Page images
PDF
EPUB

weer terug te keeren in zijn ouden stand; hoe warmte en koude, zonneschijn en wolken, droogte en regen ten nauwste met dien kringloop samenhingen, dat is te zeggen, geheel door den stand van die en die sterrengroepen aan die en die streken van den nachtelijken hemel werden beheerscht. Het was dus de Hemel die de jaargetijden regelde, door zijne koesterende warmte en verkwikkende regens de Aarde bevruchtte en de voortbrengselen, die hij uit haar schoot te voorschijn riep, tot rijpheid bracht. Hij oefende dus absolutén invloed uit op het ontstaan, leven en noodlot van den mensch, en weldra zonk deze in aanbidding voor zijn Vader en Moeder neder dankbaar indien zij hem met een ruimen oogst zegenden, angstig wanneer de vruchten van hun huwelijk minder overvloedig waren en vrees voor gebrek hem derhalve bekroop. De grondslag voor den eeredienst van Hemel en Aarde: vrees en ontzag, aan gevoel van dankbaarheid en besef van afhankelijkheid gepaard, werd dus gelegd.

Zougoed nu als, blijkens de vorige §, het volk de Aarde onder de hoede, het bestuur stelde van een voorvader Ku Loeng, evenzoo schiep het zich een Hemelheer, die, hoeveel eeuwen er ook sedert zijn verloopen, nog altijd de kenmerken van menschelijk wezen in zich draagt. Men raadplege slechts de legende van den Edelsteenen Keizer, in § 1 van de verhandeling over den 9den van de eerste maand weergegeven en verklaard.

verklaard. Ilet is waar, dat zij het menschelijk karakter van den God des Hemels niet dan zeer zwak door het waas van mythic heen doet schemeren, doch blijkens § 5 van dezelfde verhandeling werd hij in het begin van onze jaartelling op den Olympus door den meer historischen Tsjang Tao Ling vervangen; en dus staat men hier wel degelijk voor het feit dat zelfs de allerhoogste god van het Chineesche Pantheon een gedeïfieerd voorvader is, wiens nageslacht zich in den vorm van een rij van Taoistische Pausen sedert altijd in stand gehouden heeft.

Zonnegoden. Vereenzelviging van de onderdeelen des Heelals met menschelijke wezens is, zooals op bladz. 56 met een enkel woord werd aangestipt, trouwens in de mythologie van vele volkeren een zeer gewoon verschijnsel. In China greep zij ook plaats ten opzichte van zon en mann, Immers, niet slechts treden deze hemellichten in de zoo juist genoemde legende omtrent de geboorte van den Edelsteenen Hemelleer als een Keizerlijk echtpaar op, evenals Osiris en Išis bij de Egyptenaren ;

doch zelfs leeft de zon nog altijd in het Zuiden der provincie Foehkjen als een vergoddelijkt geneesheer voort, dat is dus als een menschelijk wezen , hetwelk, evenals de Westersche Zonnegoden Esculapius, Bacchus, Osiris en Christus deden, de wereld van kwalen, zickten en rampen verloste (bladz. 218 en volg.). Zoo is dus ook de dienst van den Grooten God des Dags in het Verre Cathay niets anders dan een tak van den ouden voorvaderlijken eeredienst, doch een die eerst recht tot ontwikkeling kwam, toen wijsgeerige bespiegelingen omtrent de verheven rol der zon in de wereldorde hem met nieuwe levenssappen overgoten hadden. De Keizerlijke zonnedienst, waarvan op 372 en volg, is gewag gemaakt, werd toen zijn voornaamste vrucht. Maar die wijsgeerige bespiegelingen bleven boven het bereik van het gewone volksverstand. Geen

bladz.

kaste van priester-astrologen werd bovendien in het Rijk van het Midden ooit krachtig en machtig genoeg om ze tot dogma's te versmeden en, tot godsdienststelsel omgewerkt, een kudde goedgeloovigen leeken als mysterieuse waarheden op te dringen: bijgevolg bleef de zonnedienst er in zijn oude, eenvoudige gedaante van voorvaderlijken eeredienst bewaard , behoudens de ceremoniën van het vuurtrappen, het ontsteken van kaarsen en lantarens en het uitdooven en vernieuwen van de voorjaarsvuren, op verschillende plaatsen van dit werk beschreven (zie Index). Ziehier dus de reden waarom de dienst van den Koning van het Licht, die eenmaal zulk een ontzaglijken invloed uitoefende op de volkeren van het Westen, zich nergens in China onder sterk sprekende vormen in het godsdienstig leven openbaart en er volstrekt niet hooger dan de dienst van andere goden en godinnen aangeschreven staat.

Maangodheden. Hetgeen zooeven van den Zonnegod der Chineezen werd gezegd, is in hoofdzaak mede van toepassing op hunne Maangodin. Ook zij wordt met menschelijke wezens vereenzelvigd of, liever gezegd, door aardsche schepselen bewoond gedacht, en deze zijn wel degelijk voorwerpen van aanbidding voor het volk. De wijze waarop men hen te Emoy vereert, alsook de rol, die zij in de mythologie van China spelen, werden reeds in de verhandeling over den 15den van de achtste maand vrij uitvoerig beschreven; en voorzeker is geen verder betoog noodig om in het licht te stellen, dat de Maangodheden der Chineezen ook al niets anders dan vergoddelijkte menschen zijn.

Omtrent de vereering van de Maan als Natuurgodheid valt weinig anders te zeggen dan hetgeen over de vereering van de zon in dezelfde hoedanigheid reeds in het midden is gebracht. Zij draagt in de theo-kosmologische bespiegelingen van den Chinees het karakter van echtgenoote van den God des Dags, van godin van het vrouwelijk beginsel (zie bladz. 375 en volg.) en van hoogste vertegenwoordiging van het vochtige element (bladz. 387 en volg.), doch treedt in die driedubbele rol hoofdzakelijk slechts in den eeredienst des Keizers op. Van de offerande, die deze Hoogepriester van het Rijk haar jaarlijks te Peking brengt, werd reeds op bladz. 374 met een enkel woord gewaagd.

Sterregoden. Dus was in de verbeelding der oude Chineezen het firmament toegankelijk voor aardsche stervelingen, en bijgevolg de weg geopend tot bezieling van de sterren. Zoo werd de Poolster verheven tot een god, die, naar de aarde dalende, de moeder van den eersten Taoistischen Paus bevruchtte (bladz. 57) en dus, zelfs in zijn goddelijk karakter, zijn oude menschelijke eigenschappen en het stempel van zijn aardsche herkomst niet verloochende.

De menschelijke oorsprong van de Sterregoden Wun Tsjhang en Khwej Sing , die respectievelijk in $$ 1 en 4 van onze beschrijving van den 3den van de tweede maand verhandeld werden, valt mede weinig te betwijfelen. Misschien vertegenwoordigen beiden slechts één en dezelfde godheid, en stelt de eerstgenoemde deze in haar menschelijke en de andere in haar bovenmenschelijke gedaante voor; althans, Wun Tsjhang wordt steeds als een oud, eerwaardig man met langen grijzen baard, en Khwej Sing als een geest of spookachtig wezen afgebeeld. In een uitvoerige verhandeling over hunne herkomst zegt Mayers (1):

„Like the God of War .... the God of Literature represents at least in some w degree a purely human original, and owes his divine personality to the system under wwhich the pontiff-sovereign of China wields authority to invest spirits of departed w mortals with divine attributes and powers .. The deity is represented under the

form respectively of a dignified and venerable sage, and of a wild, unearthly figure, y suggesting the idea of an excited demon rather than of a beneficent dweller among »the celestial spheres. This dual representation gives a clue to the origin of the rexisting belief with respect to the supernatural patrons of literature and study.”

Vervolgens haalt de schrijver' een in 1832 gepubliceerd Chineesch werk aan, „het Verslag van mijne Studiën” () geheeten, hetwelk mededeelt hoe Wun Tsjhang reeds onder de Tsjow-dynastie (1122 tot 249 vóór Chr.), en daarna nog vier malen onder verschillende vorstenhuizen, als menschelijk wezen rondwandelde op aarde. Volgens hetzelfde geschrift werd hij meermalen door de Keizers met eeretitels begiftigd, doch eerst door Zjuu Tsoeng van de Juen-dynastie in A. D. 1314 met den bijnaam Ti" (3) of godheid vereerd (zie boven, bladz. 138). Ook andere Chineesche werken beschrijven Wun Tsjhang als een wezen, dat in verschillende eeuwen als mensch op deze wereld leefde. Zou de Kai-ju-tshoeng-khao (1), een in 1790 gepubliceerde verzameling mengelingen van de hand van een zekeren Tsjao Jih (5), en het op bladz. 372 genoemde vervolg op Ma Twan Lin's Historische Encyclopedie; duch daar de verschillende mededeelingen zeer sterk uiteenloopen, gaan wij ze met stilzwijgen voorbij.

Den menschelijken oorsprong van de Godin van het Weefgetouw, van wie een monographie werd gegeven in de verhandeling over den 7den van de zevende maand, zijn wij niet in staat uit legendarischu of historische berichten te bewijzen. Evenmin dien van den Koeherder, haar hemelschen gemaal (bladz. 348). Doch dit mag volstrekt niet tot de gevolgtrekking leiden, dat zij niet evengoed producten van samensmelting van hemellichten met aardsche stervelingen zijn. Dit althans is zeker , dat de Chineezen hen wel degelijk met menschelijke eigenschappen omkleeden. Immers, zij laten hen met elkander geslachtelijke gemeenschap uitoefenen, doen het Weefmeisje van de ster, waarin zij huist, reizen naar die, waarin de Koeherder is gezeteld, offeren haar spijs en drank en bieden haar zelfs bloemen en blanketsel met tal van andere toiletartikelen aan (bladz. 349): redenen dus te over om in de beide stergodheden niet al te overhaast uitzonderingen op den grooten, algemeenen regel te zien.

Dat de oude astrologie de stervereering van het Chineesche volk krachtig in

(1) „Journal of the North-China branch of the Royal Asiatic Society”, jaarg. 1869–70; bladz. 31 en volg.

(3)吾學錄()()餘叢考(2) 趙翼.

de hand moet hebben gewerkt, werd in onze verhandelingen over den 3den van de tweede maand ($ 1) en den 7den van de zevende maand reeds met een enkel woord betoogd. Zij was het, die namen aan de hemellichten gaf in verband met de jaarlijksche bezigheden van het volk — namen, die voor een groot deel steeds menschelijke wezens in de gedachte riepen en dus de vereenzelviging der sterren met afgestorven voorvaders uiterst gemakkelijk maakten. De in dit werk verhandelde Sterregoden leveren hiervan sprekende voorbeelden op. Onderzoekingen naar den oorsprong van die namen behooren echter niet in dit werk te huis. Zij zouden voeren op het terrein der oude Chineesche astrologie en astronomie, hetwelk voor het eerst op groote schaal is ontgonnen door Dr. Schlegel, wiens „Uranographie Chinoise”, waarin de resultaten van zijne nasporingen wereldkundig zijn gemaakt, derhalve de baanbreker op een geheel nieuwen weg van oudheidkundige navorsching is.

$ 13.

DE GOD VAN HET VUUR.

Zijn menschelijke herkomst.

Na hetgeen in onze verhandeling over den 3den van de achtste maand te berde is gebracht, kan de menschelijke oorsprong van den ouden Vuurgod, die nog altijd onder den naam van Keukenprins voortgaat zijn belangrijke rol in het godsdienstig maatschappelijk leven van het Chineesche volk te spelen, ook aan geen twijfel meer onderhevig zijn. Zelfs had, gelijk ter aangehaalde plaatse is aangetoond, vereenzelviging van het zoo onmisbare element met een menschelijk wezen verschillende malen plaats; en genoegzame redenen zijn er dus, om ook ten aanzien van den Vuurof Keukengod geen afwijking van den algemeenen regel aan te nemen : de godheden in China zijn voorouders van het volk, en de godendienst is er slechts een ontwikkelingsproduct van den eeredienst der dooden.

$ 14.

ONDERLINGE EENVORMIGHEID VAN DOODEN- EN GODENDIENST.

De voorvaderlijke eeredienst schiep in China dagelijks nieuwe goddelijke wezens. Vandaar dat de goden en godinnen er zoo talrijk zijn. Zij worden op volmaakt dezelfde wijze als de vaderen, en tegelijkertijd met deze, vereerd, geofferd, voorgesteld en afgebeeld. Men duidt de goden en de dooden aan onder een gemeenschappelijken naam, en kent hun gelijkelijk de macht toe om de levenden te zegenen en te straffen.

Zoo zijn dan de voornaamste goden en godinnen van het Pantheon der EmoyChineezen in behandeling genomen, en is hun aller menschelijke herkomst duidelijk gebleken. Slechts eenige passeerden de revue nog niet: het zijn de Heeren der drie Werelden (bladz. 99 en volg., 353 en volg.), de Roodrok (bladz. 140) en de Schikgodin des Levens (bladz. 313 en volg.) — godheden, van wier aardschen loopbaan niets met zekerheid te zeggen valt en die veeleer den indruk maken van verpersoonlijkingen van denkbeelden, in het brein des volks ontsponnen. Het spreekt wel van zelf, dat lang niet alle goden en godinnen der Chineezen in de voorgaande regelen besproken zijn. Want hun aantal is legio in de volste beteekenis van liet woord: een zecr natuurlijk verschijnsel trouwens in een rijk, welks bewoners sinds de oudste tijden tot den huidigen dag nooit ophielden de overledenen reeds dadelijk na hun doud tot voorwerpen van vereering te verheffen, en dus geregeld hun Olympus met een nieuwen voorraad goden te voorzien.

te voorzien. Met het oog op die verbazende ontwikkeling van den voorouderlijken eeredienst valt het onzes inziens niet te betwijfelen, of zoogoed als alle Chineesche godheden, wier oorsprong en zijn later nog door de Westersche wetenschap onthuld mochten worden, zullen mede de uitspraak staven van den wijsgeer Spencer, den Darwin der ethnographie: „Using the phrase ancestor-worship in its wbroadest sense as comprehending all worship of the dead, be they of the same blood nor not, we conclude that ancestor-worship is the root of every religion” (1).

Bevestigen nu ook de godsdienstige handelingen van de hedendaagsche Chineesche natie en de denkbeelden, die haar offerdienst beheerschen, dat er tusschen hare voorvaderen en goden feitelijk geen verschil bestaat? En levert ook hare geschiedenis het bewijs dat de eeredienst der vaderen ouder, die der goden van jongere dagteekening is ? Het antwoord op deze vragen zal, zooals zich reeds vooruit laat denken, bevestigend zijn.

Uit verschillende plaatsen in dit werk is gebleken, dat de Emoy-Chineezen velen hunner goden offeranden op hunne geboorte- en sterfdagen brengen. Juist het

(1) „Principles of Sociology”, hoofdst. XXV, § 204. Ook Koeppen zegt: „Der Geisterglaurbe und Geisterdienst ist in Indien älter als der Brahmanismus, älter als die Veden, älter als die „Einwanderung der Arier; er ist die Urreligion der schwarzen Urbewohner, die Urreligion des ganvzen finnisch-türkisch-mongolischen Stammes im weitesten Sinne des Wortes mit Einschluss der „Chinesen, Tibetaner und Hinterindier; er hat sich trotz Brahmanismus und Buddhismus, trotz » Islam und Christenthum, sey's im Geheimen, sey's als öffeutlicher Cultus, fast in allen Geger den » Indiens erhalten, namentlich im Himalaya, im gesammten Dekhan, in Hinterindien und auf Ceylou, nja wenn man die Herzen und Nieren prüfen könnte, so würde sich wahrscheinlich herausstelien, „dass er daselbst im Stillen mehr Anhänger hat als irgend eine der genannten Religionen, wie ja vin Europa bis zu dem Zeitalter der gottlosen Aufklärung der Dämonenglaube, d. h. der Glaube an „Geister, Gespenster, Hexen, Kobolde, Zauberei, Wahrsagungen und Ahnungen mehr Bekenner #zählte als die Christliche Kirche. Das reine Buddhathum verwirst hun zwar den Dämonencultus, den

sogenannten Teufelsdienst, noch entschiedener als jeden anderen Cultus; indess hat es dem Einrdringen des Dämonenglaubens um · 80 weniger wiederstehen können, als es sich zu den untersten wVolksclassen, den Mischkasten bis zu den Tschândâlas herabliess”. – „Die Religion des Buddha"; bladz. 246, «von den Classen der Wesen".

« PreviousContinue »