Page images
PDF
EPUB

S

ncalculs. Cette crainte, cette terreur suggéra l'idée de lui donner un soutien artifiwciel, la statue. L'art était assez avancé déjà non seulement pour reproduire le » tume et l'attitude ordinaire du défunct et pour en marquer le sexe et l'âge, mais v même pour rendre le caractère individuel de ses traits et de sa physionomie; il pouwvait aspirer au portrait. L'emploi de l'écriture permettait de graver sur la statue v le nom et les qualités de celui qui n'était plus (27); ces indications acheveraient »d'en faire l'exacte représentation de la personne disparue. Ainsi déterminée par » l'inscription et par la ressemblance du visage, la statue servirait à perpétuer la vie vde ce fantôme, qui risquait toujours de se dissoudre et de s'évaporer s'il ne trouwvait un appui matériel où s'attacher et se prendre."

De houten bordjes, waarin de Chineezen de zielen hunner voorouders doen huizen en die in hun hedendaagsch voorkomen op bladz. 12-14 beschreven werden, bezitten dus een alleszins verklaarbare reden van bestaan. Wel is waar wordt het, maar het schijnt, niet rechtstreeks door de geschiedenis bewezen dat zij ontwikkelingsproducten van werkelijke beelden zijn, doch de waarschijnlijkheid pleit er zóó sterk voor, dat historische gegevens veilig overbodig mogen heeten. Immers, moeielijk valt het aan te nemen dat de oude Chincezen een uitzondering op alle andere minder beschaafde volkeren zouden hebben gemaakt door hunne dooden voor te stellen onder een vorm., die, wel verre van onmiddellijk voor de hand te liggen, integendeel volstrekt het menschelijk beeld niet wedergeeft, terwijl nog buitendien de ceremonie, op bladz. 12 van dit werk beschreven, bezwaarlijk te verklaren is, tenzij men vooropstelt dat de zielbordjes oudtijds werkelijk een menschelijken vorm bezaten. En de legende, die de tegenwoordige Chineezen steeds te berde brengen wanneer men hun maar den oorsprong der tabletten vraagt, bewijst dat onze zienswijze ten slotte ook door de overlevering wordt gestaafd. Zij luidt ongeveer als volgt.

Onder de dynastie der Han-Keizers (206 vóór tot 220 na Chr.) leefde er een zekere Ting Lan (23), cen man, die door de Chineesche zedemeesters nog altijd den volke als een der vier en twintig toonbeelden van ouderliefde voor oogen wordt gesteld. Zijn liefde voor zijne moeder bracht hem er toe om na haar dood haar beeld te maken, en dit gelijken eerbied te betuigen als hij tijdens zij nog leefde, jegens haar in acht genomen had. Op zekeren dag was hij afwezig en bevond zijn vrouw zich alleen te huis, toen zijn buurman binnentrad om iets te leen te vragen..

Met behulp van de wichelblokken vroeg de vrouw toen het beeldje af, of het wel geraden

wezen zijn verzoek in te willigen ; doch zij ontving een ontkennend antwoord en de buurman kon met ledige handen henengaan. Alvorens te vertrekken, koelde deze echter zijn toorn aan het beeld door het eenige klappen toe te dienen. Toen no Ting Lan te huis kwam, ontwaarde hij duidelijk een uitdrukking van ontevredenheid

[ocr errors]

(?) Ook de tabletten hunner dooden beschrijven de Chineczen met den naam enz. van den overledene. Zie bladz. 13.

(*)丁蘭,

[ocr errors]

meer

op het gelaat zijner moeder. Hij onderzocht onmiddellijk wat er was geschied, ranselde den dader duchtig af en werd op grond hiervan gevangen genomen; maar zie : daar begon het beeldje, tot ontzetting van de omstanders, op eens te weenen. Aldus geraakte het geval overal bekend ; iedereen richtte tabletten voor de dooden op en Ting Lan ontving groote gunstbewijzen van den Staat. Volgens een andere lezing zou het zijn vrouw zelf zijn geweest, die het beeldje sloeg, en hij zich daarop dadelijk van haar gescheiden hebben (29).

Het moge waar zijn dat tegenwoordig de Chineezen geen blijvende beelden

voor de ontslapenen maken : tijdelijke gelijkenissen en geschilderde portretten echter worden in het Rijk der Bloemen bijna evenveel vervaardigd als er menschen de eeuwigheid binnengaan. Heeft iemand er het aardsche met het eeuwige verwisseld, dan worden in het sterfhuis dikwijls gedurende een reeks van dagen offerfeesten aangerecht ter verkwikking van zijne ziel. Dit staat bekend onder den naam van khiū(30): „het op (touw) zetten (van werken) van ouderliefde”. Gedurende al dien tijd is het centrale hoofdvertrek van de woning met allerlei teekenen van rouw behangen en prijkt een papieren beeld van den doode, door een lijfwacht van poppen van hetzelfde materiaal omgeven, in een tabernakel, hetwelk achter een groote, onder spijzen zwoegende oflertafel opgeslagen is. Dat beeld heet hóen-sien (51) of wziellichaam.” Het is veelal uitgedost in officiëel ambtskostuum, of, zoo het een vrouwelijke afgestorvene geldt, als de echtgenoote van een Mandarijn van hoogen rang. In de eerste plaats heeft het ten doel de rondzwervende ziel een rustplaats te verschaffen, vanwaar zij, telkens als liet haar goeddunkt, uit kan gaan om van de offerspijzen te eten en de papieren kleederen, huishoudelijke benoodigdlieden enz. in ontvangst te nemen, die men voor haar verbrandt; doch buitendien is het bestemd om op het einde van den laatsten offerdag door tusschenkomst van het vuur met een menigte papieren offerartikelen en de genoemde lijfwacht naar de andere wereld gezonden te worden, ten einde ook daar nog den overledene tot lichaam te dienen. De rol van het nziel-lichaam” verschilt dus in geenen deele van die van het zielebord, behalve dat zij niet blijvend op aarde, maar ook nog in de andere wereld wordt gespeeld.

En wat nu de geschilderde afbeeldsels van de dooden betreft: de zoogenaamde tūi-sioe (32), lett. "groote longaevitas” is een levensgroot portret, hetwelk den ontslapene meestal in zittende houding voorstelt en in officiëele ambtskleedij, zelfs al heeft hij nooit een graad of waardigheid bezeten. Het wordt in den regel kort na het overlijden, doch ook wel bij voorbaat nog tijdens het leven gemaakt. Velen vergenoegen zich ook met een zoogenaamd siaó-íng (33) of wklein beeld”. Dit is een

(*) Mayers, Reader's Manual”; 670. Ook Doolittle, Social Life of the Chinese" ; hoofdst. VIII.

()企孝,
(1) 魂身(1)大壽,
(*) 小影,

schetsteekening, die in miniatuur den overledene te midden van eene landelijke omgeving of in zijne woning voorstelt, en wel meestal omringd door zijn naaste verwanten, kinderen en kindskinderen, die zich met allerlei spelen, studie of huiselijken arbeid bezighouden. Zulke portretten nu ziet men hangen in het hoofdvertrek, de thia), van bijna elke woning, worden hoog in eere gehouden en zelfs door vele families op gelijke wijze als de tabletten vereerd (34). Zij wijken dus alleen in wat vorm . en voorkomen betreft van de ziel bordjes af; en veilig meenen wij het dus als een feit te mogen aannemen dat de Chineezen van weleer voor hunne dooden beelden maakten beelden, die ter eene zijde zich tot tabletten ontwikkeldeu en ter andere zich als wziel-lichamen" en geschilderde portretten in stand gehouden hebben.

§ 8.

GODIIEDEN VAN IIISTORISCII-MENSCHELIJKEN OORSPRONG.

De Chineesche godheden zijn gedeïfieerde menschelijke wezens. De menschelijke oorsprong van den God van den Oorlog, de Patrones der Zeelieden, den Heiligen Vorst Keh, de Godin der Genade, den Patroon van den Landbouw, de Hoofdgoden van het Graan, de Vaders van Wallen en Grachten.

Eenigszins lang werd bij den doodendienst der Chineezen verwijld. Doch niet zonder reden. Want niet alleen is hij nog altijd de kern, de ziel van het godsdienststelsel van de natie, maar ook de grondlegger van allen eeredienst harer goden en godinnen, daar deze in der werkelijkheid niets anders dan gedeïfieerde voorouders zijn. Dit, waar noodig, toe te lichten, zal onze hoofdtaak in onderstaande regelen en de eerstvolgende paragrafen zijn.

Als hoogere machten, wier menschelijke herkomst aan geen twijfel onderhevig kan wezen, vallen het allereerst in het oog de God van den Oorlog, de Godin der Zeelieden en de groote god der Foel kjeneezen Keh-Sing-ống. Hunne levensbeschrijvingen, aan oorspronkelijke Chineesche werken ontleend en respectievelijk op bladz. 75, 207 en 410 en volg. ten beste gegeven, wijzen hunnen aardschen oorsprong zóó duidelijk uit, dat alle verder betoog overbodig is. Men heeft hier dus te doen met drie zoo goed als zuiver historische personen, die slechts in zooverre van de voorvaderen verschillen, dat zij niet door een enkele reeks van afstammelingen, maar door de gansche natie, althans een door zeer groot gedeelte er van, worden vereerd , en van den Hoogepriester van het Rijk, den Keizer, een officiëele erkenning ontvingen , welke de Pauselijke canonisatie van onze heiligen eenigszins nabijkomt.

gewone

(*“) Zij komen dus vrij nauwkeurig overeen met de oud-Romeinsche imagines majorum. Deze ook werden vervaardigd ter herinnering aan de doolen, stonden als zoodanig mede hoog in aanzien en bevonden zich in het alrium van het huis, dat wil zeggen in het hoofdvertrek, waar zich het altaar van de huisgoden en voorvaderen (lararium) bevond en dat volkomen met de thiang der hedendaagsche Chineczen overeenstemde.

[ocr errors]

Met veel minder, maar toch nog vrij veel zekerheid laat zich de menschelijke oorsprong uitwijzen van Miao Sjen, de overoude Chineesche Godin, die in een later tijdperk met den Boeddhistischen Avalokites' vara vereenzelvigd werd. Het is waar dat hare levensgeschiedenis, in § 2 van onze verhandeling over den 19den der tweede maand geschetst, onder de werking van den tand des tijds in een legende van de ergste soort is herschapen; maar desniettemin levert zij nog altijd deze gewichtige zekerheid op: de Chineezen kennen aan hunne Godin der Genade geen anderen oorsprong dan een zuiver aardschen en rein menschelijken toe. Hetzelfde kan gezegd worden van den Patroon des Landbouws Sjun Noeng en van de Hoofdgoden van het Graan, omtrent wier herkomst een en ander op bladz. 72 en 121 werd aangevoerd. De Vaders van Wallen en Grachten eindelijk, op bladz 466 en volg. beschreven, vormen op hunne beurt een geheel heir van vergoddelijkte menschen, aangezien zij immers gewone Magistraatspersonen zijn, die door den Paus der Taoisten, onder goedkeuring van het lioogste wereldlijk gezag, na hun dood tot beschermgoden der verschillende onderdeelen van het Rijksgebied verheven werden. Een god in China is dus de ziel van een overledene, die, instede van slechts door zijn eigen nakomelingschap te worden vereerd, de hulde en offerande van de geheele natie of van een groot gedeelte er van ontvangt, en zulks in veel gevallen — doch niet altijd — onder sanctie van den Opperpriester des Rijks.

§ 9.

HALFGODEN.

De oude wijsgecre), ten naaste bij als goden vereerd. De Sijen" of Genii der Taoisten. De adjudanten of wachters!, die sonnigen godheden zijn toegevoegd.

Desniettemin bestaat er in China een talrijke klasse van afgestorvenen, die, alhoewel alom in het Rijk niet alleen onder Keizerlijke goedkeuring maar zelfs op Keizerlijk bevel vereerd, toch geenszins als godheden aangeschreven staan. Onder hen bekleeden de oude wijsgeeren met Confucius aan de spits, omtrent wier tempels en eeredienst op bladz. 440 en volg. reeds het noodige ten beste werd gegeven, een voorname plaats.

Waarin nu is het verschil gelegen? De wijsgeeren ontvangen (zie bladz. 440 en 411) offeranden zoogoed als de goden ; zij worden evenals deze met kniebuigingen vereerd en hebben evenzeer hunne tempels: -- het eenige dus wat hen van de godheden onderscheidt, is dat men hen onder den vorm van tabletten, doch laatstgenoemden onder dien van beelden eerbewijzen brengt. Dit blijkt ook uit den maatregel van Keizer Sji Tsoeng, die, zooals op bladz. 441 werd medegedeeld, het maken van beelden voor Confucius verbood , uit vrees dat zulks den Wijze geheel en al van zijn menschelijk karakter berooven en op ééne lijn met de godheden plaatsen zou. Neemt

men

nu echter in aanmerking dat de tablet oorspronkelijk niets anders was dan een beeltenis van den doode (zie $ 7, VI) en, behoudens haar uiterlijken vorm, nog daarvan in geenen deele onderscheiden is, dan volgt onmiddellijk dat de wijsgeeren feitelijk reeds godheden zijn, wien nog slechts de officiëele erkenning als zoodanig ontbreckt. Wij twijfelen echter niet, of hunne formeele opname onder de hoofdgoden, die hun tot nu toe steeds kunstmatig werd betwist, is nog slechts een zaak van tijd. Ilet is ook waar, dat hunne vereering zich nog niet ten volle heeft opgelost in een handel om gunsten en zegeningen, gelijk met de goden wordt gedreven ; maar is de stap, die van vereering tot verbidding leidt, wel zoo bijzonder groot? Dit alles in overweging nemende, aarzelen wij niet de wijsgeeren van de Confuciustempels met den titel van halfgoden te bestempelen en hen als zoodanig mede in het Pantheon des Chineeschen volks te plaatsen.

Een tweede categorie van halfgoden zijn de zoogenaamde Sijen", d. w. z. de tot onsterfelijkheid geraakte menschelijke wezens, die wij onder den titel van Genii op bladz. 132 en volg. reeds beschreven hebben.

Zooals uit § 17 van dit hoofdstuk, waarin over het Tavisme zal gesproken worden, nader blijken zal, zijn zij met de meeste goden der Chineezen ontwikkelingsproducten van denkbeelden uit betrekkelijk modernen tijd, en vormen zij een der meest duidelijke schakels van overgang van de voorvaderen op de goden. Velen hunner hebben zelfs, naar de Chineezen beweren, hun stoffelijk omhulsel medegenomen in het andere leven, zonder dat dit hunne verheffing tot werkelijke godheden in het minst in den weg heeft gestaan. Een dier vergoddelijkte Genii werd den lezer op bladz. 131 en volg van dit werk beschreven; en wel in den persoon van den Patriarch Lu, den Beschermheer van Letterkundigen en Barbiers.

Nog andere halfgoden eindelijk meenen wij te zien in de adjudanten of schildknapen, die de lezer naast den Oorlogsgod, de Godin der Genade en de Patrones der Zeelieden respectievelijk op bladz. 96, 155 en volg. en 211 en volg. heeft op zien treden. Ook van hen kan men veilig zeggen dat zij alom in het Rijk worden vereerd, vermits bunne beelden altijd de genoemde godheden vergezellen en zij met deze geregeld offeranden ontvangen; doch aangezien hun eeredienst (althans voor zoorer wij weten) nog nooit met sanctie van hoogerhand begunstigd werd, ontbreekt hun altijd het formeel karakter van godheid nog. Door raadpleging van de zoo juist aangehaalde plaatsen kan de lezer zich overtuigen, dat de menschelijke oorsprong

zich voor de adjudanten van den Oorlogsgod zeer duidelijk, doch voor die van de Godin der Genade slechts uiterst vaag laat uitwijzen; alsook dat de satellieten van de Patrones der Zeelieden misschien wel in het geheel geen menschen zijn geweest,

eene personificatie van begrippen hun ontstaan te danken hebben. Mocht dit werkelijk het geval wezen, dan behooren zij op ééne lijn te worden geplaatst met de trawanten van de Stedegoden, die op bladz. 470 en volg. beschreven zijn.

maar

aan

« PreviousContinue »