Page images
PDF
EPUB

Thans een enkel woord over de papieren kleederen en verdere benoodigdheden, die de bewoners van het Rijk van het Midden ten gerieve van humne dooden in de vlammen werpen.

111. Brandoffers van kleederen, huisraad en andere benooligdheden ten behoeve van de doolen werden reeds op verschillende plaatsen van dit werk beschreven. Op bladz. 15 en 16 zijn de voornaamste soorten van papiergeld opgesomd, die door tusschenkomst van het vuur den zielen in de andere wereld worden toegezonden ; – op bladz. 334 en 336 is medegedeeld, hoe de Chineezen op de offerfeesten der zevende maand papieren kleedingstukken met hetzelfde doel verbranden ten gerieve van de schimmen; op bladz. 340 eindelijk is aangestipt, hoe zij langs denzelfden weg de zielen in de Onderwereld van huizen, tuinen, welgevulde schatkamers, huisraad en zelfs van middelen van vervoer voorzien. Doch hoeveel er ook omtrent het onderwerp in den loop van dit werk ten beste werd gegeven, nog lang schetst het dit onderdeel van den eeredienst der zielen in al zijn omvang niet; want ook voor elken doode in het bijzonder wordt steeds gedaan wat de lezer in dit boek voor alle afgestorvenen gezamenlijk verrichten zag.

Indien men in die papieren namaaksels de schimmen, de nagalmen van werkelijke geldstukken, kleederen en voorwerpen van huiselijk gebruik te zien heeft, die in overoude tijden aan de dooden werden geofferd (18), dan hadden de Chineezen van weleer een gebruik te meer met vele hedendaagsche min beschaafde volkeren gemeen. In Afrika, bij de Koesa's, verbranden de weduwen van de hoofden al het huisraad,

hetzelfde geschiedt onder de Bago's; doch deze werpen bovendien hun geheelen voorraad rijst en levensmiddelen mede in het vuur. Ook de Comanchen doen de wapenen van de dooden opgaan in de vlammen. Spencer, aan wiens werk (19) deze voorbeelden zijn ontleend, maakt ook van de papieren modellen der Chineezen gewag, en merkt op dat wanother life, in which the burnt semblances of things are supposed to be useful, must be figured as of a very shadowy kind”; doch onzes inziens doet men wel hier in de eerste plaats met een hoogere beschaving rekening te houden, die, in haren ontwikkelingsgang,steeds onder den invloed van een spreekwoordelijk bekende behoudziekte gestaan hebbende, maar noode met de oude gewoonte heeft kunnen breken en daarom ruwe vernieling van de bezittingen van de dooden heeft plaats doen maken voor een practische plechtigheid, welke zoowel met den beschaafden spaarzamen geest der natie als hare ingewortelde liefde voor het oude rekening houdt.

Hoe mu kwamen de oude Chineezen er toe om voorwerpen van allerlei aard ter wille van de dooden te doen opgaan in de vlammen? Waren zij dan niet over_ tuigd dat het vuur ze totaal vernietigde, of werd het gebruik door een ander denkbeeld overheerscht? Ongetwijfeld was dit laatste het geval.

en

(18) Thans nog worden ter eere van Confucius zijdestoffen verbrand. Zie bladz. 440.
(19) "Principles of Sociology”; hoofdst. XIV, § 108.

Indien, zooals in § 2 reeds werd betoogd, de schaduwen en spiegelbeelden in den onbeschaafden wilde het eerste geloof opwekken in een duplicaat der wezens ,

dan volgt ook dat niet alleen menschen, dieren en planten, maar ook alle dingen zonder onderscheid in het bezit van een dubbel zijn. Dit gaat inderdaad bij verschillende minder ontwikkelde volkeren voor onbetwiste waarheid door , zooals Spencer in het dertiende hoofdstuk van zijn werk (96) door vele voorbeelden bewijst. Dat dubbel nu is het, dat men door vernietiging van het voorwerp, waaraan het behoort, dwingt naar het land van de schimmen te gaan, evenals men door het dooden van menschen en dieren hunne zielen ter beschikking van de overledenen stelt.

Ziehier ook meteen het antwoord op de vraag, waarom de Chineezen met 200veel andere volkeren steeds halsstarrig voortgaan met spijzen en dranken aan de dooden te offeren, niettegenstaande men er nooit aan bespeuren kan dat zij door onzichtbare wezens worden aangeroerd. Het zijn slechts de fijne, onstoffelijke gedeelten, die de zielen voor hun onderhoud benutten, doch de tastbare zelfstandigheden laten zij voor de levenden staan. Die

IV. Oferanden van spijs en drank behoeven hier geen verdere bespreking meer. Zij zijn den lezer reeds voor een groot gedeelte op verschillende bladzijden van dit werk voor oogen gesteld, en wel als maaltijden, die op verschillende feestdagen òf voor de zielborden in de huizen en in de voorvaderlijke tempels, òf ten behoeve van het geheele doodenheir worden aangerecht: men sla, om de plaatsen te vinden waar zij zijn beschreven, slechts de wofferanden aan de voorouders en de verlaten geesten" in den aan dit werk gehechten Index op. Geregeld gaan zij met het ontsteken van wierook en het branden van papieren offergeld gepaard. Buitendien hebben nog voor iederen doode afzonderlijk op verschillende tijdstippen na het overlijden feestmaaltijden en offerplechtigheden plaats, waarin wij hier echter niet te treden hebben.

V. Tempels voor de doodlen. Een angstige eerbied voor de ontslapenen bestaat alom. Zelfs de meest beschaafde bewoner van ons beschaafd Europa zal geen sterfhuis anders dan zwijgende binneiftreden en zelden zonder een zekere beklemdheid over een kerkhof gaan; wij beschouwen een graf als een gewijde plaats, daar wij het » wijden” aan de nagedachtenis van den doode, en zijn onbewuste aanhangers van de leus „de mortuis nil nise bene": — wijst dit alles niet op een vage vrees, die zelfs vergevorderde beschaving niet heeft kunnen wisschien uit het menschelijk gemoed? Hoe lager een volk op de ladder van ontwikkeling staat, hoe duidelijker die vrees op den voorgrond treedt, totdat zij onder sommige stammen zelfs zich uit in een angstig vluchten van de plaats, waar iemand gestorven is; - geen wonder dat dan ook in China, waar nog altijd de lagere klassen in gestadigen angst voor onheil stichtende menschelijke duplicaten verkeeren, de vreesachtige eerbied voor de dooden zich veel krachtiger doct gelden dan bij ons. Zóó sterk zelfs is daar steeds zijn invloed op den volksgeest geweest, dat hij, zonder gekweld te worden door leerstellingen omtrent een jaloerschen God, die geen vreemde goden voor zijn aanschijn duldt, zich onder de bescherming van wijsgeeren en vorsten heeft ontwikkeld tot een geregeld stelsel van eeredienst, dat niet alleen den godendienst nabij komt, maar zelfs in de schaduw stelt.

De hooge vlucht, welke die eeredienst der dooden in China heeft genomen , spreekt het duidelijkst uit de tempels, die er ter eere van de vaderen in bijna alle straten, dorpen en gehuchten opgetrokken zijn. Zij ontstonden waarschijnlijk langs den weg van geleidelijke ontwikkeling uit de eerste offeraltaren, die de menschheid ooit uit den grond verrijzen deed, namelijk uit de terpen, die de rustplaatsen van de dooden dekten. Zooals reeds in § 4 werd medegedeeld, plaatsen bijna alle volkeren ter wereld spijzen op de graven en maken de hedendaagsche Chineezen geen uitzondering op dezen algemeenen regel: het is dan ook niet zonder reden, dat tegen zoogoed als elken grafheuvel in het Rijk van het Midden een klein altaartafeltje is aangebracht, waarop de vertikale steen met het grafschrift rust. Weldra, zegt Spencer (20), verrijst over het graf eene bedakking ter afwering van zonneschijn en regen; en inderdaad, thans nog plant menige Chinees er zoo primitief mogelijk een regen- of zonnescherm op, met het doel de rondzwervende ziel een schuilplaats te verschaffen. In Indië ontwikkelde die bedakking zich tot de welbekende pagodes, die sedert de invoering der crematie er gebezigd worden om relieken te bewaren en thans nog in zuidelijk Foehkjen in miniatuur op de graven prijken, waarin de asch van Boeddhistische priesters rust. in Europa groeiden er de mausolea en graf kapellen en ten slotte de met graven opgevulde kerken der Katholieken uit, onder welker altaartafels nog altijd beenderen en andere relieken van de heiligen worden geplaatst; doch in China heeft zich het grafaltaar ontwikkeld tot huistabernakels en voorvaderlijke tempels, nochtans zonder zelf in deze hoogere vormen op te gaan en dus een einde aan zijn eigen bestaan te maken.

De plaats van die tempels in de nationale samenleving en de invloed, die zij daarop uitoefenen, alsook de beweegredenen, die de bewoners van het Rijk der Bloemen tot hunne oprichting nopen, en de wijze waarop zij beheerd worden, ingericht zijn en zich in verschillende takken splitsen: dit alles werd reeds op bladz. 436 en volg. vrij uitvoerig behandeld. Bij die gelegenheid maakte de lezer ook kennis met tempels ter eere van verdienstelijke ambtenaren, deugdzame vrouwen, geleerden van naam, beroemde vorsten en wijsgeeren, waaronder Confucius een eerste plaats bekleedt:— deze nu zijn het vooral, die dubbele aandacht waardig zijn, omdat zij de overgangstypen van tempels voor de dooden op die ter eere van de goden vormen. De oorsprong van de godentempels behoeft hier echter niet besproken te worden. Want hij zal van zelf blijken, wanneer in de hiernavolgende $ş zal zijn aangetoond dat alle goden van het Chineesche volk, die in dit werk verhandeld zijn, de meest onloochenbare sporen van menschelijke herkomst dragen en hun eeredienst dus niets

(20) Hoofdst. XIX.

dit

anders dan een in den loop der tijden gewijzigde vorm van doodendienst is. Thans dient nog een enkel woord in het midden te worden gebracht over de tabletten, waarin de zielen der afgestorvenen wonen en de vereering en offeranden van de nakomelingschap ontvangen.

VI. Het zielebord. Sprekende over de zoogenaamde poppetantes en de bezwering van kwade geesten door middel van lijfvervangers, wezen wij in § 6 op het bestaan van een artikel in het Chineesche volksgeloof, hetwelk zegt dat menschelijke duplicaten in beelden kunnen huizen en zelfs gesommeerd kunnen worden daarin hun intrek te nemen. De bewoners van het Rijk der Bloemen gaan dus niet onlogisch te werk, wanneer zij den zielen hunner dooden in den vorm van een beeld een rustplaats trachten te bereiden, ten einde hun eenigszins het gemis van een lichaam te vergoeden.

Dat minder beschaafde volkeren al zeer spoedig geneigd zullen wezen zich de afbeeldsels van de dooden voor te stellen als werkelijk door de ziel bewoond laat zich, indien men de gewaarwordingen raadpleegt, die zij in onszelf teweegbrengen, vrij gemakkelijk begrijpen. „When”, zegt Spencer (2'), va lover kisses the miniatuyre of his mistress, he is obviously influenced by an association between the appearvance and the reality. Even more strongly do such associations sometimes act, » A young lady known to me confesses that she cannot bear to sleep in a room having » portraits on the walls; and this repugnance is not unparalleled. In such cases the „ knowledge that portraits consist of paint and canvas only, fails to expel the suggestwion of something more. The vivid representation so strongly arouses the thought nof a living personality, that this cannot be kept out of consciousness.

Now suppose culture absent --- suppose there exist no ideas of attribute, law, » cause -- no distinctions between natural and unnatural, possible and impossible. The vassociated consciousness of a living presence will then persist. No conflict with vestablished knowledge arising, the unresisted suggestion will become a belief."

De Chineezen zijn dan ook de eenigen niet, die steeds afbeeldsels van hunne dooden maakten en in hunnen voorouderlijken eeredienst lieten optreden. De bewoners van Yucatan en Mexico deden volmaakt hetzelfde, en eveneens de oude Egyptenaren, vermits deze aan de kisten, waarin de mummiën werden neergelegd, een menschelijken vorm gaven en daarenboven steenen standbeelden deden verrijzen op en nabij de graven hunner grooten. De Congo-negers van den huidigen dag offeren spijs en drank aan een houten beeld, dat hunnen overledenen vorst heet voor te stellen ; de Abyssiniërs vieren hunne rouwfeesten in tegenwoordigheid van een afbeeldsel van den doode en zoo doen, volgens Raffles, ook sommige Javanen (22); onder vele stammen der Papoea's eindelijk worden de »korwar” of „karowar", dat wil zeggen de beeltenissen der ontslapenen, door ofleranden overgehaald bemiddelend tusschen de

(21) „Principles"; hoofdst. XXI, $ 157.
(+2) Spencer, op. et cap. cil.; $$ 155 en 156.

kwade geesten en de levenden op te treden (23). In het laatste hoofdstuk van het derde deel der Jaarboeken van Tacitus wordt verhaald, dat Junia , de vrouw van Cassius en zuster van Brutus, in A. D. 22 met groote praal begraven werd. Het was in Rome de gewoonte om bij zulke gelegenheden de afbeeldsels der voorvaders voor den lijkstoet uit te dragen; doch, zegt de geschiedschrijver, Cassius en Brutus trokken dubbel de aandacht, omdat men hunne beelden niet zag. De Fransche dichter Chénier maakte hiervan gebruik in zijn treurspel „Tibère” en kleedde de gebeurtenis in deze woorden in: „Brutus et Cassius brillaient par leur absence."

Nog in den nieuweren tijd was het maken van beelden voor de dooden zelfs in ons eigen werelddeel in zwang. In de „Chronicles” van Monstrelet (boek I) althans vindt men de begrafenis van Karel VI van Frankrijk aldus beschreven :, Over the coffin was an image of the late king, bearing a rich crown of gold and - diamonds and holding two shields, one of gold, the other of silver; the hands had » white gloves on, and the fingers were adorned with very precious rings. This wimage was dressed with cloth of gold” etc.... In this state was he solemnly » carried to the church of Notre Dame” (24). Spencer voegt hier nog aan toe: „This nsage was observed in the case of princes also. Speaking of the father of the "great Condé, Mme. de Motteville says --- „The effigy of this prince was attended » for three days, as was customary: forty days having been the original time during , which food was supplied to such an effigy at the usual hours. Monstrelet describes ma like figure used at the burial of Henry V of England; and the effigies of many , English monarchs, thus honoured at their funerals, are still preserved in Westmin»ster Abbey: the older having decayed into fragments.” (25)

Zeer zeker was het denkbeeld dat de zielen aan een steun, een zetelplaats behoefte hebben, een voorname drijfveer voor de vervaardiging van beeltenissen te haren gerieve. Sprekende over de oude Egyptenaren, zegt George Perrot (26): rmier, la plus naturel soutien de cette vie obscure et indéfinissable qui recommence v dans la tombe une fois qu'elle a reçu son hôte éternel, c'est le corps. On n'épargnnait donc rien pour en retarder autant que possible la dissolution.... L'embaume» ment rend la mumie à peu près indestructible --- cependant, malgré ce qu'avait fait, "pour assurer la conservation du corps, la plus pieuse et la plus subtile prévoyance, wil pouvait arriver que la haine ou plus souvent encore Kavidité déjouassent tous ces

„Le pre

(-s) Hellwald, „Natuurlijke Geschiedenis van den Mensch”; Nederlandsche vertaling, bladz. 96. (**) Spencer, op. et loc. cit.

(*) Levende personen namen zelfs wel de plaats van die beeltenissen in. Men leest in de Dictionnaire Infernale” van Collin de Plancy , verbum Mort: On observait anciennement, en France, - une coutume singulière aux enterrements des nobles; on faisait coucher dans le lit de parade , qui wse portait aux enterrements, un homme armé de pied cn cap pour représenter le défunct. On vtrouva dans les comptes de la maison de Polignac: Donné cinq sous à Blaise, pour avoir fait le chevalier mort à la sépulture de Jean, fils de Randounet-Armand, vicomte de Polignac"."

(24) Revue des deux Mondes”; 1 Febr. 1881, bladz. 581 en volg.

« PreviousContinue »