Page images
PDF
EPUB

komst te raadplegen in zooverre gewijzigd, dat in plaats van wichelblokken wierookstokjes worden gebezigd om de richting te weten te komen, waarin men zich ter verkrijging van een antwoord te begeven heeft. Men werpt namelijk een wierookstokje, dat reeds een poos voor den huisgod heeft gebrand, in een bak met water, roert dit sterk om, wacht totdat het tot stilstand is gekomen en neemt vervolgens de richting, die door het drijvende staafje aangewezen wordt. In plaats van wierook bedient men zich zelfs wel van en houten lepel of zoo iets.

Zonder twijfel speelde in deze eigenaardige methode om de toekomst te ondervragen de Maan eens een voorname rol. Dit doet niet alleen het feit reeds denken, dat het wierook-hooren voornamelijk plaats heeft op de twee voornaamste vollemaansdagen van het jaar, en wel op den 15den van de eerste (156) en den 15den van de achtste maand als wanneer de Maangodin de heldin is van het feest; doch wordt vooral gestaafd door de attributen, waarmede de Maan, als voorspelster van het noodlot, steeds in China is omkleed geweest.

Reeds hebben wij haar op bladz. 375 in hare hoedanigheid van echtgenoote van de zon als hoogste verpersoonlijking van het vrouwelijk beginsel der Natuur leeren kennen, en dus als de oppermacht, die het lot van de vrouwelijke sekse regelt en bestiert. Wij hebben haar daarna nogmaals in het kleed van een Maanoudje zien optreden als Schikgodin des Huwelijks, niet alleen voor de vrouw in China, maar ook in Europa (bladz. 378 en volg.); eindelijk zagen wij haar door een enkelen blik van den geest, die haar bewoont, geluk en zegen nederzenden over den sterveling, die in den avond van den 15den van de achtste maand eerbiedig naar haar opziet (bladz. 405): – stellig is dan ook het raadplegen van het geluk of ongeluk, dat de vrouw in de toekomst wacht, onder de volle stralen van de Schikgodin niet aan deze begrippen vreemd.

Doch buiten en behalve over het lot der vrouw, beschikte de Maan steeds in den loop der eeuwen over het weder en bijgevolg over den oogst, van welks welslagen het levenslot der gansche menschheid afhankelijk is. Steeds, was zij immers, zooals uit onze verhandeling over den Maanpad blijkt, zoowel in China als Europa de hoogste vertegenwoordiging van het vochtige element, hetwelk in den vorm van wolken en regens de aarde bevrucht, planten en boomen ontluiken en oogsten rijpen doet: – geen wonder dus dat zij voor de Chineezen , zoowel als voor de Westersche wereld, niet alleen als weerprofetes optrad – een rol waarin zij reeds in de oudste werken van het Rijk van het Midden staat geboekt (157) — doch ook het groote boek van het noodlot werd, waarin de landhouwer, en met hem een iegelijk die zich met zijn oogsten voedde, de naaste toekomst trachtte te lezen. „The Moon”, zegt Brand, sprekende over de rol van de Maan in ons eigen werelddeel, »served w not only for prognostications of the weather, but for the discovery of future events ;

(150) Zie bladz. 114.
(167) Vergel, hetgeen in noot 79 op bladz. 391 is gezegd.

- which, according to the popular creed, were therein dimly portrayed, and which vingenious illusion never failed to explain" (158).

Het spreekt wel van zelf, dat het hier de plaats niet is om de tallooze vormen na te gaan, waaronder de Chineezen niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun gansche vaderland en zijne bewoners uit de Maan voorspellingen trekken. Een enkel voorbeeld slechts zij hier ingelascht, ten einde te bewijzen, dat onze hypothese over het verband tusschen dit hemellicht en het wierook-hooren van de vrouwen op deszelfs voornaamsten jaarlijkschen feestdag althans niet uit de lucht gegrepen is. Wanneer de kleur van de Maan in het blauwe overgaat, dan zal hongersnood de bevolking teisteren, doch vreugd en deugd zullen heerschen wanneer zij een gele tint aanneemt. Groote reden tot blijdschap bestaat er reeds als drie bijmanen nevens haar verschijnen; maar zoo zij iets draagt dat op een kap gelijkt en er zich vervolgens een kring rondom haar vormt, dan mag de geheele wereld dol van vreugile wezen en een iegelijk buiten zichzelf van blijdschap zijn (159). Geeft de Zoon des Hemels zich aan losbandigheid en uitspattingen over, dan zal de Maan voeten krijgen en, zoo de familie van de Keizerin het roer van staat in handen heeft, tegelijk met de zon haar licht verspreiden (160); ja zij zal tanden en klauwen vertoonen, indien er oproerige plannen broeien onder de groote waardigheidbekleeders van het Rijk (161).

Niet minder dan de maanschijf zelf, raadpleegde men reeds oudtijds het Mannetje in de Maan ten aanzien van de toekomst, en wel op den 15den van de eerste maand, denzelfden dag waarop thans nog de vrouwen van Emoy gaan wierook-hooren. Een staaltje tot bewijs moge dit onderwerp besluiten. „In het jaar 296”, zoo verhalen de „Overleveringen van Geesten en Genii” (162) — "zat Jin Sze (163), een man van Ngan-Ting (161), op den 15den van de eerste maand te huis en zond zijn

kind heen, om te gaan kijken of er al dan niet wat bijzonders in de Maan was te wzien. Het kind zeide: „dit jaar moeten er hooge vloeden komen, want er is een man

(168) Observations on popular Antiquities”; bladz. 661.

(159) Men weet, dat door de Druiden eveneens geluk uit maaokringen werd voorspeld: Brand, op. et loc. cit.

(16") Men houde in het oog, dat de Keizer het zinnebeeld is van de zon, en de Keizerin van de Maan: verg. bladz. 375.

(161) Spiegel en Bron van alle Onderzoek”, hoofdst. II; -
Vermeerderde en verbeterde Schatkamer van allerhande Zakev”, hoofdst. I.

(169) Het boek, reeds op bladz. 58 genoemd. Koh Hoeng, de Taoistische schrijver, dien de lezer als wijsgeer Pao Phoh reeds op verscheidene plaatsen van dit werk heeft ontmoet, is er de samensteller van. Het bevat biographische aanteekeningen omtrent niet minder dan een negentigtal onsterfelijke wezens. Bovenstaand uittreksel is aan het negende hoofdstuk ontleend.

(163) # (164) * . Een arrondissements-hoofdstad van dien naam is gelegen in de provincie Sjensi, op een breedte van 37°15' en een lengte van 107'09”; en een andere in de provincie Kansoeh op een breedte van 35'38' en een lengte van 102°18'. Het is niet duide. lijk, welke van de twee bedoeld wordt.

rin met een regenjas aan en een zwaard aan den gordel”. Jin Sze keek zelf en isprak: ver zal oproer en oorlog komen !” — ,Waar komt gij dit uit te weten ?" wzeide bet kind. „De Man in de Maan voert schild, wapen en speer”, zoo sprak whij, men er staat dus een groot oproer voor de deur; doch na dertig jaren moet „het wederom een weinig opklaren”. Later (geschiedden de dingen) inderdaad zooals » hij had gezegd."

Tot besluit van deze verhandeling zij nog aangestipt, dat in den nacht van het Groote Herfstfeest menig Chinees zijn huis en menig schipper den mast van zijn vaartuig met een extra lantaren versiert. Dit gebruik, hetwelk, naar het schijnt, veel meer nog in Canton dan in Emoy wordt gehuldigd (165), wijst blijkbaar op een huldebewijs aan de Koningin des Nachts, die immers in het midden van den herfst in de grootste volheid van baar glorie aan den hemel prijkt, en behoort dus, zoo goed als het ontsteken van vuren ter eere van de zon, in die groote categorie van volksgewoonten te worden geplaatst, die vereering van de hemellichten door zinnebeeldige voorstelling der krachten, waaruit zij zich aan de menschheid kennen doen, tot grondslag hebben.

(165) Verg. Williams, «The Middle Kingdom”, hoofdst. XIV; en „Notes and Queries on China and Japan”, II, bladz. 147.

ACHTSTE MAAND, TWEE EN TWINTIGSTE DAG.

TWEEDE FEESTDAG VAN KEH-SING-ONG.

Keh-Sing-óng's geschiedenis heeft nog weinig door den tand des tijds geleden. Zijne feestdagen. Hoe hij wordt afgebeeld.

§ 1. Geschreven berichten omtrent den god. Oorsprong van zijn eeredienst. De oproerling Thang King. Hoe de afgod een brand bluschte in het Keizerlijk paleis. Invallen der Japaneezen, door hem gestuit. Bergvestingen in Foehkjen. Sophistische redeneering van een orthodox Chineesch schrijver.

§ 2. Volkslegenden omtrent Keh-Sing-óng. Invloed van de ligging van een graf op het geluk en de toekomst der nakomelingen. De wwind-en-water-meesters”. Geboorte van den afgod en oorsprong van zijn eeredienst. Zijn huwelijk na zijn dood. Toovermacht van een Taoistisch priester, door zijn tusschenkomst gefnuikt.

3. Bedevaarten naar den tempel van Keh-Sing-óng. Offeranden, hem aldaar gebracht. Huisofferanden ter eere van den god. Zijn namen en titels. Vergelijking tusschen bedevaarten in China en elders.

Nu de lezer met het wezen en de geschiedenis van de Godin der Genade, den God van den Rijkdom en den Hertog-Keukenprins is bekend gemaakt, en hem dus de rol van drie der op bladz. 8 van dit werk opgesomde huisgoden van de Emoy-Chineezen is onthuld, blijft ons nog slechts het een en ander over de vierde aldaar genoemde godheid in het midden te brengen, die, zooals reeds op bladz. 207 werd aangestipt, naast de Patrones der Zeelieden de eenige hoofdgodheid van zuiver Foehkjeneeschen oorsprong is. Het is vooral om deze reden dat de geschie

geleden heeft, niet mag ontbreken in dit werk, hetwelk immers mede aan de beschrijving der hoofdgoden van een gedeelte der bevolking van Foehkjen is gewijd ; te meer zoo, aangezien zij een merkwaardig voorbeeld aan de hand doet van de wijze, waarop in China afgoden ontstaan en tot eer en aanzien geraken

De twee hoofdfeestdagen van Keh-Sing-óng vallen respectievelijk op den 22sten van de tweede en den 22sten van de achtste maand. Een van beide moet de dag van zijn geboorte wezen, en de andere die van zijn dood; doch daar de Chineezen immer beide datums dooreenwarren is het ons niet mogen gelukken te weten te ko

wens, met de feestdagen van andere godheden, als den Keukenprins, de Godin der Genade en den Oorlogsgod is het niet veel beter gesteld, zooals op bladz. 366, 159 en 97 werd aangestipt.

Keh-Sing-ông wordt altijd voorgesteld met het eene been omhoog getrokken en op of tegen de dij van het andere geplaatst. In den loop van deze verhandeling zal de reden hiervan blijken. Wij zullen er thans toe overgaan een kort overzicht van de geschreven geschiedenis van den afgod en van de overleveringen en legenden te geven, die omtrent hem in den mond des volks in omloop zijn, en vervolgens iets over de bedevaarten in het midden brengen, die naar zijn tempel in de achtste

Igrimstochten zullen den lezer doen zien, dat ook China zijn Kevelaar, Salette of Lourdes heeft, en dus ook in dit opzicht niet bij onze Europeesche naties achterstaat. De tienduizend volkeren gelijken elkander" zeggen de Chineezen.

[ocr errors]

omen

§ 1.

GESCHREVEN BERICHTEN.

Buiten de noordelijke poort der districts hoofdstad Lâam-Oan (4), op ougeveer een dagreis afstands, ligt een tempel van hoogen ouderdom, "de tempel van afschrik en bescherming” (3) geheeten. Het volk noemt hem echter veelal „tempel van (den afgod) Keh" (3). De volgende berichten, die, al zijn zij nog al sterk met legendarische bijzonderheden opgesmukt, toch voorzeker tot op zekere hoogte vertrouwen verdienen, zijn getrokken uit de „Boeken van Min" (4) en de „Kronieken van TshuenTsjowfoe" (5).

Keh-Tiong-Hok (6), of Keh de Getrouwe en Gelukkige, was geboortig uit eene familie, die reeds eeuwen lang aan den voet van het gebergte met der woon gevestigd was geweest. Natuur had het jongmensch met een diepzinnig, om zoo te zeggen bovennatuurlijk karakter begiftigd, en hem bovendien met schranderheid en moed bedeeld. Toen hij zestien jaren oud was, nam hij een aarden kan met wijn, voerde zijn koe aan een touw naar de bergen, zette zich daar neder op den hoogsten top op. eenige zware rottingplanten en stierf met de beenen naar omlaag. Toen hij in dezen toestand werd gevonden, was de wijnpot geheel en al ledig en niets meer van de koe overgebleven dan de beenderen. In hunne droomen door hem aangezocht , richtten de dorpelingen weldra een tempel ter zijner eere op, en spoedig verspreid

(0) *. Op een klein uur afstands ten Westen van de departements-hoofdstad Tshuen-Tsjowfoe: zie Inleiding XI.

(2) H () # .

(*) *. Het hedendaagsche Foehkjen heette oudtijds Min, een naam, die ook thans nog wel in den deftigen stijl aan de provincie wordt gegeven. :

H (“) # T.

« PreviousContinue »