Page images
PDF
EPUB

plantversieringen, de planten met de elf namen, dat de téndi's gezamenlijk naar huis gaan; de namen van Uw planten zijn: tandék črboewah, simběra bajak, opdat ge gezegend (ortoewah) en rijk (bajak) moogt zijn; de namen Uwer bloemen zijn : Ijintja-tjintja sarindapět, běras-běras, padang tégoeh, piso pěrčnggi 34), pěnabah galoeh, één verzoek ik pinta), alle krijg ik (dapět), opdat hard (měkoras) en vast (mělégoeh) met de tindi naar huis terugkeere. Dit zijn de namen Uwer planten: de djabi-djabi roemindang, de waringin toemboeh djali, wiens wortels dwars door de wereld gaan, wiens overschaduwde plaats een koentja zaaipadi groot is (nl. zóó groot, dat men er 100 toemba padi op uitzaaien kan), wiens bladeren evenredig dicht zijn, wiens vruchten overal op hoopen bijeenzitten ; al blaast ook de wind uit het Westen, uit het Oosten, uit het Tobasche land, uit het Maleische land, bij verliest zijne bladeren niet, hij laat geen doode takken vallen, bij valt niet tegen den grond, hij rolt niet om, er komen geen gaten in den grond, hij wordt niet afgebrokkeld, zóó gaat de salindoengěn 35) naar huis.

Hierop moet „ja” gezegd worden ; laten ik en gij „ja" zeggen, dan zegt ook uw těndi „ja”, uw tóndi si toempak-lare, opdat mannen en vrouwen elkander eerbiedigen, opdat de anak běroe sónina voor den kalimboeboe instaan *) en hem in alles ter zijde staan.

Dit is de gelijkenis van de salindoengén (die) naar huis (gaat). Zij is als de sitabar pisang in een valleitje : de wortels dienen tot tépoeng tawar, zijn bast tot ngarkari-middel; zijn bladeren tot schaduw-gever voor de léndi; zijn vruchten zijn in 't begin een weinig wrang, op de helft melig, op 't laatst worden ze zoet, de moeder is omringd door hare kinderen, zóó dat men moeder en dochters niet uit elkaar kent. Dit is de gelijkenis van de salindoengen naar huis, waarop „ja” gezegd moet worden, zegt grootvader de berggeest.

Het spijsbedrag voor den goeroe is neyen toemba rijst, de schuld (d. i.

34) Piso pöringgi kan niet anders beteekenen dan ,,Frankisch mes”: mes der Westerlingen. De bijvoeging penaba galoeh, dat men met dat mes de pisang moet omkappen, nl. de pisang die bij deze plechtigheid gebruikt wordt, en waarvan het , wisselbeeld" gemaakt wordt. De piso pěrénggi is geen Bataksch maaksel, wordt integendeel van de benedenlanden ingevoerd en gelijkt op een voorsnijmes. Wegens zijn dunheid gebruiken de Bataks het ook veel om te kerven (ires).

Verder zij hier opgemerkt, dat het niet alleen dit mes is, dat niet van alledaagsch gebruik is. Ook de kampil, de kalkdoos (tagan), de verschillende weefsels enz. hebben andere vormen, dan de tegenwoordig in gebruik zijnde, en zijn ten deele wel ouderwetsch, ten deele van vreemden oorsprong. 'k Behoef wel niet te bewijzen hoe men analoge gevallen bij alle volken, ook de meest beschaafde aantreft.

35) Salindoengén is hier een andere naam voor tëndi en wel voor de těndi die in veiligheid is (lindoeng).

*) De vertaling is eenigszios vrij. Ture heeft verschillende beteekenissen, doch de grondgedachte is die van ,,opzien naar", „naar omhoog zien”.

betaling) zes dollar, één lap wit goed, één mat, hij moet een kleed dat hij aanheeft, afdoen en als geschenk aan den goeroe geven. Dan is de schuld gedelgd, verwisseld door een tegoed, dan is de ramp afgewend en keert de ičndi naar huis terug”.

VII. Is de ontsteltenis nog wat grooter, dan moeten er zijn: de volledige geestenspijs, kleine wisselbeeldjes, uitgetrokken arènpalm, uitgetrokken pisang, afgehouwen boski-riet met lange geledingen, sijmg-sijang si roengkas, opdat ramp en onheil omvérgestort worde. Ook weer pantai-pantar, andjap-andjap, vier běrtock-bladeren, uitééngehaalde lambe, in trossen hangende meelballetjes, allerlei groenten, ook weer jonge klappernoot, een witte kip. Groote beelden, beelden van pisangstam, van tinggijang begoe, van 'ndoelpal, van 'ndapdap, die de slechte menschen doet te gronde gaan (napsapkón), toekoek, lambe, afweermiddelen, een jong kuiken, pinangkolven 36), en elf maal moet er geschoten worden. Het „scheidingsmiddel” is weer een toemba zout aan den goeroe, 't spijsbedrag elf toemba rijst, de schuld twaalf dollar, een lap wit goed, een mat; en hij moet een aflegger van beneden en van boven geven (dus bijv. een kain

een hoofddoek), dan is de schuld gedelyd, verwisseld door een te goed, dan is 't onheil afgewend, en gaat de lindi naar huis."

en

naar een

en

een

VIII. „Is de ontsteltenis nog wat grooter, dan moet men hoogen heuvel gaan, dan moeten de trommels geslagen, dan moet de klarinet bespeeld worden, er moeten zeren goeroe's gehaald worden, zeren matten gegeven, zeren volle strengen garen; er moeten veel beelden zijn, van tónggi jang begoe, van vruchtdragende pisang, van 'ndoelpali, van 'ndapdap meelkoek in den vorm een beeldje 37). Maak ook weer kleine wisselbeedjes, uitgetrokken arènpalm, uitgetrokken pisang, afgehaktbřski-riet met lange geledingen, sijang si roengkas, opdat ramp en onheil omver gestooten worde; er moet liggen, een pinangkolf, er moet zijn een lovljören *) van zeven verdiepingen; de schuld is vijftig dollar min twee, vier toemba zout als ,afscheidsmiddel", een aflegger van boven en van beneden, zeven lappen wit-goed.

van

36) De naam roedang mehal»p voor pinang kolf (boenga majang) is hier ook niet zonder zin. M. m. is alıp = hoera; alip-alrpkin, juichen, al:p, alp! roepen. Doch de eigenlijke beteekenis is halen (het Tob. alap). De karo-Bataks kennen deze beteekenis niet meer. Zij gebruiken dan hetzelfde woord met een anderen sluiter, nl. uling (zie boven peralung tondi). Dit wep-alip roepen gebeurt bij verschillende werkzaam heden, bijv. bij het mantek roemah (huisbouw). h -t aanbrengen der zware zolder balken, en ook wordt een feestelijke maaltijd met dit roepen begonnen. De beteekenis kan geen andere zijn, dan dat de tendi gehaald worde, dus veilig zij en welvarend.

37) Dit beeldje ligt gedurende de plechtigheid onder een doek en na afloop zou de goeroe daaraan kunnen zien of de plechtigheid de gewenschte uitwerking heeft gehad of dat er nog krachtiger middelen noodig zijn.

*) Zie Med. N. Z. G. 46e Dl. pag. 4.

Dat is zijn schuld aan de goeroe's, opdat zijne schuld gedelgd zij, verwisseld door een te-goed, opdat de téndi naar huis ga en grootvader, de geest van 't gebergte terugkeere” 38).

Nu is mijne boodschap gedaan, o tante!" zeide Běroe Dajang Minta Radja.

„Zoek nu een groote kalebas, en stop mij daarin, opdat ik spoedig Uw zoon ontmoete, Radja Pěrkoeltjapi.”

Ze stopte baar er in. Ze wierp haar midden in de zee. Daar dreef de kalebas, ze dreef naar het oosten. Ze bleef hangen in 't bosch van Radja Měrare 39).

Radja Merare 39). Radja Boelan kwam de visch-staketsels nazien, daar zat de kalebas hem in den weg

Hij duwde haar op zij. Hoe meer hij haar op zij wilde duwen, hoe meer ze den weg versperde. Toen kloofde R. B. de kalebas. B. D. kwam te voorschijn. Toen glimlachte. R. B. Zij gingen achter elkaar loopende naar huis, en zij zocht haar echtelijk verblijf weer op.

38) Zie aant. 19 omtrent Adoe Amang.

39) Wie dat is, is mij onbekend. Vermoedelijk is het bosch R. M." eene versierde naam voor het vischstaketsel, dat toch uit dicht tegen elkaar staande stokken bestaat,

KARO-BATAKSCHE VERTELLINGEN.

IV.

RADJA KĚTĚNGAHĚN.

(de vorst van 't Midden).

INLEIDING.

Van het, onder dit op zichzelf niet veelzeggend bovenschrift, hier mede te deelen verhaal, bestaan naar 't schijnt heel wat lezingen, die, al zijn ook de hoofdzaken vrij wel dezelfde, toch hier en daar belangrijke verschillen vertoonen, inzonderheid ook in de namen.

't Verhaal, zooals De Haan dit geeft (Verh. Bat. Gen. Deel XXXVIII (1875), buiten beschouwing latende, omdat mij, sedert ik de gelegenheid heb gehad van diens reisverslag kennis te nemen, gebleken is, dat daar bijna doorloopend kloken-klepel-wijsheid aan 't woord is, staan mij ter vergelijking twee verhalen ten dienste, nl. 10 het algemeen bekende van den heer WESTENBERG, voorkomende in diens studie: Aanteekeningen enz. (Bijdr. T. L. V. 5e volgr. Te Deel 2de afl.), ook opgenomen in PLEYTE's Bat. vertellingen; 20 een door den heer J. H. NEUMANN gedeeltelijk in 't Hollandsch, gedeeltelijk in 't Karo’sch opgeschreven verhaal, dat deze mij welwillend afstond.

Intusschen heeft de vergelijking mij niet veel verder gebracht, en moet ik afzien van 't geven van eene in alle deelen bevredigende verklaring. Doch daarover straks. De gang van 't verhaal is in groote trekken als volgt:

Terwijl Radja Kětěngahěn ijverig aan 't studeeren is, passeert er eene „godendochter" (of godendochters), die zich blijkens luidgeuite zinspelingen over hem vroolijk maakt. Hierdoor terneergeslagen, gaat hij de eenzaamheid zoeken op 't voorgebergte Sibolangit, waar hij eindelijk door boodschappers van zijn „grootvader" Daloek Roebija Ganıle gevonden wordt. Met hen gaat hij naar huis, en vertelt na afloop van den maaltijd wat hem 't hart bezwaart. Zijn grootvader roept de godendochter ter verantwoording. Zonder aarzelen bekent ze die ondeugende zinspelingen te hebben gemaakt, maar weigert R. K.'s vrouw te worden,

Eerst is deze daarover bedroefd, maar hij laat zich spoedig door zijn grootvader troosten. Immers, deze heeft „kleindochters" genoeg, waaruit hij eene

keuze kan doen. Voorloo pig moet hij maar ijverig doorstudeeren. Intusschen laat D. R. G. door afgezanten den vorst van Irisěn polsen. De zaak loopt evenwel op niets uit, omdat diens dochter, hoe schoon overigens, gebrekkig ter been is.

Ontmoedigd door den uitslag, gaat R. K. andermaal naar 't gebergte Sibolangit. Daar komen zouthalers voorbij, die hem wonderveel vertellen van de ongeëvenaarde schoonheid van Běroe Sindar ni Mata ni Ari, dochter van den vorst van Poerba.

Onder belofte dat hij (R. K) later voor 't benoodigde voor hunne reis naar de benedenlanden zorg zal dragen, vertrouwt hij hun een fraaien ring toe, dien ze in den verfpot van Beroe S. M. moeten doen, hetgeen gebeurt

Toen nu Běroe S. M. 's avonds zou gaan blauwverven, en daartoe het deksel van den pot met indigo nam, werd het plotseling daghelder! Verschrikt snelt ze naar huis, maar hare moeder verzekert haar, dat ze in Poe ba niets te vreezen heeft Ze gaat dus weer, en ontdekt nu den ring, die juist aan haar wijsvinger past.

Hare moeder, eene knappe goeroe, weet nu te vertellen, dat er blijkbaar iemand op de komst is, die en als vorst, en als toovenaar, en als kunstenaar uitmunt.

Juist op dien tijd vraagt R. K. zijne moeder om eene flinke portie rijstmeel. Hij kreedt daarvan een vogel, dien bij levend maakt. Op zijn bevel gaat deze vogel vliegen, maakt allerlei hem voorgeschrevene bewegingen, 't welk allen, die het zien, zoo in vervoering brengt, dat ze op staanden voet gaan dansen.

Na een tweede kunstbewerking verandert de vogel in een manoek-manoek si nanggoer dana-dana." Ook hiermede herhaalt hij de bovengenoemde proefnemingen.

Daarop vliegt de vogel naar Poerba, waar hij ook allen in vervoering brengt, zóó dat Beroe S. zich zelve als prijs uitlooft aan hem, die den vogel weet te vangen. Doch dit lukt niet, en ten slotte keert de vogel naar Kětěngahěn terug.

Vier dagen later vaardigt R. K. eene vlieg af, die ongegeneerd den vorst en de vorstin op 't gezicht gaat zitten. Als de laatste er naar slaat, valt haar een touw met knoopen in den schoot, en dit is hun eene aanwijzing, dat nu de beroemde vorst over een bepaald aantal dagen zal komen.

R. K. verschijnt ook vier dagen later met een talrijk gevolg, en 't resultaat is een huwelijk met Béroe S. M.

Dit huwelijk werd met vijf kinderen gezegend, en wel in deze volgorde: jongen, meisje, jongen, meisje, jongen. Telkens als er één volwassen was, ontving hij (zij) naam, měrga en běběre van grootvader D. R. G, die ze tevens met eene of andere macht bekleedde, en hun eene woonplaats aanwees, met uitzondering evenwel van den middelsten zoon, voor wien eene woonstede moest worden gemaakt.

De namen der kinderen waren: 10 lapockuh ni Alji (in de onderwereld); 20 Dujang Sembuhin (in 't Oosten); 330 Toewan Bunociva koeling (later op deze

« PreviousContinue »