Page images
PDF
EPUB

nengehaald, dan deed de hoofdman den lof verkondigen van hen, die in het oorlogsjaargetijde van vorige jaren zich in den strijd tegen de naburige horden hadden opgeofferd voor het algemeen belang. Hij begiftigde hen met eeretitels, ten einde de eerzucht van zijne krijgers te prikkelen en hen aan te zetten het voorbeeld hunner gesneuvelde voorgangers te volgen; hij deelde de gewone jaarlijksche ondersteuning aan weduwen en

weezen uit en ging nogmaals op de jacht, met het doel om offerdieren machtig te worden ter verkwikking van de zielen der vaderlandsche helden. Hier ziet men zich dus door de Li-ki, dat eerwaardig letterkundig monument van ver vervlogen eeuwen, op eenmaal verplaatst naar een tijd toen er nog geen Chineesch Rijk bestond en het land onder vijandige stammen was verdeeld, die in voortdurenden onmin met elkander leefden. Wij staan hier voor den vroegsten dageraad van de Chineesche historie, doch hoever die in het verschiet ligt is zelfs niet bij benadering uit te maken. De oudste berichten uit de Sjoe-king dateeren van vóór vierduizend jaren: die van het Boek der Ceremoniën gaan zeer zeker veel verder terug. Want onder de half-fabelachtige Keizers Jao (50) en Sjoen (51), met wier regeering de . Sjoe-king aanvangt, bestond er, volgens dit werk, reeds een monarchie, en was dus de onderlinge onafhankelijkheid der volkstammen blijkbaar reeds aan het kwijnen en tanen.

In de alleroudste berichten omtren den economischen toestand van het Chineesche volk treedt de winter dus op als tijdperk van den krijg. Door de aanhoudende wederzijdsche aanvallen van roufzuchtige horden viel het volk in menigte. Dag uit dag in waren dus ceremoniën en plechtigheden noodig om de schimmen der gesneuvelden tot rust te brengen; krijgsgevangenen werden aan weerskanten gemaakt en, zooals bij onbeschaafde volken gewoonte is, aan den punt van de lans geregen - in het kort, er kwam geen eind aan treurfeesten en rouwbeklag. Het laat zich gereedelijk denken, dat reeds toen jaarlijksche feestdagen werden ingesteld om de gevallen stamgenooten van vorige winters te herdenken: de offerande van wild, waarvan het „Boek der Ceremoniën" spreekt, bewijst het. Hier ligt dan ook ongetwijfeld de kiem der hedendaagsche winterfeesten ter eere van de dooden.

Er bestaat ook buitendien een doorloopende beweegreden, die den winter steeds als het aangewezen tijdstip voor de vereering der vaderen handhaafde. Hij is immers het natuurlijk tijdperk van den dood. Overal leven en bloei verwekkend, trad de zon in de lente als een schoone Adonis op. In den zomer tot een krachtigen Hercules opgewassen, bracht zij de aarde tot haar toppunt van voortbrengingsvermogen en vruchtbaarheid; doch hierop liet zij meer en meer haar glorie tanen en daalt nu in den winter als een afgeleefd grijsaard in het graf. Levens kracht en leven kwijnen en verdwijnen met de zon. De Geest der Duisternis, des Doods, de Jin viert zijn

(60) # 2356—2258 vóór Chr.
(6) 2255—2205 vóór Chr.

1

overwinning; planten en kruiden sterven af, de boomen verliezen hun gebladerte en een koude adem des doods strijkt over het aardrijk heen. Daarom werden, zooals de wijsgeer Lioe Ngan zegt, in overoude tijden «boeten en lijfstraffen opgelegd en degenen die zwaar gestraft moesten worden ter dood gebracht in de eerstu maand nvan den winter" (52); daarom werden ook, volgens de Ritualen van Tai den Ouderen” (53), in de laatste wintermaand rrechtszaken onderzocht en straffen bepaald" (5*); daarom eindelijk worden nog tegenwoordig, in navolging van de Ouden, de executies, zooveel als maar met de omstandigheden overeen is te brengen, in China uitgesteld tot in den winter, het tijdstip van het afsterven der Natuur opdat deze vooral niet door tegen haar geest gerichte handelingen worde vertoornd of door zondige inbreuken op hare functiën geschokt.

Is het winterjaargetij in zijn geheel reeds het tijdperk van den dood: het solstitium als zijn middelpunt is het des te meer. Het levendmakend beginsel der Natuur is alsdan met den Zonnegod geheel en al afgestorven en wordt eerst berbören op oligeveer 25 December, wanneer het solstitium geëindigd is: geen wonder dan ook, dat sinds overoude tijden die dag van de heerschappij des doods als bijzonder geschikt voor de vereering der afgestorvenen werd beschvuwd. Hierbij komt nog dat het Beginsel der Duisternis, de Jin, op den kortsten dag des jaars in het hoogste stadium van kracht verkeert en dus (men vergelijke hetgeen hieromtrent op

bladz. . 334 reeds is gezegd) de invloeden, waarmede de Jang of het Beyinsel des Lichts de schimmen in hun vrije beweging steeds belemmert, tegenwerkt met al de kracht die het in zich sluit, zoodat de zielen op dat tijdstip dan ook ongehinderd kunnen trekken en reizen en aan de offermaaltijden deelnemen.

(52) Hwai-nan-tsze, hoofdst. V.
("s) Boven, bladz. 201, noot 64.
(*) Op. cit., hoofdst. VIII.

TWAALFDE MAAND, ZESTIENDE

DAG.

LAATSTE FEESTDAG TER EERE VAN DE AARDE.

Offerande aan de Aarde. Feestmaal ter onthaling van be lienden, handelsemployé's en schuldeischers. Oferande aan de Aarde op den 2den van de twaalfde maand.

Op bladz. 125 werd reeds aangestipt dat deze dag, de laatste in het jaar die nog speciaal aan de vereering van den Aardgod is gewijd, bée-gée of vlaatste géedag" heet. Tevens werd ter zelfder plaatse een verklaring van dezen naam ten beste gegeven: wij kunnen dus hier met een enkel woord over de huisofferande van den dag volstaan.

De offergaven, die den Aardgod op den 16den der twaalfde maand aangeboden worden, zijn van hetzelfde gelalte als die welke op den 2den van de tweede maand op zijn offertafels verschenen (vergel. bladz. 124), doch het aantal der schotels is in den regel grooter. Dit komt doordien zij, althans in de woningen der meer geze en handelaars, na afloop van de plechtigheid, die op de gewone wijze in het werk gaat, dienen moeten om gasten te onthalen. Zooals reeds op bladz. 124 is gezegd, werd een feestmaal ook op den eersten géedag aangerecht, maar bepaalde men zich toen tot het uitnoodigen van de bedienden en ondergeschikten ; thans echter, op den 16den van de twaalfde maand mag elke bekende die maar wil zonder invitatie binnenkomen, en würdt dus open tafel gehouden. De oorsprong van dit gebruik moet wellicht worden gezocht in de prijzenswaardige gewoonte der Chineezen om vóór het einde van het jaar zoo mogelijk alle schulden te vereffenen een gewoonte, die van zelf medebrengt dat vanaf den laatsten geedag de schuldeischers rondloopen om te manen en natuurlijk goed dienen onthaald te worden, opdat zij nog eenige dagen uitstel van betaling geven. Op grond hiervan heet het dan ook veelal van of tegen een maner, dat whij aan de deur komt kloppen om het bée-géemaal te gebruiken:” phah múng tsiáh bée-geé (1).

Hebben de bedienden tot het einde toe aan den maaltijd deel kunnen nemen

(1) 樸門食 尾牙,

zonder dat hun van den kant des meesters de dienst is opgezegd, dan achten zij zich stilzwijgend voor het volgend jaar op nieuw aangenomen. Voldeden zij echter niet in het loopende jaar, dan wordt hun met zoete, zachte woordjes en onder bedekte termen te kennen gegeven dat zij inrukken kunnen en dezen maaltijd als hun afscheidsmaal beschouwen moeten.

Ten slotte zij gezegd, dat sommigen ook den 2den van de twaalfde maand met een offerande aan den Aardgod vieren en dezen datum, in plaats van den 2den van de tweede maand, met den naam van tháo-gée (9) of neersten géedag” bestempelen. De laatste géedag, of de 16de van de twaalfde maand, heet ook wel toā-gée (3) of mgroote geédag":

[blocks in formation]

TWAALFDE MAAND, VIER EN TWINTIGSTE DAG.

HEMELVAART DER HUISGODEN.

§ 1. Reis van den Keukengod en de overige huisgoden naar den hemel. Afscheidsmaal, hun aangeboden. Legende over den oorsprong der vereering van den Keukengod in de laatste wintermaand.

§ 2. Papieren paarden, voertuigen enz., voor de huisgoden verbrand. Het schoonmaken en herstellen van het huistabernakel. Ontvangst der tijdelijke plaatsvervangers van de huisgoden op den volgenden dag.

[ocr errors][merged small]

Op bladz. 23 werd reeds aangestipt, dat volgens het Chineesche volksgeloof de huisgoden, en speciaal de Goden van de Stookplaats, op den 24sten van de twaalfde maand ten hemel stijgen om den Hemelgod verslag te doen over het gedrag hunner beschermelingen gedurende het bijna verstreken jaar (“). Geen wonder dus dat men , om hen gunstig te stemmen, vóór hun vertrek hun een overvloedigen maaltijd bereidt als hartsterking voor de reis

Voor het tabernakel, waarin de huisgoden zijn opgesteld, wordt een reeks van offerspijzen geplaatst van hetzelfde gehalte als die, welke men op den 4den van de eerste maand, toen de goden van hun bovenaardsche reis terugkeerden, hun aanbood als welkomsmaal (zie bladz. 24). Een gedeelte echter zet men voor de stookplaats als extra offerande voor den Keukengod, die daar zijn zetel opgeslagen heeft. Zoodra het stereotype wierookbranden, knielen en buigen voor beide offertatels afgeloopen is, trekken de huisgenooten zich terug , ten einde de goden rustig te laten eten en brengen middelerwijl de artikelen in gereedheid, die dezen zullen dienen tot

(') Den oorsprong van dit volksgeloof hebben wij reeds op bladz. 361 trachten te verkla. ren. De hedendaagsche Keukengod was immers oudtijds de God van het Vuur, en wel speciaal van de offervuren: evenals Agni der Brahmanen bracht hij dus de offeranden naar de Goden en was bij derhalve de natuurlijke bode tusschen de hoogere machten en den mensch.

« PreviousContinue »