Page images
PDF
EPUB

wzware

dat gewichtige document, hetwelk van 22 eeuwen vóór de geboorte van Christus dateert, wijst erop dat ten tijde van Keizer Sjoen reeds instellingen bestonden waar men de ouden van dagen onderhield en de jeugd onderwijs gaf (1), - instellingen die, naar men wil, de grondslagen vormden voor de latere groote kolleges van de hoofdstad (3). Reeds de groote Mencius (300 vóór Chr.) vermaande de vorsten zorg te dragen voor niet minder dan vier verschillende soorten van scholen die hij met name noemt en, volgens zijn zeggen, reeds bestonden onder de Hia- de Sjang- en de Tsjow-dynastiën (3) (2205 tot 300 vóór Chr.), want, zegt hij: rdan zal het volk vervuld worden v met ouder- en broederliefde, en geen grijsaard gezien worden op de straten en wegen met vrachten

ор de schouders” (1). Wie meer over het onderwijs in de oudste tijden van het Chineesche rijk verlangt te weten, raadplege o. a. Biot's bewerking van de op dat onderwerp betrekking hebbende hoofdstukken uit de Encyclopedie van Ma Twan Lin, uitgegeven onder den titel: „Essay sur l'histoire de l'Instruction publique en Chine.”

Ook thans nog wordt van het volksonderwijs in China zeer veel werk gemaakt. En hoewel het iedereen vrijstaat onderricht te geven; hoewel het Gouvernement het schoolwezen niet anders steunt en aanmoedigt dan door wijze lessen en vermaningen: toch zal men betrekkelijk zelden iemand aantreffen die niet lezen en schrijven kan. Eervolle regeeringsposten zijn slechts toegankelijk door het afleggen van de letterkundige staatsexamens, en het eerzuchtige, dat is het beste deel der natie, is er dus steeds op uit zich op studie toe te leggen en zich met alle oude, in hun oog eerwaardige, grondbeginselen van wijsbegeerte en regeeringsbeleid, van wetgeving en van vorstendeugd, te vereenzelvigen. Die studie, zij regeert aldus de natic en omringt, in theorie althans, den Keizerlijken troon : - zouden dus de Chineezen, die alles met afgoden bezielen, dan ook niet hunne beschermgeesten van de studie, van de letterkunde bezitten?

Zij hebben zelfs wel meer dan één Minerva, doch wij zullen slechts de vijf voornaamste Literatuurgoden, die in Foehkjen worden vereerd, in behandeling nemen. Zij zijn:

1. Wun Tsjhang , in Emoy gewoonlijk Bốen-Tshiong-Kong || geheeteu.

11. De wijsgeer Kwan , in Emoy Koan-Hoe-Tebe | * F.
111. Lu Sijen Tsoe 2 full mil, de Patriarch Lu, in Emoy Loë-Sijen-Tsów.

0 Li-ki, hoofdst. EU (Zic ook de welbekende historische Encyclopedie van Ma Tiwan Lin 馬端臨,gettield: 文獻通考, boek 40. () Mencius, boek à  , hoofdst. 3; Legge's vertaling bl. 118. Die vier scholen heeten 序,學 on 校, en moeten respectievelijk als dorps- en districtsscholen en staatsakademies voor hooger onderwijs worden beschonwd: (verg. 0. a, het Heilig Edict van Keizer Joeng Tsjing SIE E l, hoofdst. 6). © Mencius, boek R I 1. hoofdst. 3 en 7; Legge's vertaling bladz. 7 en 25.

[ocr errors]
[ocr errors]

IV. Kwej Sing , in Emoy meestal Khoi-Sing-Kong || A
V. De Roodrok, in Emoy Tsoe-I * ut genaamd.

Deze is de volgorde, waarin zij gewoonlijk naar gelang van den rang, dien zij in de godenwereld bekleeden, worden geschikt. Wun Tsjhang is hun hoofd, en zijn naam wordt als zoodanig in Emoy veel gebruikt als algemeene benaming voor het vijftal, zoo men dit als één lichaam noemen wil. Men spreekt dan van de ngów Boên-Tshiong (5) i. e. «de vijf Wun Tsjhang.” Wij zullen ze hier in het kort achtereenvolgens behandelen.

[ocr errors][ocr errors][merged small]

Deze godheid, die te Emoy, behalve den naam zooeven genoemd, nog dien van BoénTshiong -Koen (R) of Goddelijke Vorst Boén-Tshiongdraagt, behoort in het kader der godheden van den Staat te huis, dat wil zeggen onder dezulken, wier eeredienst naar Taoistische gebruiken is voorgeschreven bij Keizerlijk decreet. Hij is een god die gezegd wordt te huizen in het sterrenbeeld Wun Tsjhang, hetwelk zich vlak naast het vierkant van den Grooten Beer in de richting van den Wagenman bevindt en, volgens den „Sterrencanon” (), zeven sterren in den vorm van een halve maan bevat. Dr. G. Schlegel (0) identifiëert zes daarvan met Theta, Ypsilon, Phi, e en IX201 en 101 van den Catalogus van Piazzi in den Grooten Beer. Volgens den ouden historieschrijver Sze Ma Tshijen (9) bestaat het sterrenbeeld echter slechts uit zes sterren, terwijl weder anderen beweren dat Alpha (Dubhe) van den Grooten Beer alléén den naam van Wun Tsjhang draagt. Doch wat hiervan zij: onze Literatuurgod, wiens naam „literarische glorie of schittering” beteekent, wordt algemeen gezegd in het sterrenbeeld van dienzelfden naam te wonen, dat tevens, volgens de aangehaalde oude werken, den naam draagt van Thijen Foe (10): Hemelsche Boekerij of Encyclopedie.” Thijen Foe beteekent echter ook ,het Hemelsche Paleis”, en komt als zoodanig overeen met de benaming Wun Tsjhang Koeng (11) of whet Paleis van literarische Glorie", die eveneens aan het bewuste sterrenbeeld

gegeven

wordt. Zoowel als de vier overige Literatuurgoden behoort ook Wun Tsjhang tot het Taoistische Pantheon. Wij hebben op bladz. 29 reeds terloops er op gewezen, dat het

(1) 五文昌(2) 文昌帝君,
ok. Het werkje is vervat in de «Boeken van de Han- en de Wej-dynastie”

206 vóór tot 265 na Chr.).
(*) „Uranographie Chinoise”, bladz. 530. ☺ Zie zijne „Geschiedannalen” (bladz. 71), hoofdst.
27, "Boek der Werkkrachten des Hemels”: F (9) FH.

(") .

Taoisme de eenige eeredienst van zuiver Chineeschen oorsprong is, en evenals bijna alle godsdienstige sekten van het Westen de vereering des Heelals tot grondslag heeft genomen voor zijne leer. Wij hebben ook gezien dat het den materieëlen Hemel als Parelkeizer verheerlijkte en diende: wij kunnen er echter bijvoegen dat niet alleen die Hemel als ééne ondeelbare godheid werd vereerd, maar dat ook zijne onderdeelen: als de zon, de maan (12) en de sterren, met afgoden werden bezield. Het is datzelfde Taoisme hetwelk het uitspansel met goden bevolkte, de krachten der Natuur verheerlijkte en zich een Parnassus schiep evenals de Grieken, die immers ook het uitspansel tot tooneel maakten van de daden hunner mythologische helden, goden en godinnen. Het zijn de sterren die, in verband met hunnen stand aan den Hemel ten opzichte van zon en maan, in het oog van een primitief volk, hetwelk de ware oorzaken der natuurverschijnselen niet kent, de jaargetijden regelen, en daardoor absoluten invloed uitoefenen op het ontstaan en bestaan van al wat leven heeft op aarde. Zij doen dus warmte en koude elkander regelmatig afwisselen en kondigen de jaarlijksche perioden aan van regen en droogte, wind en sneeuw; zij bepalen daardoor de menschelijke bezigheden, oefenen invloed uit op de productie en derhalve op het geluk en het ongeluk van den mensch: in één woord, zij zijn de hoogere machten, die de wereld en al wat daarop is besturen en regeeren.

De eenvoudige waarneming van den loop der Natuur baarde den dienst der hemellichten en gaf geboorte aan astrologie en sterrenwichelarij: dit is het geval geweest bij al de Westersche volkeren der oudheid, en zoo is het bij de Chineezen gegaan. Nog kost het weinig moeite om in onze moderne godsdiensten de overblijfselen van den ouden Natuurdienst op te sporen, en wij hebben reeds gelegenheid gehad enkele voorbeelden daarvan aan te halen; doch bij de Chineezen gaat zulks met nog veel minder moeite gepaard, aangezien zij den ouden vorm van Natuur- en stervereering in zoo vele gevallen bijna onverbasterd nebben bewaard.

Als voorbeeld moge de godheid dienen dien wij nu aan het behandelen zijn, en die door geen enkelen beschaafden Chinees ergens anders zal worden gezocht dan aan den Hemel (13).

Als beschermgod van de studie, uitdeeler van geleerdheid en bevorderaar der wetenschap geniet Wun Tsjhang eene uitgebreide vereering. Men plaatst hem bijna even hoog als Confucius, en richt in den regel een tempel voor hem op nevens dien, welken men in bijna elke stad ter eere van China's grootsten wijsgeer heeft gebouwd. Confucianistische tempels bevinden zich gewoonlijk ter plaatse waar de letterkundige staatsexamens worden afgenomen, en dus de mededingers naar een graad uit alle hoeken des lands te zamen stroomen, en het is dus ook dáár, dat men de Wun Tsjhang-tempels zoeken moet. Maar te Emoy, dat geen departements- noch districts

[ocr errors]

(12) De zon en de maan behooren nog altijd tot de voorwerpen van Keizerlijken eeredienst, en zijn als zoodanig opgenomen in de Gezamenlijke statuten van de Groote (hedendaagsche) Tshingdynastie” tim.

(13) De reden waarom de ster of het sterrenbeeld Wun Tsjhang, en geen ander hemellicht, tot God van de Letterkunde werd verheven, hebben wij niet kunnen opsporen. Zij zal wel in de astrologische geheimen van verloopen eeuwen zijn gelegen.

[ocr errors]

hoofdstad is, en waar derhalve geene staatsexamens worden afgenomen, zijn de tempels van Confucius en Wun Tsjhang opgericht in den zoogenaamden giók piện (14), eene instelling van Gouvernementswege tot aanmoediging van studie. Soms tot driemalen 's maands verzamelt zich hier de studeerende jongelingschap van de plaats om deel te nemen aan den letterkundigen wedstrijd die er, onder bescherming van de Manderijnen, wordt gehouden ; de mededingers verblijven er den ganschen dag, worden er op kosten van de inrichting gevoed, en laten hunne opstellen keuren door een geleerde of gegradueerde van hoogen rang, die daartoe, hetzij met of zonder tusschenkomst van den Magistraat aangewezen is. De overwinnaar ontvangt gewoonlijk eene kleine geldsom ter tegemoetkoming in de kosten van zijne studiën, zooals het heet. De uitgaven van de inrichting worden gedekt door vrijwillige bijdragen, of bestreden uit een fonds van huizen en landerijen, hetwelk hoofdzakelijk wordt in stand gehouden met de boeten, die door de manderijnen in de rechtbanken opgelegd en tot het goede doel afgestaan worden.

Het is verder ter van den Hoofdgod der Literatuur, dat men in de zuidelijke provinciën van het Rijk allerwege pagodes met drie verdiepingen aantreft, die den naam dragen van "pagodes van letterkundige penseelen" ('s), d. w. z. van literarische bekwaamheden. Zeer dikwijls zijn zulke gebouwen ook gewijd aan den vierden Literatuurgod Kwej Sing, dien wij in § 4 zullen behandelen en die in de werkelijkheid (in Foehkjen althans) zijn voornameren collega geheel in de schaduw heeft gesteld. — Men wil dat Wun Tsjbang gedurende verschillende geslachten bij tusschenpoozen naar de aarde is afgedaald om zijn intrek te nemen in hoogbegaafde mannen en beroemde geleerden , en verschillende legenden werden uitgevonden om het feit te staven (16) van daar dat een bekwaam geletterde nog wel met de vleiende benaming van Wun Tsjhang wordt aangeduid, als ware hij eene incarnatie van de godheid. Zoo bestempelt men ook te Emoy eene vergadering van letterkundigen met den niet zeer nederigen naam van Boén-Tshiong hoi (1%), of „vergadering van Wun Tsjhang's.”

eere

§ 2.

DE WIJSGEER KWAN.

Onder dezen naam wordt de held uit het tijdperk der drie Rijken, wiens levensgeschiedenis wij in onze verhandeling over den 13den van de eerste maand beschreven hebben, als Literatuurgod vereerd. Wij hebben op bladz. 75 en 69 reeds aangegeven waaraan hij zijne verheffing als zoodanig heeft te danken, en kunnen dus volstaan met eenvoudig daarheen te verwijzen.

('') ; lett: rhet scherm of schutsel van jaspis.”
(4) ☆ part () Edkins, „Religion in China”, bladz. 107.
(2) 文昌會,

[ocr errors]

§ 3.

DE PATRIARCH LU.

Deze godheid, die te Emoy in den regel met den naam Loë Sijen-Tsów (18) i. e. zooveel als „Genius-Patriarch van den familienaam Loē,” wordt aangeduid, is een van de zoogenaamde acht Genii (Sijen TIL) der Taoistische sekte; doch alvorens wij ertoe overgaan iets omtrent hem ten beste te geven, dienen wij, tot beter verstand, met een enkel woord toe te lichten wat die Genii eigenlijk zijn. Behalve in een legio van goden en godinnen, die alle deelen des Heelals bevolken en alle

mogelijke Natuurkrachten bezielen en besturen, geloofden de oude Chineezen nog aan een ras van halfgoden: wezens die door hunne wijsheid en deugd met eene zekere hoeveelheid bovenmenschelijke macht waren begaafd, zich onzichtbaar konden maken en de onsterfelijkheid bezaten. Wij hebben hier dus te doen met een soort van geesten die tusschen de goden en de menschen in staan, die ongeveer het begrip badan aloes der Javanen en Balineezen vertegenwoordigen (19) en beschouwd kunnen worden als etherische wezens, feeën en elfen. Zij zijn voor een deel van historische herkomst. Vooral in de eerste eeuwen vóór de christelijke jaartelling waren een menigte van verhalen en legenden omtrent die Genii in omloop. Zij hiclden, zoo het heette, verblijf op verschillende onbekende eilanden van den Grooten Oceaan, hadden aldaar het levenselixir gevonden en leefden er buiten het bereik van alle menschelijke kwalen en rampen, ja zóó sterk was toenmaals dit geloof, dat door Keizer Tshin Sji Wang (20), den beruchten stichter van den Grooten Muur, een expeditie werd uitgezonden om die wonderbare eilanden op te sporen. Wij zullen er een paar van opnoemen en beschrijven.

Jing-Tsjow (21), d. w. z. Occaan-Eiland", vindt men verhandeld in het werk » Aanteekeningen omtrent de tien Eilanden” (22), hetwelk deel uitmaakt van de Compleete Verzameling der Boeken van de Han- en de Wej-dynastie” (23). „Het is y gelegen in den oostelijken Oceaan, is vierduizend vierkante mijlen groot en bevindt wzich tegenover Hwoei-Khi (24), het Zuiden van de tegenwoordige provincie Kiangsoe. Het is 700,000 mijlen van de kust verwijderd en brengt een bovennatuurlijk mos

[ocr errors]

#wezen

(*) 3 film. (") Roorda, »Javaansch Woordenboek”, bladz. 60. Badan aloes beteekent zooveel als etherische personen. «Naar het schijnt”, zegt Raffles — uzijn het wezens waarin vhet stoffelijke met het onstoffelijke is dooreengemengd, en die dus de menschelijke natuur zoowel als „die der geesten in zich vereenigen. Ik heb een man gezien, die gezegd wordt met een dergelijk

van het vrouwelijk geslacht te zijn gehuwd geweest en monsterachtige kinderen te hebben verwekt, doch niemand had er ooit een van gezien, zoodat ik veronderstel dat zij op de moeder r zullen geleken hebben.”

(*) * tra E 221—209 vóór Chr. (*ON (") + 1 c.
(*) Hierboven, noot 7. (**) 1.

[ocr errors]
[ocr errors]
« PreviousContinue »