Page images
PDF
EPUB

"progress in science can only be achieved by making use of the materials mcollected, and by building upon foundations already laid” (?).

Met voordacht namen wij de zeden en gewoonten tot richtsnoer zooals zij zich uiten te Emoy. Een vrij langdurig verblijf aldaar ter plaatse gaf ons de gelegenheid er meer dan ergens elders het volk in zijn doen en laten gade te slaan; bovendien is de stad bewoond door een conglomeraat van emigranten uit alle streken van het omliggende vasteland, en dit maakt dat men zoo goed als zeker wezen kan er ook alle gebruiken en gewoonten aan te treffen, die in het zuidelijk kustland der provincie Foehkjen, dat het vaderland van de Java-Chineezen is, in zwang zijn. De stad Emoy is inderdaad de meest geschikte basis voor dit werk. Onze keuze neemt ook niet weg, dat dit boek er niet minder geschikt om wezen zal tot richtsnoer voor de kennis van een gedeelte der zeden en gewoonten van de Java-Chineezen dienst te doen: integendeel, wij vermeenen dat het er in bruikbaarheid, en vooral in volledigheid, door winnen zal. Want veel zal erin verhandeld worden dat in Indië niet voorkomt of in onbruik is geraakt, terwijl er daarentegen weinig gebruiken, voor zoover die binnen ons bestek zouden vallen, op Java zullen zijn te vinden waaromtrent dit werk geene inlichtingen geeft. Veel immers van de zeden en gewoonten hunner vaderen zullen de Chineezen in den loop der eeuwen, die zij reeds onder de Javanen doorbrachten, ongetwijfeld hebben laten varen, maar weinig nieuwe gebruiken zullen zij er hebben bijgekregen of overgenomen van het volk waarnaast zij leven, en dat op het stuk van zeden en gebruiken zoo sterk van hen verschilt. Een enkel woord omtrent het vaderland der Java-Chineezen dient hier echter vooraf te gaan.

Emoy is een der meest belangrijke havens, die in China voor den vreemden handel zijn geopend. Zij ligt aan het zuidelijk kustland der provincie Foehkjen op eene breedte ongeveer van 24040 noord en eene lengte van 1180 oost, en is als eene natuurlijke deur, door welke de Chineesche emigranten, die Java bevolken, uit hun vaderland naar buiten zijn gestroomd. Een schoone rivier, ter plaatse Liông-khee (3) of Drakenrivier geheeten, werpt" hare wateren hier door een reusachtigen mond, die meer nog den naam van zeearm verdient, in zee, en vormt een baai die, met dozijnen van eilandjes als bezaaid, een veilige ankerplaats, zelfs in het hevigste stormweder, aan schepen van alle grootte en diepgang biedt. Men heeft wel eens gezegd dat

(*) P. G. & 0. F. von Möllendorff, „Manual of Chinese Bibliography."

(1)龍溪,

1

[ocr errors]

Emoy in staat zou wezen de koopvaardijvloten van alle natiën tezamen te
herbergen, en inderdaad is deze bewering stellig niet zoo heel ver van de
waarheid af.

Geen wonder dat zulk een schoone haven, die bovendien door een
breede rivier met talrijke vertakkingen een gemakkelijk middel van gemeen-
schap met het binnenland bezit, altijd als een plaats van gewicht stond aan-
geschreven. Reeds in de negende eeuw bevonden zich hare handelaren niet
alleen in de voornaamste zeesteden van het Chineesche Rijk, maar ook in
onzen Archipel (*), in Hindostan en zelfs in Perzië, en de Europeanen be-
gonnen er handel te drijven van af het eerste oogenblik dat hunne schepen
in de Chineesche wateren belandden. De Portugeezen verschenen er reeds
in 1544, en de Hollanders schijnen er hunne eerste pogingen tot het aan-
knoopen van handelsbetrekkingen te hebben aangewend in het jaar 1622.
Eenig verkeer bleef sinds dien tijd vrij geregeld door bestaan, doch het duurde
nog tot 1842 alvorens, ingevolge het tractaat van Nanking, Emoy voor den
vreemden handel voor goed werd opengeworpen.

Aan den noordoostelijken uithoek van het vasteland, dáár waar de wateren van den Drakenstroom zich in den Oceaan storten, ligt een eiland van ongeveer veertig Engelsche mijlen in omtrek: Emoy (5) geheeten. De stad van denzelfden naam is gebouwd op den zuidwestelijken uithoek, vlak tegenover de uitmonding der rivier en is van deze gescheiden door een eilandje, dat niet veel meer is dan een klip van rotsen en zand en met den naam van Ków-Long-Sõe (6) of het Eiland der Donderende Golven" wordt aangeduid. Het is hier dat met eene inlandsche bevolking van wellicht drieduizend zielen, in verschillende gehuchtjes tusschen de heuvelen verspreid, de vreemdelingen ten getale van een paar honderd hun verblijf gevestigd hebben. Tusschen de stad en het eilandje stroomt de diepe binnenhaven, die zelfs tegen de zware tyfonen, welke dit gedeelte van het kustland menigwerf teisteren, een veilige schuilplaats verleent en waarin, nevens tallooze jonken en Chineesche vaartuigen van allerlei aard, de kleuren van bijna alle natiën van Europa geregeld jaarlijks wapperen.

Hoewel de omstreken van de baai van Emoy uiterst schilderachtig

[ocr errors]

) Volgens Groeneveldt 's belangrijke „Notes on the Malay Archipelago and Malacca” (bladz. 15), opgenomen in deel XXXIX van de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, bezochten de Chineezen eerst in aanmerkelijken getale Java onder de regeering van de eerste vorsten van de Thang-dynastie, d. i. ongeveer in de eerste helft der zevende eeuw.

(2) 廈門(0) 鼓浪嶼 ,

[ocr errors]

zijn en het woeste bergland met de trotsche klippen, die den zeeboezem aan alle kanten omzoomen, een landschap vormt van indrukwekkende schoonheid, zoo kan de grond toch niet op groote vruchtbaarheid en rijkdom bogen. Want de eindelooze reeksen van heuvelen, waarin reusachtige blokken graniet de hoofdrol spelen, bieden er den bewoners niet veel meer aan dan zandige hellingen, door verweering van het graniet ontstaan. En hoewel nu noeste vlijt die met kracht van arbeid en bemesting grootendeels in landerijen en velden heeft weten te herscheppen, zoo is toch de opbrengst geheel onevenredig aan de behoeften der bevolking Geen wonder dan ook dat velen hunne toevlucht nemen tot de stad, en daar in scheepvaart, nijverheid en handel trachten te veroveren wat de landbouw niet in staat is hun te verschaffen.

Dientengevolge is Emoy als een mierennest geworden, dat van bewoners wemelt en krioelt. Men schat de bevolking van het eiland veelal op ruim driemaal honderdduizend zielen, waarvan twee derden in de stad en voorsteden en een derde in de 136 dorpjes en gehuchten wonen, waarmede het eiland als is overdekt. De schraalheid van den bodem heeft stellig in niet geringe mate den ondernemingsgeest van zijne bewoners in de hand gewerkt. · Zij dreef hen spoedig bij honderdtallen over verre zeeën, naar Formosa, de Molukken en naar Java, ja zelfs naar Peru, Cuba en Australië waar een ruim veld zich voor hun ondernemingsgeest en werkkracht ontsloot en betrekkingen konden worden aangeknoopt met een kuststreek, die zoo geschikt lag voor den buitenlandschen handel (). Het pleit niet alleen voor de groote energie, maar ook voor de physieke en moreele kracht van eene natie, dat zij hare kinderen laat vertrekken van onder den heerlijken hemel, dien het vaderland hun biedt naar gewesten binnen de tropen en over den verren Oceaan, waar geene rasgenooten of eigen altaren en goden hen wachten, maar wel onbekende en vijandige volken hen verbeiden ; waarheen zij zich niet begeven bij honderden of duizendtallen tegelijk, ten einde met geweld of gewapenderhand zich een weg te banen voor hunnen ondernemingsgeest, maar als het ware slechts een voor een of bij kleine groepen met de moedig. sten aan de spits, ieder steunende op eigen kracht, eigene bekwaamheid en eigen moreel overwicht. Het is een verschijnsel dat slechts in dàt tijdperk van vervlogen eeuwen zijne wedergade vindt, waarin nog geen lichtstraal der geschiedenis ooit is doorgedrongen en slechts vergelijkende taalstudie in staat

(") De waarde van den in- en uitvoer der goederen, die aan rechten onderworpen zijn, beliep voor Emoj in het jaar 1879 niet minder dan 9,029,149 taels : „Returns of Trade at the Treaty Ports for the year 1879.” Een tael is ongeveer $ 1, 5.

[ocr errors]

geweest is eenig licht te werpen, toen de Arische volkeren om onbekende redenen van uit hunne bakermat in Midden-Azië trokken naar het Noordwesten van dat werelddeel en naar Europa. Geen geschiedschrijver kan ons zeggen wat hen aandreef om hun vaderland te verlaten en hunne woonplaatsen te verwisselen voor de kille en onherbergzame streken van een hun onbekend werelddeel; maar wat de oorzaak zij: de aandrang was even onweerstaanbaar als de toovermacht, die nog in onze dagen de afstammelingen van dezelfde Ariërs uit Engeland en Duitschland drijft naar de wildernissen en goudvelden aan gene zijde van den Oceaan, en de Chineezen naar die verre streken, waar zij alles behalve vriendschappelijke rassen te bekampen en aan alle kanten moeielijkheden te overwinnen hebben.

Men zou echter onjuist doen Emoy als het eigenlijke vaderland van de Java-Chineezen te beschouwen. De stad zendt inderdaad verscheidenen der bewoners van het eiland naar het buitenland, doch desniettemin is en blijft zij, zooals wij reeds eenmaal zeiden, niet veel meer dan de deur, door welke de emigratie uit zuidelijk Foehkjen zich over den Oceaan ontlast. De hoofdstroom van de volksverhuizing gaat uit van de landerijen, die door de wateren van den Drakenstroom worden bespoeld: van Tsjang-Tsjowfoe (), een departement dat men zelfs veel meer dan Emoy op Java noemen hoort (9) en met welks hoofdstad van denzelfden naam de Hollanders tegen de helft van de zeventiende eeuw bij speciaal edict vergunning bekwamen om handel te drijven.

Wat zooeven omtrent de natuurlijke gesteldheid van het kustland rondom Emoy in het algemeen werd aangevoerd, is ook in het bijzonder op de oevers van den beneden Liông-khee van toepassing. Hoewel sterk bevolkt en met dorpjes als bezaaid is er het gehalte van den bodem ver beneden het middelmatige, doch met elke schrede, die men naar het binnenland doet, neemt de vruchtbaarheid toe, totdat het landschap zich na een drietal dagreizen verandert in een waar paradijs. Foehkjen staat inderdaad bekend als een der schoonste provinciën van het Rijk en is wellicht een der meest gezegende landstreken, die op de wereld zijn te vinden. Begunstigd door een heerlijk half-tropisch klimaat, hetwelk met dat van zuidelijk Europa wedijveren kan, en in het bezit van een bodem die nergens misschien zijne wedergade in vruchtbaarheid heeft, is de provincie in staat jaarlijks voor milloenen aan thee te voeren naar het buitenland. Uitstekende havens langs

(*) WH (“) De naam wordt door de bewoners van de landstreek zelve T'siang-Tsioe-Hóe uitgesproken.

de kust en groote rivieren, die daarin uitloopen, houden de gemeenschap gaande met overzeesche landen, en verwonderen kan het waarlijk niemand die de provincie heeft doorkruist, dat de Chineezen van het Noorden haar na de verovering en inlijving in de Middeleeuwen herdoopten en den ouden naam Min (10) veranderden in Foehkjen (11), dat is: „de Gelukkige Nederzetting.” Hare oppervlakte bedraagt vier malen die van Nederland, en de betrekkelijke dichtheid der bevolking wordt gerekend ongeveer even groot te wezen.

Het middelpunt van het vaderland der Java-Chineezen is de zooeven genoemde stad Tsjang-Tsjowfoe, aan den noordelijken oever van de Drakenrivier, op een afstand van ten naastebij vijf en dertig Engelsche mijlen van Emoy. Zij is de hoofdplaats van een der dertien departementen, waarin de provincie - Formosa meegerekend is verdeeld, en telde, naar beweerd wordt, een twintigtal jaren geleden nog zesmaal honderdduizend zielen; doch sinds zij in October 1864 door de Thai-Phing rebellen (12) voor het grootste gedeelte werd in de asch gelegd en uitgemoord, is hare bevolking geslonken tot op ongeveer een derde en hare welvaart voor wellicht een lange reeks van jaren vernietigd en geknakt. Tot op den huidigen dag heeft de stad zich niet van den geleden slag kunnen herstellen, en nog steeds staart de reiziger, die over de schoone heuvelen van den omtrek dwaalt, met weemoed op de uitgestrekte puinhoopen binnen hare muren, waar weleer eene nijvere bevolking vreedzaam leefde en handel en industrie bloeiden en tierden. Vooral daar waar de rebellen het eerst naar binnen braken werd verschrikkelijk huis gehouden en een veld van verwoesting aangericht verscheidene mijlen uitgestrekt: geen steen bleef er in den letterlijken zin des woords op den anderen en alles werd er neergebrand en met den grond gelijk gemaakt.

Het departement Tsjang-Tsjowfoe bevat een menigte van steden en marktplaatsen, die in ons vaderland voor zeer aanzienlijk zouden doorgaan en alle, hetzij in meerderen of minderen getale, haar contingent aan de landverhuizing leveren. Buiten en behalve Chineezen, uit die streken afkomstig, zal men op Java nog emigranten vinden uit Tshuen-Tsjowfoe (13), het bekende departement uit welks hoofdstad van denzelfden naam de Mongoolsche expeditie van 1263 naar Java zeilde (14) en waarvan ook Emoy een deel uitmaakt ; doch de hoofdstroom van de emigratie --- wij herhalen het –

(10)聞(1) 福建,
(12) Zie bladz. 63, noot 150.
("") W (16) Groeneveldt, in op. cit., bladz. 22.

« PreviousContinue »