Page images
PDF
EPUB

fondsen tot wederzijdsche ondersteuning, vooral bij sterfgeval. Zij plaatsen lantarens langs de straten, doen bruggen en wegen aanleggen, deelen spijzen uit en behoeden weduwen en weezen voor gebrek; inderdaad, zoo iets, dan heeft de Maitri er toe bijgedragen om de menschenliefde in China op haar standpunt van eerste onder de vijf hoofddeugden (15) te steunen en te handhaven.

Ziedaar in losse trekken den invloed geschetst, dien het Boeddnisme op de Chineesche samenleving uitgeoefend heeft. Het blijkt dat die niet diep kan heeten, aangezien het volstrekt niet de wezenlijke geest van Sakyamoeni's kerk, dat wil zeggen hare leer van het ascetisch leven is, noch de metaphysische begrippen over de Nirvana zijn, die zich een weg tot het hart der natie hebben gebaand. Het Boeddhisme heeft maar weinig nieuws in de denkbeelden van het Chineesche volk gebracht. De vage Taoistische begrippen omtrent een ander leven heeft het in een dieper afgewerkten vorm gegoten en buitendien met denkbeelden omtrent zielsverhuizing doortrokken, getuige bijv. dat de Taoisten hunnen Paus zich telkens in een nieuwen opvolger laten incarneeren (zie bladz. 64) en hunnen godsdienststichter meer dan eenen aardschen loopbaan toekennen in overouden tijd (16). Het Boeddhisme heeft den dienst der voorvaderen ontwikkeld door hem met ceremoniën te omkleeden en in verband te brengen met Paradijs en Hel; het heeft zoodoende slechts een nuttelooze versiering aangebracht in dit door Confucius geheiligde hoofdgedeelte der oude Chineesche religie. De reeds bestaande begrippen omtrent menschenliefde werden door de leer der Maitri en het beginsel van gelijkheid van alle schepselen ten aanzien van het Boeddhaschap versterkt. En het aantal der goden en godinnen werd in China door Sakyamoeni's kerk vermeerderd, nochtans zonder dat onder haren invloed hun dienst zich merkbaar wijzigde of hun materialistisch karakter afbreuk werd gedaan. Zijne wezenlijke, voor de maatschappij onbruikbare grondbeginselen sloot het Boeddhisme echter in de kloosters op, zoodat zij zonder ingrijpenden invloed op het doen en laten van het volk zijn gebleven. Het kon dientengevolge steeds vrij naast het Confucianisme en het Taoisme leven en bestaan, vooral daar het deze beide sekten aanvulde in stede van te verdringen ; en het

(15) Deze zijn: E menschlievendheid,

義 gevoel voor recht en billijkheid enz.; zie bladz. 95, noot 102,
禮 wellevendheid,

dorst naar kennis,

信 oprechtheid, trouw.
Gezamenlijk heeten zij vde vijf onvergankelijke (deugden)":

(16) Volgens sommige Chineesche schrijvers zou Laotsze hebben geleefd in de veertiende eeuw vóór onze jaartelling, vervolgens nogmaals een drietal eeuwen later en eindelijk in de zesde eeuw vóór Christus.

een be

natuurlijk eindgevolg was, dat de Chinees, blijkens bladz. 560 reeds volgeling van Confucius en Laotsze tegelijk, nog aanhanger van Boeddha daarenboven werd.

Een prijzenswaardige nationale karaktertrek, op welks bezit onze Westersche maatschappij ijverzuchtig wezen mag, heeft in China den onderlingen vrede tusschen de drie godsdienststelsels en hunne ineenvloeiing steeds begunstigd en in de hand gewerkt. Wij bedoelen den algemeen bekenden geest van verdraagzaamheid, van zelf voortvloeiende in de eerste plaats uit het grondbeginsel der menschenliefde, hetwelk steeds door alle drie de sekten werk gehuldigd, en ten andere uit de onverschilligheid der natie op het punt van dogmatiek.

Nooit vraagt de Chinees zich af: wat zijn de goden of dogma's van deze of gene sekte? Slechts vraagt hij: is de moraal, door haar gepredikt, goed? An wethical test is the only one they know. When the evidence of a new religion is " presented to them, they at once refer it to a moral standard, and give their approvnal with the utmost readiness if it passes the test. They do not ask whether it is divine, but whether it is good” (17).

De moraal van Confucianisme, Taoisme en Boeddhisme nu was goed. Zij was gelijkelijk gebaseerd op het groote beginsel van veredeling van den mensch ginsel, dat aanvangt met de leer der dzjien en der Maitri en uitloopt in verheffing tot Genius, Godheid of Boeddha. Zoo moesten de drie sekten zich wel aaneensluiten op een en hetzelfde terrein, ineengestrengeld door hun gemeenschappelijk heilig beginsel van menschenliefde, hetwelk in onze beschäafde Westersche wereld, in stede van er, 200als in China, steeds het uitgangspunt van allen godsdienst en moraal geweest te zijn, eerst in de laatste jaren door een zeer kleine sekte als eenig redelijk grondbeginsel van alle ethica begint voorgestaan en gepredikt te worden.

Verbood die gelijkvormigheid van grondslag reeds uit haar aard botsing, verkettering en strijd, hoeveel te meer moet nog de wederzijdsche verdraagzaamheid steeds zijn gevoed geworden door den genoemden tweeden karaktertrek der natie: onverschilligheid op het punt van dogmatiek! Zooals reeds op bladz. 538 en volg. is blootgelegd, bezitten de Chineezen geen leer omtrent een „God", dat is omtrent een denkbeeldig wezen, hetwelk, een product van menschelijke vinding zijnde, een geheel stelsel van geestelijken dwang vereischt om niet van zijn kunstmatig opgericht standpunt naar omlaag te vallen. De drie godsdienststelsels konden dan ook niet steunen op goddelijke openbaring, dat wil zeggen op leugen en bedrog. Zij behoefden zich bijgevolg niet van het geestelijk prestige te bedienen, hetwelk voor alle godsdienstige logen een levensbehoefte is; met andere woorden: droge geloofsleer bleef hun vreemd. Nooit hielden zij de onbeschaamde bewering staande, dat er boeken bestaan, die niet uitsluitend het voortbrengsel van den geest en de hand der menschen zijn (18); nooit derhalve verleenden zij in hunnen schoot een plaats aan eene klasse van Schriftgeleer

(1) Edkins, Religion in China”; hoofdst. VI.

(18) Er zijn in China ook wel boeken van hoogerhand verschenen, maar nimmer heeft de natie haar gezond verstand zóó verloochend van er godsdienstsystemen uit de smeden, zooals ten

den, die door Jezus in den gloed zijner verontwaardiging voor slangen en adderengebroedsel werden uitgemaakt. Men vindt in China geen priesters of clericalen van onzen modernen tijd: waardige opvolgers van die Farizeën, die de zoogenaamde Christelijke liefde tot den mensch verlagen tot een naakte phrase en achterstellen bij de liefde tot een denkbeeldig wezen boven de Natuur. Men heeft er geen ras van dweepende wezens, spartelend om een wet of leer, die hun door godsdienstige dressuur onder de zweep van een heerschzieke priesterkaste ingeprent werd ; bijgevolg ook geen fanatieke geloofsijveraars of ketterjagers, die in Europa nooit schroomden zich aan het bloed van anderen te vergrijpen. Nooit traden in China Eumolpiden op om de heilige wetten te interpreteeren en het hoogste woord te voeren in geestelijke rechtbanken, die, na over vergrijpen tegen den godendienst vonnis te hebben geveld, de schuldigen overleverden aan het wereldlijk gezag om te worden bestraft of om hals gebracht. Nooit dvemde er een Inquisitie in drie eeuwen tijds meer dan vier-en-dertigduizend slachtoffers van gewetensdwang tot den vuurdood , noch liet er bijna achtmaal zooveel veroordeelen tot galeistraf en verbanning (19). Nimmer ontvolkte - er een Albigenzenoorlog in den naam van een God van liefde geheele landstreken; nooit werd er door kettermoord een Hussietenkrijg in het leven geroepen; in één woord: nooit heeft in China de godsdienst menschenmoord, onder welken vorm, welk voorwendsel ook, gewettigd. Geen droppel ketterbloed bezoedelt bijgevolg een enkele bladzijde van de eeuwenoude historie van het Rijk, en sterk inderdaad is in dit opzicht het contrast met ons beschaafd Europa , waar de acte om alle ketters te verbranden eerst in Engeland onder de regeering van Karel II afgeschaft werd! (29)

Dat de drie Chineesche sekten steeds met elkander in vrede leefden en geen pogingen tot wederzijdsche verdelging deden, had nog een laatste voorname oorzaak.

aanzien van de Bijbel en den Koran in geschied. In het jaar 1008 riep Tsjun Tsoeng, de Keizer van de Soeng-dynastie dien de lezer op bladz. 61 reeds heeft leeren kennen, de rijksgrooten in zijn paleis bijeen. Een bovenaardsch wezen was hem, zeide bij, in den droom verschenen en had hem medegedeeld dat een boek in drie hoofdstukken van den Hemel af zou dalen; en zie, pauwelijks had hij uitgesproken, of men kwam hem berichten dat aan een der poorten een goed gesloten pak. ket hing, hetwelk misschien wel het beloofde hemelsche boek bevatten kon. Te voet en met groote praal ging de Keizer het afhalen; en hoewel de drie bladen, waaruit het was samengesteld, niet veel meer dan zinsi.eden uit de Sjoe-king en de Tao-teh-king bleken in te houden, hield hij het hoog in eere, vaardigde eene algemeene amnestie uit en gaf volksfeesten op zijne kosten.

Het hemelsche boek werd weldra nog gevolgd door een tweede, en in 1019 zelfs door een derde. En de Keizer nam ze alle aan voor goede munt, minder misschien uit bijgeloof, dan wel om het volk diets te maken dat hij zulk een lieveling des Hemels was. In stede echter van geboorte anu godsdienstige sekten te geren, sloegen zij den weg in dien alle werken van bedrog behoorden op te gaan: dien der vergetelbeid. Zij werden met den Keizer in het graf gelegd.

De Mailla, Histoire Générale de la Chine"; deel VIII.

("") Volgens opgave van Lorente, den laatsten griffier der Inquisitie:- Clavel, Histoire des Religions"; boek VI, hoofdst. 2.

("") Recherches philosophiques sur les Egyptiens et les Chinois"; II, bladz. 112.

van

Geen van hen huldigde namelijk initiatie, den kanker, die in het Westen aan bijna alle godsdienststelsels knaagde en er steeds zulk een vruchtbare bron voor religiehaat, vervolging, ja zelfs van godsdienstoorlog was.

Het heilig beginsel der menschenliefde en der erkenning van de waarde van den mensch, door Confucianisme, Taoisme en Boeddhisme gelijkelijk gehuldigd, belette deze godsdienststelsels den sectairen eigenwaan zóó ver te drijven van als geloofsartikel aan te nemen, dat de volmaking tot Genius , Godheid of Boeddha niet voor ieder schepsel zonder uitzondering zou zijn weggelegd. Vandaar dat zij er ook nooit toe kwamen elkander als gevaarlijk voor het heil der menschheid uit te krijten, noch ooit pogingen aanwendden elkander hunne aanhangers te ontwringen, noch, eindelijk, elkander trachtten uit te roeien te vuur en te zwaard. Hoe toonden zich steeds de godsdienststelsels van het Westen in een geheel ander licht! Toen aldaar de priesters, lijnrecht in tegenstelling met de Chineesche wijsbegeerte, de menschelijke inborst diep genoeg hadden leeren minachten om overtuigd te zijn, dat zij slechts door leerstellingen omtrent Hemel en Hel tot deugd te brengen zou zijn, en zij het geloof in die plaatsen van loon en straf onwrikbaar onder hunne leeken hadden gevestigd toen bleef niets meer aan het gebouw van heerschappij te doen dan het volk in te prenten, dat de genoegens van een leven na dit leven alleen voor de kinderen der goden zijn weggelegd, dat wil zeggen voor hen, die de hoogere machten volgens priesterlijk voorschrift dienen. Aldus ontstond initiatie, dat kind geestelijke heerschzucht en priestertirannie. Daarenboven bleven voor degenen, die niet de godsdienstige wetten en voorschriften van de priesters volgden, eeuwige straffen in de Hel bewaard ; zij konden geen kinderen van het Opperwezen zijn, al liet dit zijn zon over hen evengoed als over de ingewijden schijnen. Zoo hebben de Katholieke priesters steeds de straffen der andere wereld overdreven en verzwaard, ten einde hunne leeken onder den invloed van vrecs gemakkelijker te doen gelooven, dat alleen het zegel hunner initiatie in staat was hen te redden; --- 200 leerden zij tot op den huidigen dag, dat men de eeuwige heerlijkheid op geen betere wijze kan verdienen dan door tot hun kerkgenootschap toe te treden. Wel is waar nam de ingewijde steeds verplichtingen op zich, maar deze wogen nooit zoo zwaar, en bij overtreding

er immers altijd middelen voorhanden om zich schoon te wasschen, bijv. door aflaten en de biecht. Had men daarenboven misdaden begaan, geen enkele die de godsdienst niet vergaf; men kon dientengevolge een altijddurende gemoedsrust genieten en zelfs nog aanspraak op hemelsche zaligheid blijven maken. Veel was er dus bij de initiatie te winnen, weinig of niets te verliezen; en gereedelijk liet men zich dus inlijven bij de kudde, welker eenheid en ondeelbaarheid noodzakelijk was om den priesters een eeuwige wereldheerschappij te verzekeren.

Er waren er echter steeds, die weigerden aan de lokstem der initiatie gehoor te geven. Deze waren de natuurlijke vijanden der priesters. Immers, zij stonden de eenheid van de kudde in den weg, dat wil zeggen, zij waren struikelblokken voor de ééne, ondeelbare priesterheerschappij: zij moesten dus worden gekweld, vervolgd , vernietigd.

waren

ܕ

„Wie niet met ons is, is tegen ons”, zoo leerden de priesters, en zij hitsten hunne kudde tegen de ongeloovige medeburgers op. Aldus werd de initiatie een nieuwe bron van godsdienstige onverdraagzaamheid en geestelijke moorden. Gold het enkele individu's, men vervolgde ze, „dwong ze om in te gaan” of doodde ze; gold het een volk, men ondernam een godsdienstoorlog om het te bekeeren. Zoo werden de bladzijden der Westersche geschiedenis door moorden op andersdenkenden en door een Bartholomeusnacht bezoedeld; zoo zette in Frankrijk een vorst tegen zijn eigen volk dragonnades op touw als gevolg van een infaam contract, dat zijn wereldlijke arm met een heerschzieke priesterkaste had gesloten. Zoo drenkte Karel de Groote het land der Saksers in den naam van God met het bloed van zijne bewoners; zoo zetten de vijanden der hervorming Duitschland in een dertigjarigen heeten strijd; zoo dwongen zij ons eigen vaderland naar de wapenen te grijpen, en tachtig jaren lang het bloed van zijne zonen op het altaar der gewetensvrijheid te doen stroomen. Zoo woedden de bekeerzieke ijveraars van Mohammed's kerk in Allah's naam met het zwaard in de hand over een groot gedeelte van Afrika en Azië; doch wij behoeven niet verder de vreeselijke rampen in het geheugen te roepen, die de godsdiensten met initiatie over de wereld hebben gebracht. Het zij alleen gezegd, dat de Chineesche natie er van verschoond gebleven is. Nooit heeft zij zich om dogmatiek bekommerd ; nooit derhalve is in het Rijk een priesterkaste met behulp van het dogma machtig kunnen worden ; nooit een leekenkudde, vast omstrengeld met een band van initiatie, door kerkleer en priesterdom tot onverdraagzaamheid, kettervervolging en godsdienstoorlog aangehitst.

Wij zouden echter der waarheid te kort doen indien wij beweerden, dat steeds in China de sekten zich ongestoord ontwikkeld en bewogen hebben. Nu eens heeft een Keizer het Taoisme, dan weder een het Boeddhisme begunstigd en de mededingende kerk tegengewerkt, doch nooit trad zucht tot initiatie van elkanders leeken bij de sekten op den voorgrond. En 200 er al eens een enkel maal vervolging plaats had, dan was deze nooit tegen godsdienstige overtuiging, maar wel tegen den politieken invloed van de betrokken sekte en vooral tegen de op onrustbarende wijze toenemende kloosters of de aldaar aangekweekte zedeloosheid gericht. Zoo vaardigde Keizer Woe Tsoeng (21) van de Thang-dynastie, de grootste vijand der Boeddhisten, die ooit in China opgetreden is, in 845 een edict tegen de ontelbare kloosters en tempels uit, waarmede de sekte zijn Rijk had overdekt. Langzamerhand liet hij ze, als nadeelig voor de maatschappelijke welvaart en schadelijk voor de belangen van den Staat, ontruimen en neerhalen. De onmetelijke rijkdommen, die er in opgestapeld lagen, werden met de bezittingen in de doode hand ten voordeele van de schatkist verbeurd verklaard, de materialen aangewend tot het bouwen en herstellen van Mandarijnswoningen en meer dan 260,000 monniken en nonnen gedwongen in den leeken

(12) * Hij regeerde van 841 — 47.

« PreviousContinue »