Page images
PDF
EPUB

den ontspinnen in het brein van een volk op een vrij hoogen trap van beschaving. De rol dier planten in het kader van bezweringsmiddelen, en vooral die van den perzik in haar tallooze ontwikkeling vormen, werd reeds uitvoerig genoeg in dit werk beschreven, en wel op plaatsen, die de lezer in den index kan aangegeven vinden. Twee laatste afweringsmiddelen eindelijk, doch die als zoodanig in het land der EmoyChineezen reeds schijnen te hebben uitgediend, namelijk mertjons en touwen, werden nog respectievelijk op bladz. 7 en 483 behandeld.

$ 7.

HOE MEN DE GEESTEN GOEDGUNSTIG STEMT.

VOORVADERLIJKE EEREDIENST.

De middelen om de geesten gunstig te stemmen zijn de grondleggers van den eeredienst der voorouders en van alle godsdienstplechtigheden in het algemeen. Voorvaderlijke eeredienst bestaat of bestond overal, en bezit thans in China een hoogen graad van ontwikkeling.

I. Het plaatsen van spijzen naast het lijk en op het graf. Zorgvuldigheid ten aanzien van het gebeente en de begraafplaatsen.

II. Het medegeven aan den doode van allerlei benoodigdheden en van menschen in het graf. Suttisme in het oude China. Menschelijke afbeeldsels, begraven met de dooden. Suttiisme bij de Tartaren. Het verbranden van papieren poppen bij de lijkplechtigheden.

III. Brandoffers van geld, kleederen, huisraad en andere benoodigheden ten geriere van de dooden zijn zoowel bij de Chineezen als bij verschillende andere volkeren in zwang. Alle offerartikelen hebben een duplicaat, hetwelk de zielen zich toeëigenen kunnen.

IV. Offeranden van spijs en drank ten behoeve van de dooden.

V. Tempels voor de dooden geven vooral getuigenis van de hooge vlucht, die de eeredienst der vaderen in China heeft genomen. Hun geleidelijke ontwikkeling uit de graf heuvels, die de eerste offeraltaren waren.

VI. Het zielebord; zijn reden van bestaan. Het staat ten nauwste in verband met de af beeldsels, die bijna alle volkeren van hunne dooden maken. Zijn oudste vorm was dan ook zeer zeker een beeld. Thans nog vervaardigen de Chineezen zoowel beelden als portretten van de dooden.

Het denkbeeld dat de geesten van de dooden voor verreweg het grootste gedeelte steeds geneigd zijn kwaad te doen, doch meer vriendschappelijk gezinde zielen hunne aanvallen krachteloos kunnen maken, zal, waar het eens gevestigd is in het brein van den onbeschaafden mensch, van zelf de overtuiging scheppen dat de onzichtbare wezens gunstig voor de levenden kunnen worden gestemd. Het gansche heirleger van godsdienstige gebruiken, die in zoo eindelooze verscheidenheid van vorm en ontwikkeling in alle streken en hoeken van den aardbol hun machtigen invloed op het doen en laten der volkeren doen gelden, heeft aan deze eenvoudige opvatting van den onontwikkelden mensch zijn ontstaan te danken.

Immers, daar het uit de natuurlijke evolutie der menschelijke begrippen voortvloeit dat de geest van den doode het alleroudste type van alle bovennatuurlijke wezens is, en het bovendien als een voldongen feit mag worden aangemerkt dat het geloof in zijn voortbestaan door alle volkeren, van de wildste af tot de meest beschaafde toe, wordt gedeeld -- daarom ligt het voor de hand dat de middelen om de dooden gunstig te stemmen niet alleen de eerste vormen van allen eeredienst moeten wezen, maar ook, al is het hier en daar slechts als nagalm of overblijfsel, alom moeten bestaan waar begrippen omtrent hoogere wezens gehuldigd worden. Deze gevolgtrekking, voor de godsdienstwetenschap een aangenomen waarheid, wordt door Spencer in het 20ste hoofdstuk van zijn werk breedvoerig ontwikkeld en met tallooze voorbeelden gestaafd. En slaat men een blik op de Chineezen, dan merkt men niet slechts op dat zij geen uitzondering op den algemeenen regel maken, maar zelfs dat zij dien dienst der dooden, in stede van hem, zooals in het Westen is geschied, door hoogere vormen van eeredienst te hebben laten overvleugelen, altijd zoo zorgvuldig hebben gekoesterd en gekweekt, dat hij thans in hun Rijk een graad van ontwikkeling bezit zóó hoog als wellicht nergens ter wereld ooit is gekend. Met de feiten, aan het volksleven ontleend en in dit werk neergelegd, tot richtsnoer, zullen wij hem stap voor stap in zijn ontwikkelingsgang en uiterlijk voorkomen trachten na

nu

te gaan.

I. Het plaatsen van spijzen naast het lijk en op het graf. Zorg voor het gebeente en de begraafplaatsen. Dat de bewoners van Emoy de geesten van de dooden onmiddellijk na het overlijden en vervolgens op het graf voorzien van spijs en drank, ten einde hen (200 was althans waarschijnlijk het allereerste denkbeeld) te bewegen het lichaam weder te bezielen ; alsook hoe zij uiterst veel zorg besteden aan het gebeente en de rustplaatsen der ontslapenen, met het doel om wraakneming der vertoornde geesten te voorkomen – dit alles werd reeds in § 4 van dit hoofdstuk ontwikkeld en behoeft hier dus niet nader te worden toegelicht.

Het offeren van menschen aan de dooden. De schimmen hebben in het andere leven dezelfde behoeften als de levenden: dit is eene opvatting, die, blijkens § 5, uit den natuurlijken ontwikkelingsgang der menschelijke denkbeelden noodzakelijk moest ontstaan. Geen wonder dan ook dat de Chineezen, hand aan hand met zooveel andere volkeren van den aardbol, hunnen dooden niet slechts allerlei voorwerpen medegeven in het graf, maar zelfs nu en dan gevallen van Suttiisme op hun bodem dulden. Dit eerste pant behoeft hier niet besproken te worden, omdat het geheel en al buiten het kader van de zeden en gebruiken ligt, aan welker beschrijving dit werk is gewijd; het andere werd op bladz. 442 en volg. reeds met eenige uitvoerigheid behandeld.

Het offeren van menschelijke wezens aan de schimmen van de dooden, een natuurlijk uitvloeisel van de meening dat de zielen in het andere leven behoefte aan hun diensten, hun gezelschap hebben, behoort, blijkens hetgeen ter aangehaalde plaatse is aangevoerd, thans in China tot de onbekende dingen, doch was er eertijds wel degelijk verbonden aan de begrafenis der grooten. Dit bevestigen zoowel de oude geschiedboeken van het Rijk als eenige thans nog in zwang zijnde begrafenisgebruiken, die ongetwijfeld verouderde overblijfselen van vroeger Suttiisme zijn. De zoogenaamTso-tsjhuen of Overleveringen van Tso Khioe Ming", de oude oorkonden op bladz. 171 in noot 29 genoemd (1), verhalen dat drie edellieden, broeders, den hertog van Tshin (), Moeh (3) geheeten, in 620 vóór Christus volgden in het graf, en dat het volk deze gebeurtenis ernstig hekelde in een gezang, hetwelk zich tot op den huidigen dag in het Boek der Liederen" (*) heeft bewaard. Toonbeelden, bölwwerken en verdedigers voor honderden mannen waren zij”, zoo luidt het, ren met wangst en schrik voelden wij ons vervuld bij het afdalen naar den graf kuil. O azuur, blauwe Hemel daar, men maakte onze goede natuurgenooten af! Zoo zij vrijgekocht whadden kunnen worden, honderd menschen hadden zich voor hunne lichamen bewschikbaar gesteld". De afschuw der eigenlijke Chineezen van dien tijd voor het wreedaardig gebruik hunner naburen, die uit het aangehaalde dichtstukje van de Sji-king spreekt, zou lichtelijk het vermoeden doen rijzen dat Suttiisme bij hen tot de onbekende dingen behoorde. Dit was echter, naar het schijnt, nog lang niet het geval. Want van Tsjhan Khang (o), een leerling van Confucius, wordt verbaald dat, toen zijn broeder was komen te overlijden en zijn vrouw en major-domo dezen een levende wilden medegeven in het graf, hij de uitvoering van dit plan wist te beletten door hen in overweging te geven dan maar zichzelven op te ofleren (19).

Volgens de Sji-ki of „Historische Geschriften” van Sze Ma Tshijen (zie bladz. 278) volgden bij die gelegenlieid niet minder dan 177 menschen hertog Moeh in den dood (5). Zijn oom, die eenige jaren vóór hem het roer van staat in handen had gehad, kreeg, volgens denzelfden autoriteit, 66 lieden naar de andere wereld mede, en zou de eerste zijn geweest ter wille van wien Suttiisme in praktijk werd gebracht, doch het lijkt ons tamelijk onwaarschijnlijk toe dat deze barbaarsche gewoonte zoo op eenmaal zou te voorschijn zijn gekomen, in stede van zich langzamerhand uit een natuurlijk ontwikkelingsproces van denkbeelden van eeuwen te ontspinnen. Intusschen schijnt het, dat zij van vreemden bodem naar het Rijk van het Midden werd overgeplant. De staat Tshin besloeg, zooals reeds op bladz. 279 is gezegd, den meest noordwestelijken uithoek van het Chineesche Rijk. Zijne bevolking huldigde -- althans 200

men den geleerden commentaarschrijver Jen Tshan (6) uit de dertiende eeuw gelooven mag — veel van de gewoonten der barbaarsche stammen, waaronder zij lang had gewoond of waaruit zij misschien wel grootendeels gesproten was (*), tn die het gebruik om levenden een afgestorvene te doen vergezellen in den dood reeds van oudsher hadden gekend. Wellicht was het vorstenhuis der Tshin zelfs wel uit die onbeschaafde stammen voortgesproten (8).

(1) Hoofdst. II; zesde jaar van hertog Wun.
(2) Het rijk, in noot 15 op bladz, 279 vermeld.
(3) 穆,
(4) Sji-king; deel I, boek XI, ode 6.
(6) Hoofdst. V.
(*) (") Zie Legge, „Classics”; IV, Prolegomena 141.

(*) De volgende merkwaardigheid is wel de moeite van aanstippen waard. In zijne beschouwingen over het Suttiisme, die gedeeltelijk op bladz. 443 van dit werk weergegeven zijn, deelt Spencer mede dat bij de menschenslachterijen ten gerieve van de dooden in den regel van

[ocr errors][ocr errors]

Men leest in de werken van Mencius (1): Confucius zeide: ,Was hij niet "zonder nakomelingen, die het eerst houten beelden maakte (om met de dooden te

begraven), omdat hij menschen afbeeldde en die gebruikte?**** Aldus brandmerkte de eerste wijsgeer van het Rijk den man, die na de opkomst van het huis der Tsjowkeizers († twaalfde eeuw vóór onze jaartelling) de stroopoppen, welke men sinds overoude tijden in China met de dooden begroef, het eerst door beweegbare beelden verving en daardoor, volgens de Chineezen, aan de gewoonte om levenden met de dooden te begraven geboorte gaf (12). Tegen die ouderwetsche stroopoppen had de wijze echter geen bezwaar, getuige het „Boek der Ceremoniën”, waarin men leest: „Confuvcius noemde den maker van de zielen van stroo braaf, doch dien van de houten , beelden onmenschlievend" (13).

Wat nu geven die stroopoppen ons te denken? Niets anders dan dat zij plaatsvervangers van levende menschelijke wezens waren, die in het oude China de dooden

geen dwang, doch slechts van vrijwillige zelfopoffering sprake is dat het zelfs als een gunst wordt beschouwd het lijk te mogen volgen in het graf. Deze zienswijze nu, op waarneming van verschillende min-beschaafde volkstammen gegrond, vonden wij door een Chineesch schrijver uit de tweede eeuw bevestigd. Jing sjao , de samensteller van den merk vaardigen „Navorscher der Zeden en Gewoonten,” waaruit wij reeds zoo dikwijls bij de vervaardiging van dit werk hebben geput, zegt namelijk: „Hertog Moeh van Tshin bield een drinkgelag met zijne gezamenlijke » Ministers en sprak: „In dit leven deelt de vreugde, na dit leven deelt het leed !” De drie manmnen (hierboven in den tekst bedoeld) beloofden het. En toen de hertog overleden was, volgden vzij hem gezamenlijk in den dood.”- Dit verhaal staat te lezen in den commentaar der editie van de Sji-ki, die in ons bezit is.

Opmerkelijk mag het tevens heeten dat het letterteeken (Fl), hetwelk in de oude geschristen die menschenslachterijen op het graf voorstelt, in de oude Sjoe-king (deel IV, boek IV, hoofdst. 3, til met de beteekenis van rzoeken, begeereu” optreedt en in dezen zin sedert in de Chineesche literatuur in gebruik gebleven is. Zou dit wel aan het toeval zijn te « ijten? Of zou het er niet veeieer op wijzen dat ook de oude Chineezen, met de vele volkeren die Spencer noemt, de begrafenis met het lijk als een gunst wzochten en begeerden”?

(四)陳元,
(10) Zie Li-ki; hoofdst. IV.
(1) Boek I, deel I, hoofdst. 4.
(14) Legge, Classics"; II, bladz. 9.
(9) Hoofdst. IV, HĘ T.

volgden in het graf. Zoowel de poging om hen door houten af beeldsels, die zich bewegen konden, te vervangen, als het feit dat Confucius nog ruim zeven eeuwen later hiertegen zijn anathema slingerde, omdat hij klaarblijkelijk meende dat zij de oude menschenslachterijen hadden doen herleven, duidt het reeds genoegzaam aan. Ook in Rome vervaardigde men oudtijds poppen en wierp die als surrogaat in den Tiber, toen werkelijke offers er verboden waren (14). De Chineesche stroopoppen van weleer zijn te Emoy in hun oorspronkelijken vorm niet meer in gebruik, maar leven er toch nog altijd voort in de gedaante van twee zoogenaamde "voeteind-slaven" kha-bée-káan (15) van papier, die, na als dienaars van den ontslapene aan zijne voeten op het dood bed te zijn opgesteld geweest, in de kist neergelegd en zoo- in de groeve gelaten worden.

Onder de Tartaren, de tegenwoordige beheerschers van het Chineesche Rijk, is het gebruik om levenden met de dooden te begraven altijd nog in zwang. Sjoen Tsji (16), de eerste Keizer dezer dynastie, liet niet minder dan dertig personen ombrengen op het graf van zijne gemalin, terwijl zijn zoon Khang Hi nog vier vrouwen moest beletten zich bij het overlijden van de zijne op te offeren (17). Pleit dit niet mede voor de waarheid vau Spencers bewering, op bladz. 443 weergegeven, dat het barbaarsche gebruik eerst sterk op den voorgrond begint te treden waar de allerlaagste sporten op de ladder der beschaving reeds overschreden zijn? Ook het oude rijk Tshin, waar, zooals wij zagen, menschenslachterijen op het graf eveneens op groote schaal plaats grepen, had reeds een aanmerkelijken graad van ontwikkeling bereikt; getuige bijv. het op bladz. 279 ingelaschte overzicht der verwikkelingen met zijne naburen, waaruit niet alleen blijkt dat het met andere rijken in geregelde politieke gemeenschap stond en voortdurend groote militaire macht ontwikkelde, doch, steeds als overwinnaar uit het strijdperk tredende, zelfs in de derde eeuw vóór onze jaartelling het gansche toenmalige China aan zich onderwerpen kon.

Overblijfselen van oude menschenoffers meenen wij verder nog te zien in de hedendaagsche papieren poppen van allerlei soort, die de Chineezen steeds bij het vieren hunner lijkplechtigheden doen opgaan in de vlammen. Zij treden algemeen onder alle standen van bet volk op en in alle hoeken van het Rijk; doch daar zij niets met de categorie der zeden en gewoonten te maken hebben, die in dit werk verhandeld worden, staan wij er niet bij stil. Het zij genoeg dat de lezer het Suttiisme van de hedendaagsche Chineesche vrouw, hetwelk op bladz. 442 en volg. werd geschetst, heeft teruggebracht gezien naar die trede van de ontwikkelingsladder . der denkbeelden, waarop het ook bij andere volken ontstond, en tot de overtuiging is gebracht dat het wel niets anders dan een verouderd overblijfsel van een inheemsche gewoonte, zoowel der eigenlijke Chineezen als hunner naburen, wezen kan.

(14) Lubbock, «Origin of Civilisation”; hoofdst. V.
(14) 脚尾(9) 順治; A. D. 1644-162.
(17) Williams, „The Middle Kingdom”; hoofdst. XVIII.

« PreviousContinue »