Page images
PDF
EPUB

gebied in ontvangst wilden nemen, beweerde Tsjang I slechts zes mijlen te hebben toegezegd in stede van zeshonderd. Verwoed greep Koning Hwai hierop naar de wapens. Maar zijne troepen leden een geweldige nederlaag en het leger van Tshin rukte dat gedeelte van zijn grondgebied, hetwelk tusschen de Hwang-ho en de Jangtszekiang gelegen was, zegevierend binnen; de krijgsmacht, die hij nogmaals met inspanning van al zijne krachten bijeenbracht om een inval in het vijandelijk land te doen, werd ten tweede male teruggedreven, en het einde was, dat Koning Hwai zich genoodzaakt zag een vernederenden vrede te sluiten en het gebied tusschen de twee rivieren in handen van zijne vijanden te laten.

Inmiddels was Khoeh Juen van uit Tshi, waar hij zich, waarschijnlijk om de verbroken vriendschapsbanden tusschen dit rijk en zijn vaderland wederom aan te knoopen, een tijdlang opgehouden had, naar het hof van zijn zoo diep vernederden vorst teruggekeerd. Doch dit ontging de aandacht van den nieuwen vorst van Tshin , Tsjao Siang (19) geheeten, niet. Bevreesd dat Koning Hwai op den steun van Tshi zou rekenen en opnieuw een aanval wagen, zond hij plotseling zijn legers op, bracht zijnen tegenstander wederom een geweldige nederlaag toe en vorderde hem tot eene persoonlijke bijeenkomst op ter sluiting van een verbond van vrede en vriendschap. Koning Hwai zat nu tusschen twee vuren. Hij begreep zeer goed, dat bij eene weigering van zijnen kant een nieuwe aanval alle hoop op het behoud van zijn rijk voor hem in rook zou doen opgaan; doch ook evenzeer veesde hij in een strik te loopen en door zijn aartsvijand gevangen te worden gehouden. Khoeh Juen bezwoer hem den strijd liever tot het uiterste toe vol te houden dan zich in den leeuwenkul te wagen; maar zijn raad werd niet gehoord. Vertrouwende op de familiebanden, die tusschen zijn huis en dat van Tshin bestonden, trok Hwai zijn tegenstander te gemoet, doch wat Khoeh Juen voorzien had gebeurde: — hij werd gevangen genomen en zag zijn rijk nooit weer terug.

Zijn oudste zoon Khing Siang (3) nam nu onmiddelijk de teugels van het bưu wind in handen; en, daar hij zelfs meer nog dan zijn vader onder den vloed van Kin Sjang, den grooten tegenwerker van Khoeh Juen, stond, vel deze trouwe dienaar ten tweede male in ongenade en werd nogmaals weggezonden van het hof.

Al ronddolende kwam Khoeh Juen aan den oever der rivier. Hier ontmoette hij een visscher, klaagde dezen 'n roerende woorden zijn leed , nam een steen in de armen en wierp zich in het water. Dit geschiedde aan den Poh-Lo (?!) stroom, ter plaatse waar voeger de stad Lo-Hijen (22) lag; dat wil zeggen, zestig mijlen ten Noordoosten van de hedendaagsche a. ondissements-hoofdplaats Siang Jin (13) en dus niet ver van den zuidelijken oever van het Toeng-Ting (24) meer.

Tot zoover de Historische Geschr'ften van Sze Ma Tshijen. En de „Annalen

(*) 昭襄

襄()頃襄
(7) 泊 羅(1) 羅縣 (1) 湘陰()洞庭,

der verschillende Rijken van de oostelijke Tsjow-dynastie” (25), een hoog in aanzien staande historische roman, die op het punt van Chineesch volksgeloof voorzeker mede een woord in het midden brengen mag, voegt hier nog aan toe: Dit geschiedde op rden 5den van de vijfde maand. De dorpbewoners, hoorende dat Khoeh Juen zich „verdronken had, brachten als om strijd kleine roeibootjes te water onı hem op te »visschen ; doch vruchteloos. Toen maakten zij koekjes van gierst (zoogenaamde tsàng, waarvan door ons in den aanvang van § 1 reeds melding is gemaakt), en wierpen wdie bij wijze van offerande in de rivier ; maar vooraf wonden zij er bonte zijden dra«den om, uit vrees dat de „kiao-loeng” 's (26) ze anders zouden weghalen en verwslinden. En het drakenbootspel, dat zijn oorsprong vindt in deze poging om Khoeh "Juen te redden, heeft zich tot op den huidigen dag in stand gehouden en is een "volksgebruik geworden. Het volk richtte ook tempels voor hem op, en in de pewriode Juen-Foeng (27) van de Soeng-dynastie ontving Khoeh Juen van hoogerhand nden eeretitel van Heer, brandende van Zuiverheid” (28), die later nog verhoogd werd tot „Vorst, brandende van Trouw” (29)".

Het Supplement op de onderling overeenstemmende Geschriften,” (39) een kleine verzameling legenden, onder de Liang-dynastie (81) gecompileerd, verklaart dat gebruik om die koekjes met zijden draadjes te omwinden als volgt:

„Op den 5den van de vijfde maand wierp Khoeh Juen zich in de Poh-Lo rrivier. Het volk van Tsjhoe betreurde hem zeer, vulde op dien dag bamboekokers » met rijst en wierp die in het water om hem te offeren. In de periode Kjen-Woe "(32) van de Han-dynastie had een zekere Ngow Hwoei (38) van Tsjhang-Sja (34) een nverschijning van een heer, die zich bekend maakte als ,minister van de drie dor

[merged small][ocr errors]

(*) 7 hoofdst. XX. Deze roman omvat het tijdperk tusschen de 8ste en de 3de eeuw vóór Chr., toen China onder de dynastie der Tsjow in een groote menigte feodaalstaten was gesplitst. Zijne afwijkingen van de authentieke geschiedboeken zijn zoo luttel, dat hij bijna als historische bron geraadpleegd kan worden.

(9) L. De Chineezen onderscheiden negen soorten van draken of zoogenaamde vloeng” (Emoy ling), die, te oordeelen naar de beschrijving van hun welbekend en gezaghebbend hoofdwerk over Materia Medica (boven, bladz. 37, noot 42), alle tot de hagedisachtige dieren behooren. Het type van de soort, de eigenlijke vloeng”, is misschien wel de reuzekrokodil of kaaiman, die sedert lang in China uitgestorven schijnt en als zoogenaamde draak nog slechts een plaats onder de fabelachtige dieren inneemt. Wij zullen straks in het breede op dit onderwerp terugkomen. De v kiao-loeng” wordt in het zoo even genoemd werk beschreven als hebbende een lengte van tien voeten, een slangvormig lichaam en vier pooten. Hij is dus wellicht een groote salamander of Amblyrinchus en nadert, wat beschrijving aangaat, eenigzins tot den Iguanodon van de voorwereld, or meer nog tot den leguaan van Java (Varanus bivittatus ?)

(*) A. D. 1078 – 1086. (*) ! 公()忠烈王.

(")續齊諧記, van de hand van Woe Kium 吳均(")梁 A. D. 502 - 557.

(*) A. D. 25 — 56. () (*") Zie bladz. 92, noot 77. De stad ligt ten Zuidew van de plek, waar Khoeh Juen om het leven kwam.

iren

"pen” (35) en tot Ngow Hwoei zeide: „Gij weet dat men mij met zooveel ijver offeranden brengt, maar telken jare worden die door de „kiao-loeng” 's weggeroofd. „Indien men mij nu een weldaad wil bewijzen , zoo stoppe men de rijst met blade

van den Lijen (36) -boom vast en omwinde ze met veelkleurige zijden draadjes, , want de „loeng” 's zijn bang voor deze beide dingen”. Ngow Hwoei volgde dezen

raad, en dat men tegenwoordig op den 5den van de vijfde maand de rijstkoekjes "(tsàng), die men vervaardigt, eveneens met bladeren en bontgekleurde draden omnwindt, is nog een overblijfsel hiervan”.

Dit zijn nu al zoo de voornaamste verhalen, die de Chineezen omtrent het ontstaan van hun Drakenboot feest ten beste geven. Ook wijzen zij op den oorsprong van de rijst-en gierstkoekjes, die op den bewusten dag in het huisgezin geofferd worden ; . want in de tsàng, waarvan in den aanhef van § 1 gesproken is, herkent men immers onmiddelijk de koekjes en de bamboezen met rijst, die de bewoners van Tsjhoe als een offerande aan Khoeh Juen in het water wierpen, toen hij zich uit wanhoop had verdronken. Het eenige verschil is, dat de tegenwoordige bewoners van Emoy de rijst op de offertafels plaatsen en haar ook niet in kokers van bamboe doen , maar in plaats daarvan met de bladeren van die plant omwinden; - doch welke waarde moet voor het overige aan de aangehaalde legenden worden gehecht?

Naar onze meening is de tragische dood van Khoeh Juen alles behalve in staat behoorlijk rekenschap van het ontstaan van het Feest der Drakenbooten te geven. Want onaannemelijk is het zeker, dat het lot van een minister, die in ongenade is gevallen en zich daarom van het leven berooft, zulk een diepen indruk op een volk kan maken, dat zijn dood een feest in het leven roept, hetwelk van Peking tot Batavia wordt gevierd en allerwege de grootste populariteit geniet. De mogelijkheid van zoo iets laat zich buitendien het allerminst in China denken, waar geen burger zich inlaat met de politiek en het volk over het algemeen er ten hoogste onverschillig onder is hoe en door wien het wordt geregeerd, als men het slechts zijn rijst en de gewone vrijheid van handelen laat. En al ware het nu bewezen, dat de eenvoudige landbewoners op den oever der rivier, waar de zelfmoord van Khoeh Juen plaats had, zich haastten om zijnlijk te zoeken en het een plechtige begrafenis te bezorgen: zouden zij dan zoo

(*) = N * *. Een commentator van "de Droerheid verstrooid” (zie 200 even, nooit 12) zegt, dat een ambtenaar van dien naam oudtijds belast was met het beheer over de aangelegenheden der drie familienamen van het Keizerlijk huis. Deze familienamen vertegenwoordig. den waarschijnlijk de clan van den Keizer zelven, die van zijne vrouw en die zijner moeder, welke bijna altijd in naam verschillen, aangezien eene door de gewoonte geheiligde wet steeds in China het huwelijk tusschen personen van denzelfden familienaam verboden heeft. Tot zelfs op den huidigen dag dragen alle bewoners van een en hetzelfde dorp ook in den regel denzelfden familienaam; vandaar de naam „minister der drie dorpen. Nog altijd bestaat er te Peking een departement, dat met de regeling der Keizerlijke familiezaken is belast en de geslachtsregisters aanhoudt. Het is uit vijf leden samengesteld.

(7) 棟 Melia azederach. Zie Hoffman en Schultes, „Noms Indigènes d'un choix de plan. tes du Japon et de la Chine", 358.

onzinnig zijn geweest juist een jaar daarna wederom dergelijke pogingen aan te wenden, en vervolgens ieder jaar op nieuw, eeuw in eeuw uit?

Welk groot staatsman leeft bovendien maar een enkel jaar lang zóó diep in de herinnering van het gepeupel voort? De veronderstelling alleen lijkt ons reeds volkomen ongerijmd: in het kort, door een geval als dat van Khoeh Juen komt niet zulk een populair feest als dat der Drakenbooten in het leven. Wij zijn dus geneigd het verhaal eenvoudig te plaatsen in hetzelfde kader, waarin wij de legende van Kiai Tsze Thoei omtrent den oorsprong van het vuurverbod (37) en die van Hwang Tsjbao aangaande het ontstaan van de gewoonte om op den dag van het Gravenfeest de huizen met groen op te sieren (38) hebben gezet, namelijk in dat der overleveringen die wel is waar eene historische of half-historische gebeurtenis tot grondslag hebben, doch door de Chineezen men vergeve ons de uitdrukking met geweld er bij zijn gesleept om er een verklaring van hun duistere zeden en gebruiken uit te smeden.

Wat nog meer de zwakheid van de Koeh Juen-legende uit doet komen is het feit, dat zelfs Chineesche schrijvers van eeuwen her een tweede dergelijk geval te berde brengen om den oorsprong van het Drakenboot feest te verklaren, en aldus toonen dat zij zelven onderling verschillende meeningen zijn toegedaan. Ziehier wat de commentaar op den Kalender van King-Tsjhoe, het werk dat immers de zeden en gewoonten van de landstreek zelf beschrijft, waar Khoeh Juen leefde, werkte en stierf, en dus in deze als autoriteit mag gelden, nog vermeldt.

„Wat betreft den roeiwedstrijd (39) van den 5den van de vijfde maand : toen » Khoeh Juen zich aan den Poh-Lo stroom in het water wierp, was het volk zeer gewtroffen door zijn dood en zond roeibootjes uit om hem op te visschen. Uit de schuitwjes kiest men de lichte en de puntige, en noemt die vliegende eilandjes, en het eene "wordt beschouwd als waterwagen en het andere als waterpaard. De districtshoofden v met het volk gaan altegader naar den stroom, om er getuige van te zijn. Te Han«Tan (10) vindt men den steen van Tshao Ngo (*1), waarop geschreven staat: „Op den »5den van de vijfde maand, toen hij vorst Woe (42) te gemoet ging, voer hij tegen de "golven op en werd door het water verzwolgen.” Als dit zoo is, dan zou het feest »dateeren uit de oostelijke Woe-dynastie (43) en in Tsze Soe (44) zijn te zoeken, maar niet in Khoeh Juen zijn oorsprong hebben. De „Overleveringen van het landschap »Jueh” (45) zeggen, dat het Drakenboot feest ontstond onder den vorst van Jueh, Kow „Tsijen (46) geheeten, en dat het niet te verklaren is.”

Dit alles vereischt toelichting. In hetzelfde rijk Tsjhoe leefde ongeveer twee eeuwen voor Khoeh Juen een zekere Woe Sjee (47), eerste minister van staat. Door het

(0) Zie boven, bladz. 171. (38) Ibid., bladz. 196.
(*) 競渡,
(2) 鄂

, een stad in den zuidwestelijken hoek van de tegenwoordige provincie Tsjibli. (1) 曹

曹娥(*) 伍君(“)東吳()子胥()越地傳 (2)勾踐() 伍奢,

stoken van

een mededinger viel hij in ongenade en werd met zijn oudsten zoon ter dood gebracht; doch zijn jongere zoon Woe Juen (48), ook wel Tsze Soe (**) geheeten, nam de vlucht en ontkwam naar het hof van Woe (49). Deze staat was elf eeuwen vóór onze jaartelling gesticht, en omvatte een gedeelte der tegenwoordige provincies Tsjehkiang en Kiangsoe. Het gelukte hem aldaar tot invloed en aanzien te geraken; doch nadat hij achtereenvolgens twee vorsten met groote getrouwheid had gediend en vele expedities tegen zijn geboorteland had aangevoerd, viel hij in ongenade bij Koning Foe Tsjhai (50), die verbitterd was wegens zijne protesten tegen de uitspattingen van het hof. In het jaar 475 vóór Christus werd hij veroordeeld de handen aan zich zelf te slaan ; hij volvoerde den zelfmoord, en zijn lijk, in een lederen zak genaaid, werd ter hoogte van de tegenwoordige stad Soe-Tsjowfoe (52) in den stroom geworpen. In latere jaren stichtte het dankbare volk tempels hem ter cere; ja zelfs werd hij in den loop der tijden, naar aanleiding van zijn opname in den schoot der golven, vergoddelijkt als Geest van de Wateren (52).

De straf van vorst Foe Tsjhai voor zijne uitspattingen bleef echter niet uit. Want reeds een jaar nadat hij zijn wijzen raadgever gedwongen had zich het leven te benemen, leden zijne troepen een geweldige nederlaag in den veldtocht tegen het rijk Jueh (53), dat ten Zuiden van het zijne was gelegen en zich uitstrekte over een gedeelte van de tegenwoordige provincies Tsjehkiang en Foehkjen. Vreeselijk werd hij in het nauw gebracht. Zich zelven verwenschend omdat hij steeds den raad van Tsze Soe in den wind geslagen had, sloeg hij de handen aan zich zelf, en zijn rijk werd door Koning Kow Tsijen (64) van Jueh overrompeld en ingelijfd (65).

In het jaar 180 vóór Christus leefde er in de landstreek Hwoei-Khi (56), en wel in het Noorden van de tegenwoordige provincie Tsjehkiang, een meisje, Tshao Ngo (67) geheeten. Haar vader, die met snarenspel en gezang tooveren kon, voer op den 5den van de vijfde maand tegen den stroom op om den geest van de golven, vorst Woe (58), te ontmoeten ; doch hij viel in het water en verdronk. Zijn dochtertje, veertien jaren oud, liep langs den oever der rivier , huilende en weenende, nacht en dag zonder te rusten, en wierp zich na zeven dagen in den stroom. Eenige dagen later kwam haar lijk weder aan de oppervlakte, met dat van haren vader in de armen (").

(*) 伍員(中) 吳(")夫差() 蘇州府,m de provincie Kiangnan; lengte 118° 8' 55, breedte 31° 23' 25. (**) Mayers, Chinese Reader's Manual, 879.

(5) the (5") Zoo even, noot 46. (**) Mayers, op. cit., 139 en 276. (55) Reeds genoemd op bladz. 132, noot 24. (*") Zoo even, noot 41. (*") Het boek, getiteld # Foto of „Authentieke Geschriften van Hwoei-Khi,” van bovenstaande tragische gebeurtenis gewagende, spreekt van rden geest der golven" name a doch rhet Veld der Wonderen” * * zet daarvoor eenvoudig Vorst Woe te # in de plaats. Onder beide benamingen zal men dus hetzelfde wezen hebben te verstaan.

(5") Zie de twee in de vorige noot aangehaalde werken.

« PreviousContinue »