Page images
PDF
EPUB

Terwijl nu de muziek zich bijna onophoudelijk en slechts met enkele tusschenpoozen van rust doet hooren, en uit het met toeschouwers opgepropte tempelplein een dof gegons naar boven stijgt, prevelen en zingen de priesters onder het kloppen op den khók (71) hunne wonderdoende Tantra's of tooverformulieren, die ten doel hebben de offerspijzen en papieren voorwerpen tot in het oneindige te vermeerderen. Zij zeggen hunne gebeden op tot bespoediging der verlossing van de zielen, prevelen op zangerigen toon hunne litaniën ter verbidding van het gansche legio van Boeddha's en Boddhisattva’s en richten zich in de eerste plaats tot de patrones van Sakyamoeni's kerk op aarde Kwan Jin, wier hoofdbezigheid steeds tot op den huidigen dag het verlossen van de zielen uit de Hel is geweest. Op deze wijze hoopt het volk het doel van den avond, waarvoor het een deel zijner bezittingen heeft veil gehad, te bereiken en het rad der Sansara te versnellen, hetwelk toch eenmaal de hellewezens uit hun rampzalig verblijf omhoog zal moeten voeren tot doormaking van de vijf overblijvende gati of trappen van transmigratie (72).

te verschaffen. Wellicht doen zij dienst als zivnebe: lden van de oneindige vermenigvuldiging der oftergaven. Want niet alleen is de perzik steeds een geliefkoosd onderwerp voor de zangen van poëtasters en poëten geweest en allegorisch gebezigd geworden als symbool der vrouwelijke deugdeu (vergel. o. a. de ode uit het Boek der Liederen, die in noot 12 op bladz 68 is aangehaald), maar ook speelde zij een groote rol in de mystieke speculaties der Taoisten op de eeuwigheid des levens. De Koningin-Moeder van het Westrn, bet hoofd van de elleu en seriën op het Koeu-Loen gebergte, van wie reeds op bladz, 10 (noot 25) melding werd gemaakt, had, zoo zegt het boek der Oudhe. den van Keizer Woe Ti vau de Han dynastie” ( po f

), in de nabijheid van haar paleis een perzik boom, die maar eens in de drieduizend jaren vruchten droeg ev waarvan zij er eenige aan den genoemden monarch (140–86 vóór Chr.) afstool, onder mededeeling echter, dat men zich geen moeite behoefde te geven ze in deze wereld te planten, aangezien zij er toch niet konden groeien. Ook op ndere tijden schouk zij tie duizendjarige perzikken aan hare gunstelingen, althans volgens de „Verzameling van nagelaten Geschriften" A u : een werk dat waarschijnlijk uit de vierde eeuw dateert en geschreven is om bestaande leemten in de alleroudste geschiedboeken met een reeks van fabelachtige verhalen aan te vuilen. En eiudelijk weet het « Boek der Geesten en Wonderen," in noot 23 op bladz. 6 reeds genoemd, in ziju hoofdstuk over pde Oostelijke Wildernisseu" nog te vertellen van een vijfhonderd voet loogen perzik boom die in het Oosten groeit, bladeren van acht en vruchten van ruim drie voeten draagt, en pitten voortbrengt waaruit men door koken het levenselixir bereiden kan

Het is bijna ondoenlijk, en tegelijk zonder eenig nut, hier het legio van verhalen en legenden, waarin de perzik een hoofdrol speelt, zelfs maar aan te roeren. Doch wij mogen niet nalaten den jezer naar de fabel van bet broederpaar Sjun Thoe en Joeh Loei te verwijzen, die in onze verhodeling over den laatsten dag des jaars opgenomen is; want zij is het wellicht in de eerste plaats, die een behoorlijke oplossing van de vraag kan geen waarom men perzikken plaatst op de priesterlijke bidtribune van het voedingsfeest der zevende maand. Immers, een perzik boom diende, volgens die legende, tot richtplaats van de kwaadwillige geesten en demonen: zeer zeker dus moet de vrucht een voorwerp van ontzag en schrik voor de belhamels en raddraaiers onder de schimmen wezen, en vooral in staat zijn te beletten dat zij den geregelden afloop van het feest storen, de geldstukken nog vóór zij behoorlijk zijn betroverd, wegkapen en de omstauders of hunne medeschimmen plagen en hinderen.

(71) Zie bladz. 48, noot 81. (12) Vergel. boven, bij noot 16.

Zich zoo door een reeks van langdradige gebeden en formulieren heenwerkend, verliezen de priesters al meer en meer de aandacht van het volk, dat natuurlijk door al dat geprevel wordt vermoeid. Eindelijk echter komt, zooals aan alle aardsche dingen, ook aan hun vroom werk een eind. En terwijl een luide jubelkreet opstijgt uit de menigte en een golving over het volgepropte tempelplein gaat, neemt een der priesters de geldstukken op, die op de tafel onder den invloed van al die betooverende Tantra's tot in het oneindige vermeerderd zijn, en werpt ze den rondzwevenden schimmen toe; doch hunne tegenwoordigheid in de lucht belet volstrekt niet dat kinderen en bedelaars, die van alle kanten zijn toegestroomd om iets van den buit machtig te worden, onder oorverdoovend schreeuwen en tieren er zich meester van maken.

Vervolgens is een ander artikel aan de beurt, doch een waarom het volk zich minder bekommert. Het is het ambrosia, de nectar van de Goden, waarvan onder den naam van Amrita of Soma reeds bij vorige gelegenheden melding is gemaakt (73), en dat de priesters, van hume tribune af, ter laving van de rondzwevende schimmen met een groenen tak sprenkelen in de lucht. Eindelijk is ook deze plechtigheid ten einde en geeft een der aanwezigen, door eenige malen op een grooten gong te slaan, te kennen dat de voeding afgeloopen is en de schimmen lang genoeg gegeten en gedronken hebben.

Hierop lost zich de godsdienstige plechtigheid als door een tooverslag op in een woest tooneel van brandstichting en roof. Onder luid gejubel worden de papieren afgoden te voorschijn gehaald en onder toevoeging van veel offerpapier verbrand; men werpt de papieren huizen, tuinen en andere voorwerpen, die men voor de schimmen heeft bestemd, in den vuurhoop en steekt ook de schuit, de draagstoelen en de overige middelen van vervoer in brand. Hoog stijgen de knetterende vlammen op, en over het stare pvolle tempelplein werpen zij een spookachtigen en phantastischen gloed.

Te midden van al dat vuur maakt de reusachtige Phów-tów Kong een zonderling effect. Zijn groote, woeste oogen , als vlammen schietende door den gloed van het vuur, dat bezig is zijn onderste ledematen te verteren en in het holle beeld naar boven stijgt, rollen in hume kassen heen en weder door de werking van de opstijgende warme lucht; zijn veelkleurige kleederen kaatsen het licht in allerlei schakeeringen terug en worden stuk voor stuk door de vlammen aangetast , en zoo valt het gevaarte langzaam overzij om in een oogwenk tot rook en asch te zijn verteerd. Middelerwijl treden de tempelbestuurders voor om een lang vel rood papier met de namen der inteekenaren en inschrijvingen, het welk in den loop van den avond ten aanhoore van de verzamelde goden en schimmen luidkeels afgelezen werd, mede in de vlammen te doen opgaan.

Terwijl dit alles zoo van stapel loopt, vallen de omstanders op de offerspijzen aan om er van te halen wat zij kunnen. In een oogwenk zijn bijna alle eetwaren

[blocks in formation]

verdwenen en de rijstpyramiden omvergehaald; de stellage wordt onder hevig plukharen en vechten bestormd, en zij die het eerst den top bereiken grijpen wat te grijpen valt, om het hunnen vrienden en bekenden, die beneden zijn gebleven, toe te werpen. Kinderen geraken niet zelden in het gewoel onder den voet of worden van het getimmerte gedrongen, men dit heeft den overheden van Emoy wel aanleiding ge ngeven het plunderen der stellages te verbieden” (74), doch natuurlijk met niet veel vrucht. Deze eigenaardige ontknooping van een even eigenaardig godsdienstig offerfeest heet tsjhibeng kow-ping (75), „de stellage van de verlatenen berooven”, of ook wel bij verkorting tsjhibeng -kow: de verlatenen plunderen” (76).

Eenige oogenblikken later is het woelige feestterrein van straks weder doodsch en eenzaam als voorheen, en zijn van de plechtigheid geen andere sporen meer te vinden dan een houten getimmerte, welks kale stijlen, schaars door eenige smeulende puinhoopen verlicht, zich tegen den hemel afteekenen.

In buurten en wijken, waar geen tempels zijn, kan toch even goed een groot voedingsfeest voor de schimmen worden aangericht. Men slaat dan maar hier of daar de noodige stellages en tijdelijke godshuisjes op en verricht dezelfde ceremoniën, die in de voorgaande regelen omschreven zijn. Zulks wordt veelal door de schippers of bootlieden gedaan, die geen huizen hebben op den vasten wal en hun leven op het water slijten. Zij laten zich in den regel niet opnemen in de Oelamba-vereeniging der straat, in welks nabijheid hume vaartuigen ten anker of vastgemeerd liggen , maar vieren bij voorkeur een phów-tow voor eigen rekening, leggen geld bijeen en zetten offertafels aan de landingsplaats; doch groote stellages tot voeding van de geesten slaan zij zelden op. Wel echter huren zij komedianten om de etende schimmen bij de offertafels te vermaken; en niet zelden plaatsen zij èn offerande èn tooneel altegader in een groote schuit op eenigen afstand van den wal, ten einde hun Oelamba midden op het water te vieren. Zooals zich denkea laat, zet zulks aan de haven een groote levendigheid en vroolijkheid bij, daar tooneelopvoeringen in China steeds gepaard gaan met veel verlichting en muziek.

Een laatste eigenaardig voedingsfeest wordt dikwijls onder den naam van gien-á phów (77) of „kinderphów-towdoor het jonge geslacht op touw gezet. De jongens leggen namelijk geld bijeen, koopen offerartikelen in miniatuur en laten poppenspelers of zelfs wel komedianten komen ; doch natuurlijk zijn het veelal de ouders, die het

(74) Zie de „Kronieken van Emoy”, reeds in root 41 op bladz. 124 aangehaald ; hoofdst. xv. Tento .

| 176) Vandaar de Maleische benaming soembujang rampas, waaron. der het feest veelal in onze koloniën wordt aangeduid.

(77) E F

feest op touw zetten, en bijgevolg de kinder-Oelamba slechts een bloote herhaling in het klein van den grooten phów-tow dag doen worden. Over het algemeen echter ziet men de kinderphów-tów slechts zeldzaam vieren.

III. HET SLUITEN VAN DE HEL.

Na hetgeen reeds sub 1 van deze verhandeling is aangevoerd, blijft weinig meer omtrent de viering van deze gebeurtenis in het midden te brengen. Zij heeft plaats op den laatsten van de maand en heet ,het sluiten van de poorten der hel" koain tee-gík múng (78) of „het sluiten van den ingang van den afgrond” koaihàamkháo (79).

Dergelijke eetwaren en papieren offerartikelen, als aan de huizen bij gelegenheid van het openen der Hel opgedragen werden, treden nogmaals bij wijze van afscheidsmaaltijd op; en hiermede veronderstelt men dat de Hel gesloten wordt en alles in de Onderwereld op nieuw volgens het oude toegaat. Geen wonder derhalve, dat menigeen op dezen voor de schimmen zoo onaangenamen dag hen nogmaals voor het laatst wil troosten en met weldaden overstelpen, en menige straat of wijk, door het opdragen van een groote Oelamba-offerande, er het hare toe bijbrengt om den laatsten van de maand een tweede culminatiepunt in de reeks van voedingsfeesten te doen zijn, zooals op bladz. 335 bereids is aangestipt.

[merged small][merged small][ocr errors][ocr errors]

ZEVENDE MAANI), ZEVENDE DAG.

HET FEEST VAN DEN ZEVENDEN AVOND.

Stervereering in het Chineesche Rijk. Oorsprong van het sterrenbeeld „Weefmeisje”. De winter, eens het tijdperk van huiselijken vrouwenarbeid bij uitnemendheid. Het Weefmeisje als patrones der vrouwelijke handwerken. Huwelijken, gesloten gedurende het wintersolstitium. Reden waarom het Weefmeisje de godin van het huwelijksleven werd. Hare liefdesbetrekkingen met het sterrenbeeld „Koeherder”.

Offerande, door de vrouwen en meisjes in den avond van den 7den aan het Weefmeisje gebracht. Consecratie der amuletten van de kinderen. Het „bedelen om vaardigheid”. Vereering van het Weefmeisje in vroeger eeuwen en in de verschillende deelen van het Rijk. Viering van het feest in Japan. Offerande aan de Goden van de Letterkunde.

Vereering van sterren en sterrenbeelden is, zooals reeds bij een vroegere gelegenheid werd aangestipt, ten zeer voornaam onderdeel zoowel van den ouden als den modernen Chineeschen godendienst. Zij ontstond waarschijnlijk onder de bewoners van het Rijk van het Midden in hetzelfde tijdperk van ontwikkeling, waarin de volkeren van onze eigene Westersche Oudheid het Sabeisme begonnen te huldigen; dat wil zeggen, zoodra zij hadden geleerd den Hemel in zijn kringloop na te gaan en tot het besef gekomen waren, dat het de stand der zon met betrekking tot de sterren is die de jaargetijden regelt, de productie in het leven roept en daardoor absoluten invloed uitoefent op het bestaan en doen en laten van den mensch Zoo deze zienswijze juist is, dan moet de Chineesche stervereering uit hooge, zeer hooge oudheid stammen, en laat het zich bijgevolg gemakkelijk verklaren waarom de oorsprong van benamingen en attributen van vele hemellichten, waarvoor het volk zich heden nog ter aarde buigt, voor een groot gedeelte in een kleed van raadselen en een slechts voor gissing toegankelijk waas van geheimzinnigheid zijn gehald.

Zulks is, zooals op een vorige bladzijde (130) werd gezegd , met den Sterregod der letterkundigen, Wun Tsjhang, het geval: zoo is het ook met het sterrenbeeld „het Weefmeisje” tsiet-lóe (1), aan welks vereering de avond van den 7den der zevende maand is gewijd.

Die avond heet bij het volk tshiet-siáh (2) of „de zevende avond". En de

[merged small][merged small][ocr errors][ocr errors][ocr errors][ocr errors]
« PreviousContinue »