogelijkheid om iemands ziel naar willekeur in en uit zijn beeltenis te doen gaan eenmaal gevestigd in het brein van den onbeschaafden mensch, dan blijft dezen nog slechts één kleine schrede te doen, en de zekerheid vestigt zich in hem dat elke ziel gedwongen kan worden haar intrek te nemen in elk willekeurig beeld. Het komt dan slechts op de middelen aan, die men bezigt ter bereiking van het doel. Oorspronkelijk nu had het Chineesche gebruik om op het Groote Zomerfeest voor alle huisgenooten papieren lijfvervangers te maken en deze te doen opgaan in de vlammen, waarschijnlijk niet veel anders ten doel dan de kwaad berokkenende geesten uit hun lichamen naar die poppen te verbannen, en vervolgens hieruit te verjagen door mid

Van dit element bedienen zich ook somtijds de Sumatranen tot het uitdrijven van spoken; althans Marsden verhaalt, dat zij den geest, die een krankzinnige bezeten houdt, uit diens lichaam trachten te verjagen door den patient in een hut te plaatsen en deze hierop in brand te steken (7).

del van

vuur.

Zoo dus kwade geesten door het woeste voorkomen en de wilde gebaren van duivelbanners verdreven kunnen worden, en derhalve vreesachtigheid, den levenden eigen, ook een trek in hun karakter is — laten zij zich dan ook niet door schrikbeelden uit de buurt van bewoonde plaatsen drijven?

(7) Spencer; hoofdst. XVIII, 132.

Op deze vraag antwoorden de hedendaagsche Chineezen steeds bevestigend. De tijger, het bloeddorstigste monster dat zij kennen, werd om redenen, die reeds op bladz. 484 zijn ontvouwd, voor hen een duivelverdrijver bij uitnemendheid, en prijkte op grond hievan reeds in overoude tijden in effigie aan de ingangen der huizen ; ja, tot op den huidigen dag heeft hij daar zijn plaats weten te handhaven en treedt nog buitendien zijn beeld in den vorm van amuletten en bij godsdienstplechtigheden als spookverjager op. De lezer ga slechts na hetgeen daaromtrent op bladz. 483 en volg. van dit werk en op de andere plaatsen , aldaar aangehaald, ten beste gegeven is.

En gelijk Asmodeus zich naar Egypte liet verjagen door den stank van de brandende ingewanden van een visch, evenzoo verafschuwen de Chineesche spoken en ziektebrengende demonen al wat onwelriekend is, en laten zich bijgevolg door planten, die een sterke lucht verspreiden, verdrijven uit de nabijheid van den mensch. Hiervan maken de bewoners van Emoy gedurende de ongezonde hitte van het midden van den zomer gretig gebruik. Zij bevestigen kalmoes, artemisia en knoflook aan de ingangen hunner huizen (bladz. 265) en hangen zich en hunnen kinderen amuletten met reukwerken om den hals (bl. 258), terwijl zij de bezwerende kracht van al die middelen nog door toevoeging van houten zwaardjes trachten te verhoogen (bl. 261). Ook in ons eigen werelddeel vervulden planten bij de verdrijving van onheil berokkenende onzichtbare wezens steeds een groote rol: getuigen de enkele voorbeelden, op bl. 271 en volg. aangestipt.

Uit § 3 van dit hoofdstuk is het reeds gebleken, dat, naar de natuurlijke opvatting van den onbeschaafden mensch, onzichtbare wezens voornamelijk rondzwerven gedurende den nacht. De eerste stelling nu, die hij hierop al zeer spoedig op zal trekken, zal zich aldus formuleeren: spoken gaan op de vlucht zoodra de zon slechts eenige zwakke stralen over den morgenhemel werpt - derhalve is dit hemellicht hun natuurlijke verdrijver en voornaamste vijand.

En de haan, die dagelijks lang vóór den mensch het flauwe gloren van den dageraad bemerkt en dezen met zijn schrille stem begroet, nam, gelijk zich denken laat , van de zon haar rol van spookverdrijfster overr, daar hij de wezens van de duisternis doet weten wanneer de tijd daar is om voor den gevreesden vijand op de vlucht te gaan. Eertijds vervulde hij dan ook, zooals op bladz. 482 beschreven werd, als bezweringsmiddel aan de huizen in het Chineesche Rijk een rol van gewicht, die hij echter hoogstwaarschijnlijk eerst begon te spelen toen hij uit den wilden staat tot dien van huisdier overgegaan, en de mensch dus reeds een eenigszins hoogere periode van beschaving ingetreden was.

In een veel hooger stadium van ontwikkeling moet men echter het tijdstip zoeken, waarop de wilg, de kalmoes en de perzik als plaatsvervangers van de zon, en dus als- spookverdrijvers, in het Rijk van het Midden optraden. Duidelijk immers is het dat de wijsgeerige bespiegelingen, die de oude Chineezen tot de verheffing dier gewassen tot zinnebeelden van den Zonnegod hebben geleid en op bladz. 200, 265 en 480 respectievelijk voor elk in het bijzonder werden weergegeven, zich slechts kon

« PreviousContinue »