Page images
PDF
EPUB

zitten in den maneschijn onder het genot van een gezellig gesprek, koekjes, thee en wijn. De vruchten, die dien avond op de oflertafel prijkten, gaan voor uitstekende voorbehoedmiddelen tegen kiespijn en het wegrotten der tanden door; en daarom worden zij rondgediend en met graagte verorberd. Daar de Chineesche etiquette niet toestaat dat vrouwen zich in het gezelschap van mannen bewegen, vormen zij afzonderlijke groepjes in het achterhuis of op de binnenplaats waar geen profane blik van het sterkere geslacht haar kan bespieden, of, liever nog, bovenop het platte dak of een balkon, dat niet uitziet op de straat. Daar trachten zij het Mannetje in de Maan te zien te krijgen, of het Vrouwtje, of den haas, of een ander onbestemd iets waarvan men zichzelf niet goed rekenschap weet te geven, maar dat, indien het de goedheid heeft zich in een eenigszins herkenbaren vorm aan den maankijker te vertoonen, volgens de algemeene opvatting onfeilbaar zegen brengt. Degene, dien dit geluk treft, is bijgevolg zedelijk verplicht dankbaar neder te knielen en het hoofd herhaalde malen ter aarde te buigen.

Van oudsher waren de Chineezen groote liefhebbers van het kijken naar de Maan. Woe Ti, de Keizer die van 140–86 vóór Christus het roer van staat in handen hield, bezat, volgens de overleveringen, een terras dat hij had laten bouwen om naar de Maan

te kijken, en aan welks voet een vijver was gegraven van duizend voet breed. Wanneer hij nu het terras besteeg om te gaan zien hoe het beeld der Maan in dien vijver zich weerkaatste, dan beval hij den beambten van zijn paleis in den maneschijn te gaan spelevaren ; en 200 ontving de plaats den naam van n vijver van Hung Ngo's beeld” en terras om naar den Maanpad te zien”. Merkwaardig is het, dat — althans volgens het boek, hetwelk bovenstaande mededeelingen voor de nakomelingschap heeft bewaard (150), bij zulke uitstapjes van Woe Ti ook wijn met ingelegde kruiden en vruchten werden rondgediend, juist zooals, gelijk boven is aangestipt, tegenwoordig in Emoy bij het kijken naar de Maan geschiedt.

Een schrijver, in den Spiegel en Bron van alle Onderzoek” aangehaald (151), zegt, dat het kijken naar de Maan in het midden van den herfst van onbekenden tijd dagteekent en, te oordeelen naar de gezamenlijke dichtwerken der oude schrijvers, eerst ten tijde van Toe Tsze Mej (152) zou zijn in zwang gekomen. Hij haalt vervolgens een aantal personen aan, van wie het is geboekt dat zij op den bedoelden datum naar de Maan zijn gaan zien, en geeft ten slotte als zijne meening ten beste dat, al wordt het niet in geschrifte vermeld, het gebruik, waarvan zoo vele geval

(oo) Namelijk de Uitvorscher der Verborgenheden” L van Keizer Woe Ti, een werk, zoo het heet, van de hand van Kwoh Hijen 1 , die onder de Hau-dynastie leefde. Sommigen beweren echter, dat het eerst in de vierde of vijfde eeuw geschreven werd. Naar den inboud te oordeelen, verdient het werk wel eenigszins een plaats onder de apocryphe boeken. Onze aanhaling is aan het derde hoofdstuk ontleend.

(151) Hoofdst. II, J. (162) ft F *. Een der meest beroende dichters der Chineezen. Hij leefde van A. D. 712—770.

len in de boeken prijken, waarschijnlijk ook wel vóór Toe Tsze Mej zal hebben bestaan (158).

Om nu op de maankijkers van het moderne Emoy op den 15den van de achtste maand terug te komen: onder het eten van koek, gebak en offervruchten sluipen de vrouwen een voor een ongemerkt naar buiten om op een eigenaardige manier de toekomst te raadplegen, of, zooals zij het noemen, te gaan .wierook hooren" thia"g-hioeng (154). Elk doet zulks bij voorkeur zonder dat anderen er bij zijn, hetzij omdat men niet recht voor zijne bijgeloovigheid durft uitkomen, hetzij omdat het wierook-hooren uit den aard der zaak eenige geheimzinnigheid vereischt: iets wat terstond den lezer in het oog zal vallen, wanneer hij weet hoe het kunstje in het werk gaat. Voor het tabernakel van den huisgod of de huisgodin ontsteekt de vrouw, die de geheimen van de toekomst op het een of ander punt ontsluieren wil, eenige stokjes wierook. Zij prevelt al dan niet een kort gebed ; deelt de godheid de vragen mede, die zij omtrent het noodlot wenscht te doen ; verklaart vervolgens, dat zij in die en die richting de straat op wil wandelen ten einde een antwoord te verkrijgen en vraagt door tusschenkomst van de wichelblokken (155) de godheid af, of haar aan die zijde inderdaad een toepasselijk antwoord aan zal waaien. Vallen nu de blokken ongunstig, dan raadpleegt zij op dezelfde wijze den afgod over een andere richting, zoolang totdat een bevestigend antwoord haar streven kroont en zij zich, vol vertrouwen en hoop op goeden uitslag, naar buiten begeven kan.

De eerste woorden nu, die zij van een voorbijganger op kan vangen, knoopt ons vrouwtje in het oor. Zij keert naar huis terug; overweegt nauwkeurig of hetgeen zij heeft gehoord op de door haar gestelde vraag kan slaan ; wendt zich, zoo zij meent van ja, opnieuw naar den huisgod en laat dezen wederom door tusschenkomst van de blokken beslissing vellen op het punt. En vallen nu de blokken ongunstig, dan gaat zij nogmaals de straat op om andere woorden op te vangen, en houdt niet met wichelen op voordat zij een antwoord heeft bekomen, hetwelk de eer heeft de sanctie van den huisgod en de blokken weg te dragen.

Eigenlijk behooren, zoo zeggen de Chineezen, de vrouwen met een wierookstokje, dat voor het huistabernakel heeft staan branden, in de hand de straat op te gaan; doch het schijnt wel dat de vrees van te worden gezien door plaagzieke voorbijgangers, die zich misschien niet zouden ontzien met voordacht onheilspellende woorden uit te spreken, haar hiervan terughoudt. Indien de vrouwen echter, hetgeen ook menigmaal gebeurt, achter of aan de huisdeur gaan staan om woorden op te vangen, dan houden zij wel wierook in de hand.

In verreweg de meeste gevallen wordt de bovenstaande methode om de toe

(153) Vide to Oude Oorkonden van Kbuh-Wej”, d. i. het tegenwoordige arrondissement Wej-Tsjbwen Jil in de provincie Honan.

(154) Zje bladz 114, noot 66.
(156) Op de wijze, in nout 59 op bladz. 42 beschreven.

komst te raadplegen in zooverre gewijzigd, dat in plaats van wichelblokken wierookstokjes worden gebezigd om de richting te weten te komen, waarin men zich ter verkrijging van een antwoord te begeven heeft. Men werpt namelijk een wierookstokje, dat reeds een poos voor den huisgod heeft gebrand, in een bak met water, roert dit sterk om, wacht totdat het tot stilstand is gekomen en neemt vervolgens de richting, die door het drijvende staafje aangewezen wordt. In plaats van wierook bedient men zich zelfs wel van en houten lepel of zoo iets.

Zonder twijfel speelde in deze eigenaardige methode om de toekomst te ondervragen de Maan eens een voorname rol. Dit doet niet alleen het feit reeds denken, dat het wierook-hooren voornamelijk plaats heeft op de twee voornaamste vollemaansdagen van het jaar, en wel op den 15den van de eerste (156) en den 15den van de achtste maand als wanneer de Maangodin de heldin is van het feest; doch wordt vooral gestaafd door de attributen, waarmede de Maan, als voorspelster van het noodlot, steeds in China is omkleed geweest.

Reeds hebben wij haar op bladz. 375 in hare hoedanigheid van echtgenoote van de zon als hoogste verpersoonlijking van het vrouwelijk beginsel der Natuur leeren kennen, en dus als de oppermacht, die het lot van de vrouwelijke sekse regelt en bestiert. Wij hebben haar daarna nogmaals in het kleed van een Maanoudje zien optreden als Schikgodin des Huwelijks, niet alleen voor de vrouw in China, maar ook in Europa (bladz. 378 en volg.); eindelijk zagen wij haar door een enkelen blik van den geest, die haar bewoont, geluk en zegen nederzenden over den sterveling, die in den avond van den 15den van de achtste maand eerbiedig naar haar opziet (bladz. 405):stellig is dan ook het raadplegen van het geluk of ongeluk, dat de vrouw in de toekomst wacht, onder de volle stralen van de Schikgodin niet aan deze begrippen vreemd.

Doch buiten en behalve over het lot der vrouw, beschikte de Maan steeds in den loop der eeuwen over het weder en bijgevolg over den oogst, van welks welslagen het levenslot der gansche menschheid afhankelijk is. Steeds, was zij immers, zooals uit onze verhandeling over den Maanpad blijkt, zoowel in China als Europa de hoogste vertegenwoordiging van het vochtige element, hetwelk in den vorm van wolken en regens de aarde bevrucht, planten en boomen ontluiken en oogsten rijpen doet: - geen wonder dus dat zij voor de Chineezen , zoowel als voor de Westersche wereld, niet alleen als weerprofetes optrad een rol waarin zij reeds in de oudste werken van het Rijk van het Midden staat geboekt (157) — doch ook het groote boek van het noodlot werd, waarin de landbouwer, en met hem een iegelijk die zich met zijn oogsten voedde, de naaste toekomst trachtte te lezen. „The Moon", zegt Brand, sprekende over de rol van de Maan in ons eigen werelddeel, "served » not only for prognostications of the weather, but for the discovery of future events;

(150) Zie bladz. 114.
(167) Vergel, hetgeen in noot 79 op bladz. 391 is gezegd.

men

na

manen

»which, according to the popular creed, were therein dimly portrayed, and which vingenious illusion never failed to explain" (158).

Het spreekt wel van zelf, dat het hier de plaats niet is om de tallooze vorte

gaan, waaronder de Chineezen niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun gansche vaderland en zijne bewoners uit de Maan voorspellingen trekken. Een enkel voorbeeld slechts zij hier ingelascht, ten einde te bewijzen, dat onze hypothese over het verband tusschen dit hemellicht en het wierook-hooren van de vrouwen op deszelfs voornaamsten jaarlijkschen feestdag althans niet uit de lucht gegrepen is. Wanneer de kleur van de Maan in het blauwe overgaat, dan zal hongersnood de bevolking teisteren, doch vreugd en deugd zullen heerschen wanneer zij een gele tint aanneemt. Groote

Groote reden tot blijdschap bestaat er reeds als drie bijnevens haar verschijnen ; maar zoo zij iets draagt dat op een kap gelijkt en er zich vervolgens een kring rondom haar vormt, dan mag de geheele wereld dol van vreugile wezen en een iegelijk buiten zichzelf van blijdschap zijn (159). Geeft de Zoon des Hemels zich aan losbandigheid en uitspattingen over, dan zal de Maan voeten krijgen en,

zoo de familie van de Keizerin het roer van staat in handen heeft, tegelijk met de zon haar licht verspreiden (160); ja zij zal tanden en klauwen vertoonen, indien er oproerige plannen broeien onder de groote waardigheidbekleeders van het Rijk (1 6 1).

Niet minder dan de maanschijf zelf, raadpleegde men reeds oudtijds het Mannetje in de Maan ten aanzien van de toekomst, en wel op den 15den van de eerste maand, denzelfden dag waarop thans nog de vrouwen van Emoy gaan wierook-hooren. Een staaltje tot bewijs moge dit onderwerp besluiten. „In het jaar 296", zoo verhalen de „Overleveringen van Geesten en Genii” (1 6 2) — n zat Jin Sze (163), een

van Ngan-Ting (164), op den 15den van de eerste maand te huis en zond zijn „ kind heen, om te gaan kijken of er al dan niet wat bijzonders in de Maan was te nzien. Het kind zeide: „dit jaar moeten er hooge vloeden komen, want er is een man

man

(168) Observations on popular Antiquities”; bladz. 661.

(159) Men weet, dat door de Druiden eveneens geluk uit maaokringen werd voorspeld: Brand, op. et loc. cit.

(180) Men houde in het oog, dat de Keizer het zinnebeeld is van de Zon, en de Keizerin van de Maan: verg. bladz. 375.

(161) Spiegel en Bron van alle Onderzoek”, hoofdst. II; -
Vermeerderde en verbeterde Schatkamer van allerhande Zakeu”, hoofdst. I.

(169) Het boek, reeds op bladz. 58 genoemd. Koh Hoeng, de Taoistische schrijver, dien de lezer als wijsgeer Pao Phoh reeds op verscheidene plaatsen van dit werk heeft ontmoet, is er de samensteller van. Het bevat biographische aanteekeningen omtrent niet minder dan een negentigtal onsterfelijke wezens. Bovenstaand uittreksel is aan het negende hoofdstuk ontleend.

(16) # (164) **. Een arrondissements-hoofdstad van dien naam is golegen in de provincie Sjensi, op een breedte van 37'15' en een lengte van 107"09"; en een andere in de provincie Kansoeh op een breedte van 35'38' en een lengte van 102°18'. Het is niet duidelijk, welke van de twee bedoeld wordt.

rin met een regenjas aan en een zwaard aan den gordel”. Jin Sze keek zelf en w sprak: Wer zal oproer en oorlog komen!" --- Waar komt gij dit uit te weten?" wzeide bet kind. „De Man in de Maan voert schild, wapen en speer”, zoo sprak whij, wen er staat dus een groot oproer voor de deur; doch na dertig jaren moet „het wederom een weinig opklaren”. Later (geschiedden de dingen) inderdaad zooals » hij had gezegd.”

Tot besluit van deze verhandeling zij nog aangestipt, dat in den nacht van het Groote Herfstfeest menig Chinees zijn huis en menig schipper den mast van zijn vaartuig met een extra lantaren versiert. Dit gebruik, hetwelk, naar het schijnt, veel meer nog in Canton dan in Emoy wordt gehuldigd (165), wijst blijkbaar op een huldebewijs aan de Koningin des Nachts, die immers in het midden van den herfst in de grootste volheid van baar glorie aan den hemel prijkt, en behoort dus, zoo goed als het ontsteken van vuren ter eere van de zon, in die groote categorie van volksgewoonten te worden geplaatst, die vereering van de hemellichten door zinnebeeldige voorstelling der krachten, waaruit zij zich aan de menschheid kennen doen, tot grondslag hebben.

(165) Verg. Williams, «The Middle Kingdom”, hoofdst. XIV; en „Notes and Queries on China and Japan”, II, bladz. 147.

« PreviousContinue »